Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel naar voren wordt gebracht, een cassatiemiddel in de zin van de wet oplevert. Daarvan is pas sprake als het aangevoerde een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen bevat. [1] Het middel zelf vermeldt slechts verschillende standpunten die het openbaar ministerie in hoger beroep inzake de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken, en wijst erop dat door de betrokkene beroep in cassatie is ingesteld tegen zijn veroordeling in de samenhangende strafzaak.
tweedemiddel bevat de klacht ‘dat het hof niet heeft kunnen komen tot een vaststelling betreffende ontneming en de daaraan gekoppelde betalingsverplichting nu niet aannemelijk is dat betrokkene van een vermeend wederrechtelijk voordeel heeft genoten’. In de toelichting wordt gesteld dat het hof zich uitsluitend over de vaststaande feiten zou hebben uitgelaten en daarbij in het midden heeft gelaten in hoeverre betrokkene het voordeel heeft verkregen ‘door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen zouden bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan’. Het oordeel van het hof zou daarom niet toereikend gemotiveerd zijn.
I. De veroordeling
II. Wettelijke grondslag
derdemiddel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn. Blijkens de toelichting ziet het middel op de door het hof toegepaste matiging van de betalingsverplichting met € 7.500 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Het zou ‘onbegrijpelijk’ zijn ‘dat het hof de betalingsverplichting matigt met voornoemd bedrag’ en ’s hofs oordeel zou ‘dan ook niet toereikend gemotiveerd’ zijn.
Op te leggen betalingsverplichting
Met de verdediging is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure is overschreden.
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, onder meer het volgende overwogen:
(…)