ECLI:NL:PHR:2022:35

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
17 januari 2022
Zaaknummer
21/00785
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SvArt. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 432 lid 1 SvArt. 51 oud Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding beroepstermijn ondanks niet-naleving art. 48 Sv

De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994, met een geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid. Het cassatieberoep is ingesteld na de wettelijke termijn van veertien dagen na het arrest van het hof.

Hoewel de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep, wat in strijd is met artikel 48 Sv Pro, leidt dit niet tot verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn. De dagvaarding vermeldde duidelijk de termijn voor cassatie en de voorzitter van de terechtzitting bevestigde dit.

De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is en verklaart het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk. Dit benadrukt het belang van strikte naleving van termijnen in cassatieprocedures, ook bij procedurele fouten zoals het niet oproepen van de raadsman.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00785
Zitting18 januari 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 4 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot een geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep vraagt de aandacht. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op 11 februari 2019 in persoon aan de verdachte is betekend. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2019 is de verdachte aldaar verschenen. Dit brengt mee dat het cassatieberoep op grond van art. 432, eerste lid, aanhef en onder a en b, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk op 18 april 2019 kon worden ingesteld. Uit de akte cassatie blijkt dat het cassatieberoep op 24 februari 2021 – en derhalve (ruim) na het verstrijken van de termijn – is ingesteld.
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. [1] Overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie door de verdachte betekent in de regel dat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Dat is anders indien sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarbij kan worden gedacht aan voor het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische stoornis bij de verdachte dat in verband daarmee het verzuim tijdig beroep in cassatie in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend. [2]
5. In de cassatieschriftuur wordt niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv Pro de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.
6. Op grond van art. 48 Sv Pro ontvangt de raadsman onverwijld afschrift van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht (behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv). [3] Uw Raad acht dit voorschrift van zo grote betekenis dat de niet-nakoming daarvan moet worden geacht ‘aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. [4] De niet-naleving van dat artikel brengt evenwel niet mee dat overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is. [5]
7. Ik wijs er in dit verband nog op dat op de (in persoon aan de verdachte uitgereikte) dagvaarding in hoger beroep staat vermeld: ‘Tegen een uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld. In het algemeen loopt de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel slechts gedurende 14 dagen na de uitspraak’. Voorts wijs ik op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaruit blijkt dat door de voorzitter is medegedeeld ‘dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen’.
8. Nu het beroep te laat is ingesteld en zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is, kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983,
2.Vgl. onder meer HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587,
3.Ingevolge de Wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen,
4.Zie met betrekking tot art. 51 (oud) Sv onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1453 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225. Uw Raad betrekt deze regel in laatstgenoemd arrest ook op het thans geldende art. 48 Sv Pro.
5.Vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6401,