Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De kern van het geschil betrof het niet naleven van het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv, thans artikel 48 Sv Pro, dat vereist dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte wordt gezonden.
Uit de processtukken bleek dat hoewel een brief van de raadsman aan de strafgriffie was ingekomen waarin hij zijn bijstand aan de verdachte in hoger beroep meldde, er geen bewijs was dat een afschrift van de appeldagvaarding aan deze raadsman was verzonden. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep waren noch de verdachte noch diens raadsman aanwezig.
De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim een ernstig vermoeden oplevert dat het voorschrift niet is nageleefd. Dit voorschrift is van groot belang voor de belangen van de verdachte, zodat niet-nakoming ervan de geldige behandeling van de zaak in diens afwezigheid verhindert.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor een nieuwe berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens niet-zenden van de appeldagvaarding aan de raadsman.