Conclusie
Zwedenrespectievelijk
[het antiquariaat].
1.Inleiding
Zowel rechtbank als hof heeft geoordeeld dat de vordering van Zweden is verjaard op grond van de korte verjaringstermijn als bedoeld in art. 3:310a lid 1 BW (oud). Op grond van deze bepaling verjaart de vordering ex art. 1008 Rv Pro door verloop van één jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder aan de EU-lidstaat zijn bekend geworden. Volgens het hof zijn de justitiële autoriteiten van Zweden in het kader van een op verzoek van Zweden gehouden huiszoeking van de Duitse politie bij het desbetreffende veilinghuis al in 2005 bekend geworden met de plaats waar het boek zich bevindt en de identiteit van de bezitter, te weten [het antiquariaat] uit [plaats] . De kennis van de Zweedse justitiële autoriteiten die bij de huiszoeking aanwezig waren (o.a. een officier van justitie en medewerkers van de politie van Zweden), kan volgens het hof aan Zweden worden toegerekend. Het hof voegt daar, als tweede zelfstandige grond, aan toe dat uit correspondentie tussen Zweden en [het antiquariaat] blijkt dat Zweden in ieder geval in 2012 bekend was met de identiteit van [het antiquariaat] en het feit dat het boek zich bij haar bevond. Zweden heeft de vordering tot teruggave van het boek pas op 9 februari 2018 ingesteld, zodat deze op grond van de korte verjaringstermijn van één jaar die in 2005 althans in 2012 is gaan lopen al geruime tijd is verjaard.
In cassatie wordt onder meer geklaagd dat art. 3:310a lid 1 BW (oud) aldus moet worden uitgelegd dat, evenals in het huidige, op 27 augustus 2015 in werking getreden, art. 3:310a lid 1 BW waarin de korte verjaringstermijn is verlengd tot drie jaar, kennis van de staat over de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter is beperkt tot kennis van de door de lidstaat aangewezen ‘centrale autoriteit’. Dat zou betekenen dat de vordering mogelijk nog niet is verjaard, omdat Zweden stelt dat de desbetreffende centrale autoriteit (Swedish National Heritage Board) pas op 23 september 2015 over de relevante kennis zou hebben beschikt. Deze uitleg van art. 3:310a lid 1 BW (oud) vindt m.i., ook in het licht van Richtlijn 1993/7/EEG en de opvolgende Richtlijn 2014/60/EU, geen steun in het recht. Het oordeel dat de kennis van de Zweedse justitiële autoriteiten aan Zweden kan worden toegerekend, houdt m.i. eveneens stand in cassatie. Ik concludeer dus tot verwerping van het cassatieberoep van Zweden.
2.Feiten
hof). [1]
KB) had sinds 1869 in haar collectie een exemplaar van het werk, getiteld ‘
Nippon. Archiv zur Beschreibung von Japan und dessen Neben- und Schutzländern: jezo mit den südlichen Kurilen, Krafto, Koorai und den Liukiu-Inseln, nach japanischen und europäischen Schriften und eigenen Beobachtungen bearbeitet’ van P.F. von Siebold. Dit exemplaar wordt hierna
Nippongenoemd.
[KB-medewerker 1]), een medewerker van de KB, gestolen dan wel verduisterd. [KB-medewerker 1] (onder de schuilnaam ‘ [schuilnaam] ’) heeft Nippon op 22 augustus 2003 bij het Duitse veilinghuis Ketterer Kunst GmbH (hierna:
Ketterer) in Hamburg ter veiling aangeboden. Ketterer heeft Nippon op 17 of 18 november 2003 op de veiling verkocht voor € 89.700,-- inclusief veilingkosten.
huiszoeking).
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Zweden legt aan deze vordering ten grondslag, samengevat, dat [het antiquariaat] in het bezit is van Nippon en dat Nippon krachtens Zweedse wetgeving een cultuurgoed in de zin van Richtlijn 2014/60/EU is, dat op onrechtmatige wijze buiten Zweeds grondgebied is gebracht. Zweden stelt op die grond de rechtsvordering tot teruggave als bedoeld in art. 1008 Rv Pro in.
rechtbank) is een comparitie van partijen bevolen. [3] Van de comparitie, die heeft plaatsgevonden op 4 december 2018, is proces-verbaal opgemaakt.
- pagina 3 uit een overzicht of lijst van werken die door [KB-medewerker 1] bij Ketterer ter veiling zijn aangeboden, waarop de titel van Nippon staat vermeld met daarachter de datum en prijs van de verkoop en de aanduiding van ‘ [het antiquariaat] b.v.’ als koper (productie 2). Als productie 15 bij memorie van antwoord zijn overigens de hieraan voorafgaande pagina’s 1 en 2 overgelegd;
- een pagina uit de administratie van Ketterer met daarop de volledige naam en adresgegevens van [het antiquariaat] in de [a-straat] in [plaats] (productie 3);
- een kopie van de factuur van Ketterer van 19 november 2003 aan het genoemde adres van [het antiquariaat] waarop onder meer de ook in productie 2 vermelde titel van Nippon en verkoopprijs voorkomen (productie 4).
- Het hof duidt deze documenten hierna ook aan als producties 2, 3 en 4.
there can be no doubt about the provenance of the copy that is in your possession…”
im Rahmen eines Ermittlungsverfahrens aus Schweden”). Zweden vaardigde naar de huiszoeking vijf Zweedse functionarissen af, namelijk een officier van justitie, twee politieambtenaren en twee medewerkers van de KB (in het proces-verbaal aangeduid als “
die Schwedischen Staatsbürger” en verderop ook als “
die Schweden”), die blijkens het proces-verbaal met instemming van de Duitse officier van justitie de huiszoeking begeleidden (“
begleiteten die Durchsuchung im Einverständnis des Oberstaatsanwalt Kuhn”).
Durchsuchungsvermerk” van de politie te Hamburg van 12 september 2005 blijkt dat naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van Zweden die dag een huiszoeking bij Ketterer heeft plaatsgevonden in verband met de door [KB-medewerker 1] bij KB ontvreemde werken (productie 1 bij conclusie van antwoord). Bij deze huiszoeking waren twee medewerkers van de Zweedse politie, een Zweedse officier van justitie en twee experts van de KB aanwezig.
Asservatenauflistung” van de politie te Hamburg van 14 september 2005 (productie 5 bij conclusie van antwoord) bevat een opsomming van de stukken die in beslag zijn genomen. Hierin is onder meer vermeld dat “
Beutel 2” bevat “
Käufer-rechnungen in Sachen [schuilnaam]” en “
An den gesamten Inhalt des Beutels sind die Schweden interessiert.” Voorts is daarin vermeld: “
Beutel 3 DVD mit Daten des Auktionshauses (…) 1 DVD mit den Auflistungen des Auktionshauses (Excel-Tabellen über stattgefundene Auktionen (…) Diese Daten werden von den Sweden benötigt”.
Durchsuchungsvermerk” is vermeld: “
Das Auktionshaus Ketterer hatte am 12.09.2005 eine Abrechnungsliste vorliegen, die uns über die Polizei in München zugefaxt wurde. Diese Auflistungen wurden als Beweismittel sichergestellt und befinden sich im Beutel mit der Nummer 4.” In voornoemde
“Asservatenauflistung” is met betrekking tot die “
Beutel” vermeld: “
Beutel 4 Fax über Abrechnungen von Ketterer Kunst”,
“- diverse Unterlagen” en “
Diese werden von den Schweden benötigt.” Productie 16 bij memorie van antwoord is - onbetwist - een faxbericht van de politie te München d.d. 12 september 2005 14:40 uur, op briefpapier van een filiaal van Ketterer te München, waarop vermeld is met pen “
Abrechnung” en onder andere “284”.
Auktion 284”, “
Kat.Nr(…) 754”, “
Titel…
Nippon(…)” en “
Summe brutto(…) 89.700,00”.
Asservatenauflistung” en het “
Durchsuchungsvermerk”, en in aanmerking genomen de aanleiding van de huiszoeking, is het hof van oordeel dat het verweer van [het antiquariaat] dat deze producties tijdens de huiszoeking op 12 september 2005 bij Ketterer zijn aangetroffen en door de Zweedse justitiële autoriteiten zijn ontvangen, onvoldoende gemotiveerd is weersproken door Zweden. Het had op zijn weg gelegen om dit door [het antiquariaat] gestelde resultaat van de huiszoeking gemotiveerd, met documenten gestaafd, te betwisten. Dit had Zweden bijvoorbeeld kunnen doen door alle stukken en data die zijn justitiële autoriteiten naar aanleiding van zijn rechtshulpverzoek hebben ontvangen van Duitsland in het geding te brengen, hetgeen Zweden echter heeft nagelaten.
the example of Siebold “Nippon” (which is currently held by [het antiquariaat] b.v.) was stolen from our collections”. In de brief meldt de advocaat van Zweden dat het rapport bewijs oplevert dat Nippon “
offered at your internet site once belonged to my client”, dat [KB-medewerker 4] bekend is met “
the investigations by the German and Swedish police” en dat “
there can be no doubt about the provenance of the copy which is in your possession.”
3.9 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [het antiquariaat] op verjaring slaagt op twee zelfstandige gronden. Zweden heeft in hoger beroep geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.10 De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Zweden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.”
arrest). [het antiquariaat] heeft een verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Het verweerschrift strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep, met veroordeling van Zweden in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten van Zweden in het principale cassatieberoep slagen. In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep vordert [het antiquariaat] dat het arrest wordt vernietigd, met veroordeling van Zweden in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente. Zweden heeft in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep een verweerschrift ingediend, waarin Zweden zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Zweden verzoekt bij gegrondbevinding van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep de gevorderde veroordeling in de kosten van het geding te reserveren. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Zweden heeft gerepliceerd en [het antiquariaat] heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf
Richtlijn), welke laatste bepaling, voor zover van belang, als volgt luidt:
(…)”
discovery ruleuit het recht van sommige Amerikaanse staten. [10] Hiermee wordt de regel bedoeld dat de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering van ‘revindicatie’ van roerende zaken pas begint te lopen wanneer de eigenaar heeft ontdekt wie de zaak bezit en waar deze zich bevindt. [11] De
discovery rulelegt een inspanningsverplichting op de eigenaar van de roerende zaak (“
to stimulate activity and punish negligence”). [12] Voor de goede orde benadruk ik dat de vordering tot teruggave als bedoeld in de Richtlijn, die in de onderhavige zaak aan de orde is, uitsluitend door de verzoekende lidstaat kan worden ingesteld. [13] De verzoekende lidstaat is in de Richtlijn omschreven als de lidstaat waarvan het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied is gebracht. [14] In het onderhavige geval is Zweden dus de verzoekende lidstaat. [15] De verzoekende lidstaat hoeft niet eigenaar te zijn van het cultuurgoed, die laatste kan ook een (andere) rechtspersoon of natuurlijke persoon zijn. Dat een eigenaar zelf niet de procedure tot teruggave op grond van de Richtlijn kan entameren, laat overigens onverlet dat deze eigenaar wel op grond van het nationale recht van de lidstaat een revindicatievordering kan instellen. [16] In de onderhavige zaak is de verzoekende lidstaat tevens eigenaar van het ontvreemde boek. Nippon is immers ontvreemd uit de KB die onderdeel is van Zweden (de verzoekende lidstaat). [17] De in de Richtlijn omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend door een door de lidstaat aangewezen zogenoemde ‘centrale autoriteit’. [18] Zweden heeft de
Riksantikvarieämbetet(hierna ook:
Swedish National Heritage Board) aangewezen als centrale autoriteit als bedoeld in de Richtlijn. [19] De belangrijkste rechtsvraag die in deze zaak voorligt, is of “ter kennis van de verzoekende Lid-staat zijn gekomen” als bedoeld in art. 7 lid 1 Richtlijn Pro zoals geïmplementeerd als “aan die staat zijn bekend geworden” in art 3:310a lid 1 BW (oud) beperkt moet worden opgevat als ter kennis van de
centrale autoriteitvan de verzoekende lidstaat zijn gekomen.
vijfjaar na de datum waarop de verzoekende lidstaat de plaats waar het cultuurgoed zich bevond
ofde identiteit van de houder van dat goed kende
of redelijkerwijs had moeten kennen. [21] De ontwerpbepaling was dus enerzijds rekkelijker voor een verzoekende lidstaat (een langere verjaringstermijn van vijf jaar in plaats van één jaar) en anderzijds strenger voor de verzoekende lidstaat (de termijn zou al beginnen te lopen als de verzoekende lidstaat ofwel de plaats waar het cultuurgoed zich bevond ofwel de identiteit van de houder kende of redelijkerwijs had moeten kennen in plaats van uitsluitend subjectieve kennis van de verzoekende lidstaat van zowel van de plaats waar het cultuurgoed zich bevond als van de identiteit van de houder of bezitter). Bij “redelijkerwijs had moeten kennen” werd bijvoorbeeld gedacht aan vermelding van het cultuurgoed in een verkoopcatalogus van een internationaal bekend veilinghuis waarover ook in de internationale pers werd geschreven. [22] Het Europees Parlement heeft bij amendement twee wijzigingen in de bepaling voorgesteld. [23] Op grond van dit amendement ging de relatieve verjaringstermijn pas lopen als de verzoekende lidstaat de plaats waar het cultuurgoed zich bevond
ende identiteit van de houder van dat goed kende (dus niet langer: of redelijkerwijs had moeten kennen). Deze aanpassingen, die een hoger niveau van bescherming van cultuurgoederen van de lidstaten met zich brengen, zijn ook in een gewijzigd voorstel van de Europese Commissie opgenomen dat vervolgens door het Europees Parlement is goedgekeurd. [24] De Raad ging eveneens akkoord met deze aanpassingen, maar heeft daarbij wel de relatieve verjaringstermijn verkort van vijf jaar naar één jaar. [25] Die aanzienlijk kortere relatieve verjaringstermijn werd enerzijds gerechtvaardigd geacht omdat de termijn pas gaat lopen bij daadwerkelijke kennis van de verzoekende lidstaat van zowel de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt als van de identiteit van de bezitter of houder van dat cultuurgoed en het de verzoekende lidstaat anderzijds, indachtig de ratio van de onder 4.2 hiervoor vermelde
discovery rule, zou moeten aanmoedigen om bij de teruggave van cultuurgoederen ijverig en stipt (“
à la diligence et à la promptitude”) te werk te gaan. [26]
(…)”
Loi n°95-877van 3 augustus 1995. [30] Art. 10, eerste paragraaf van deze wet luidt als volgt:
Kulturgutsicherungsgesetzvan 15 oktober 1998. [32] Art. 1 van Pro deze wet bevat de omzetting van de Richtlijn in de
Kulturgüterrückgabegesetz(KultGüRückG). [33] De verjaringsbepaling is opgenomen in paragraaf 10 (later vernummerd tot paragraaf 11) van deze wet, die voor zover relevant, als volgt luidt:
dessen Behörden” wordt gedoeld op “
zuständige Behörden” (bevoegde autoriteiten) wat ruimer is dan “
Zentralstellen” (centrale autoriteiten), waarover ook onder 4.4 hiervoor. Dit wordt bevestigd in een Duitse wetsevaluatie uit 2013, waarin met betrekking tot de verjaringsbepaling “
eine ganze reihe von Problemen” wordt gesignaleerd. [35] Voor zover relevant gaat het om het volgende: [36]
Für den Verfahrensgang ebenfalls nicht immer förderlich ist auch die Nutzung des Instruments der internationalen Rechtshilfe in Strafsachen. Zwar ist dieses Verfahren zwischen den Strafverfolgungsbehörden in den EU-Mitgliedstaaten bekannt und eingespielt, es ist aber für das Rückgabebegehren der EU-Mitgliedstaaten nach Richtlinie 93/7/EWG nicht zielführend. Grund dafür ist, dass im Rahmen der internationalen Rechtshilfe in Strafsachen in erster Linie die vorübergehende Herausgabe eines Kulturgutes für Beweiszwecke in einem laufenden Strafverfahren ermöglicht werden kann. Der EU-Mitgliedstaat muss hierbei eine Zusicherung abgeben, dass nach Beendigung des Strafverfahrens das Beweismittel, also das Kulturgut, wieder nach Deutschland zurückkehrt. Soll jedoch eine dauerhafte Rückgabe des Kulturgutes nach einer unrechtmäßigen Verbringung – wie in Richtlinie 93/7/EWG vorgesehen – erreicht werden, versagt die Rechtshilfe in Strafsachen. Auch hier mangelt es häufig an der Einbindung der obersten Kulturgutschutzbehörden durch die Strafverfolgungsbehörden des ersuchenden EU-Mitgliedstaates.
(…)”
[zonder voetnoten uit origineel, A-G]
(…)”
In artikel II, onderdeel E, wordt artikel 310a als volgt gewijzigd:
onderdeel G, onder 1, laatste volzin, is een verduidelijking. Volgens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn begint de verjaringstermijn te lopen vanaf het ogenblik waarop de verzoekende lid-staat kennis heeft van de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder. Voor de duidelijkheid is dit eveneens gepreciseerd in de tekst van artikel 310a BW.”
[cursivering in origineel, A-G]
artikel 7, lid 1,wordt vastgesteld dat de instelling van een vordering tot teruggave verjaart drie jaar na de datum waarop de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder van dat goed ter kennis van
de centrale autoriteitvan de verzoekende lidstaat zijn gekomen.
[onderstreping in origineel, A-G]
(…)
(14) Het is tevens noodzakelijk de verjaringstermijn van een vordering tot teruggave te verlengen tot drie jaar nadat de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat is gebracht en de identiteit van de bezitter of de houder van dat goed ter kennis van die lidstaat zijn gekomen. De verlenging van die termijnen moet de teruggave van nationaal bezit vergemakkelijken en het op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat brengen ervan ontmoedigen. Omwille van de duidelijkheid moet worden bepaald dat de verjaringstermijn ingaat op de datum waarop de centrale autoriteit van de lidstaat buiten wiens grondgebied het cultuurgoed op onrechtmatige wijze is gebracht, op de hoogte is gesteld.”
In Frankrijk is art. L112-10 van de zogenoemde
Code du patrimoinebij wet van 20 februari 2015 als volgt gewijzigd: [56]
Kulturgutschutzgesetz(KGSG) uit 2016: [58]
zentrale Stelle” (centrale autoriteit) van de verzoekende lidstaat. [59] De bepaling moet conform art. 8 Richtlijn Pro 2014/60/EU wel aldus worden uitgelegd dat de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat over de desbetreffende kennis dient te beschikking om de relatieve verjaringstermijn van drie jaar als bedoeld in deze bepaling te doen aanvangen. [KB-medewerker 1] dan voorheen (vgl. de Duitse wetsevaluatie onder 4.5 hiervoor) kent Duitsland nog maar één centrale autoriteit als bedoeld in de Richtlijn 2014/60/EU: [60]
zuständige behörden” (bevoegde autoriteiten) op deelstaatniveau en (naast de centrale autoriteit) ook op federaal niveau. Bij dat laatste moet gedacht worden aan de
Generalzolldirektionen het
Bundeskriminalamt. [61]
Oberste Gerichtshofvan Oostenrijk (hierna ook: het
OGH) van 9 juli 2013. [65] In die zaak staat de toepassing van de korte verjaringstermijn van § 11 lid 1 van het Oostenrijkse Kulturgüterrückgabegesetz centraal. Op grond van deze bepaling, waarmee art. 7 lid 1 Richtlijn Pro in Oostenrijk is geïmplementeerd, verjaart de teruggavevordering: [66]
zuständige Behördeerfolgt, also zB durch seine Vertretungsbehörde im Ausland, durch den Zoll, durch eine „Zentrale Stelle“. Die vorgeschlagene Bestimmung entspricht im übrigen Art. 7 der Pro Richtlinie. (…).”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
es nur auf den Kenntnisstand der nach der Richtlinie benannten zentralen Stelle ankomme” ontkennend:
beispielsweise(„zB“) eine Vertretungsbehörde im Ausland, der Zoll
odereine „Zentrale Stelle“ genannt werden. Die Auffassung
Garzons(Glosse zu 3 Ob 111/10k, ecolex 2011, 213), dass
nurdie Kenntnis der nach der Richtlinie benannten zentralen Stellen maßgebend sei, hat daher keine Grundlage in den Materialien. In 3 Ob 111/10k war diese Frage nicht entscheidungsrelevant, weil auch die zentrale Stelle selbst mehr als ein Jahr vor der Antragstellung Kenntnis vom Verbleib des Kulturguts erlangt hatte. Welche Behörde für die Ausforschung verbrachter Kulturgüter „zuständig“ ist, wird nach dem Recht des ersuchenden Staats zu beurteilen sein. Eine Beschränkung auf die primär für den Verkehr nach außen zuständige „zentrale Stelle“ iSv Art 3 der Pro Richtlinie ist schon deswegen nicht anzunehmen, weil Art 4 der Pro Richtlinie ausdrücklich anordnet, dass die „zentralen Stellen“ eine „Abstimmung zwischen den zuständigen Stellen der Mitgliedstaaten“ fördern. Diese Bestimmung setzt voraus, dass es neben der zentralen Stelle (weitere) zuständige Stellen geben kann.”
Möglichkeit, sich Kenntnis zu verschaffen, kommt es demgegenüber nicht an. Der Oberste Gerichtshof hat in der Entscheidung 3 Ob 111/10k (SZ 2010/126 = ecolex 2011, 211 [
Garzon]) ausführlich dargelegt, dass unter „Kenntnis“ iSv § 11 Abs 1 KulturgüterrückgabeG objektives, auf gesicherter Grundlage beruhendes Wissen über die maßgebenden Tatumstände zu verstehen ist. Zweifel an der Erweisbarkeit des bereits bekannten anspruchsbegründenden Sachverhalts schieben nach dieser Entscheidung den Fristbeginn nicht hinaus; der bloße Verdacht oder Vermutungen, wo sich das Kulturgut befindet und wer es innehat, ist der Kenntnis aber nicht gleichzusetzen. Umso weniger kann die bloße Möglichkeit, die maßgebenden Tatsachen früher zu ermitteln, den Beginn der Frist auslösen.”
[cursivering en onderstreping in origineel, A-G]
gesicherte Kenntnis” beschikte van de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter. (rov. 3) Uit de vaststaande feiten in die zaak blijkt niet meer dan dat het politiedepartement “
im Jahr 2008” over de relevante kennis beschikte. In verband met de vraag of de relatieve verjaringstermijn op 6 mei 2009 was verstreken, overweegt het OGH dat het gerecht van eerste aanleg nog dient vast te stellen wanneer precies in het jaar 2008 het politiedepartement over de relevante kennis beschikte. (rov. 4)
Naar het oordeel van het hof is de verjaringstermijn in 2005 althans 2012 beginnen te lopen, en is de éénjarige verjaringstermijn op grond van art. 3:310a lid 1 BW (oud) dus ruimschoots voor 27 augustus 2015 voltooid waardoor het huidige art. 3:310a lid 1 BW met de verjaringstermijn van drie jaar die gaat lopen vanaf het moment dat de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat over de relevante kennis beschikt dus niet meer aan de orde komt.
Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat art. 3:310a lid 1 BW (oud) moet worden uitgelegd in overeenstemming met de Richtlijn. Dat leidt echter niet tot de door het subonderdeel voorgestane uitleg van art. 3:310a lid 1 BW (oud), inhoudende dat de relatieve verjaringstermijn pas zou gaan lopen in geval van subjectieve bekendheid van de centrale autoriteit van Zweden (Swedish National Heritage Board) met de plaats waar Nippon zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder van Nippon.
Het subonderdeel stelt in wezen aan de orde hoe “de verzoekende Lid-Staat” moet worden begrepen in de zinsnede “ter kennis van de verzoekende Lid-Staat” in art. 7 lid 1 Richtlijn Pro. Naar de gewone betekenis dient de verzoekende lidstaat niet dermate eng te worden begrepen dat daaronder uitsluitend de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat wordt verstaan. In dat verband is in de eerste plaats van belang dat de verzoekende lidstaat in art. 1 lid 3 Richtlijn Pro is gedefinieerd als “de Lid-Staat waarvan het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied is gebracht” (zie ook onder 4.2 hiervoor). Die bewoordingen bevatten geen indicatie voor de enge uitleg van de verzoekende lidstaat als door het subonderdeel voorgestaan. In context en in het licht van het voorwerp en doel van de Richtlijn wordt die uitleg niet [KB-medewerker 1] . Het is op zichzelf waar dat de teruggavevordering uit de Richtlijn doeltreffender en eenvoudiger zou zijn als de relatieve verjaringstermijn uit de Richtlijn uitsluitend (pas) gaat lopen als de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat over de relevante kennis zou beschikken. [72] Dat zou immers een hoger niveau van bescherming van cultuurgoederen van de lidstaten inhouden; de teruggavevordering als bedoeld in de Richtlijn zou minder snel verjaren, omdat kennis van andere bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat de verjaringstermijn niet zou doen aanvangen. Het had dan echter voor de hand gelegen dat in de tekst van art. 7 lid 1 Richtlijn Pro tot uitdrukking te brengen, hetgeen niet is gebeurd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn (zie onder 4.3 hiervoor) blijkt juist dat uitvoerig over de relatieve verjaringstermijn is onderhandeld en dat in geen van de tekstvoorstellen aan de orde is geweest om uitsluitend kennis van de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat relevant te achten voor het doen aanvangen van de relatieve verjaringstermijn. Het niveau van bescherming van cultuurgoederen is in de definitieve formulering van art. 7 lid 1 Richtlijn Pro ten opzichte van eerdere ontwerpen verhoogd door uitsluitend subjectieve wetenschap van de verzoekende lidstaat (en dus niet langer objectieve wetenschap: behoren te weten) als voorwaarde te stellen voor het doen aanvangen van de relatieve verjaringstermijn en door zowel de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt als de identiteit van de bezitter of houder (en dus niet slechts één van die twee) relevant te achten voor het doen aanvangen van de relatieve verjaringstermijn. Daar staat tegenover dat is gekozen voor een korte relatieve verjaringstermijn van één jaar (ten opzichte van vijf jaar in het oorspronkelijke ontwerp). Aldus is een evenwicht bereikt ten aanzien van de mate van bescherming van cultuurgoederen van de lidstaten die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een bepaalde lidstaat zijn gebracht. Dat evenwicht zou worden doorkruist door de enge uitleg van verzoekende lidstaat (beperkt tot de centrale autoriteit van die lidstaat) als bedoeld door het subonderdeel. De bescherming van cultuurgoederen die de Richtlijn beoogt te bereiken, is [KB-medewerker 1] gezegd niet absoluut. De korte relatieve verjaringstermijn van één jaar is in het belang van de (bona fide) bezitter of houder van de zaak, die erop moet kunnen vertrouwen dat de lidstaat spoedig na het bekend worden van de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder overgaat tot het instellen van een teruggavevordering als bedoeld door de Richtlijn (zie ook onder 4.3 hiervoor). [73] Uit de considerans en uit art. 4 Richtlijn Pro blijkt overigens ook uitdrukkelijk dat de Richtlijn rekening houdt met andere “bevoegde autoriteiten” dan de “centrale autoriteit” van de lidstaat (zie ook onder 4.4 hiervoor). Uit de considerans blijkt voorts dat het communautaire systeem voor de bescherming van cultuurgoederen van de lidstaat, dat de Richtlijn beoogt, “een eerste stap” is naar “administratieve samenwerking” tussen de lidstaten. Met die administratieve samenwerking wordt gedoeld op de centrale autoriteiten die de lidstaten moeten aanwijzen en die de in de Richtlijn omschreven bevoegdheden uitoefenen. Dat duidt er ook op dat nog niet volledig op dit systeem kon worden vertrouwd, hetgeen nadien ook is gebleken toen maatregelen zijn genomen om de administratieve samenwerking tussen de centrale autoriteiten te versterken en te verbeteren (zie ook onder 4.7 hiervoor). Ook tegen die achtergrond bezien, ligt het voor de hand art. 7 lid 1 Richtlijn Pro aldus uit te leggen dat de relatieve verjaringstermijn ook kan beginnen te lopen als andere bevoegde autoriteiten van de lidstaat dan de ‘centrale autoriteit’ over de relevante kennis beschikken. Een richtlijnconforme interpretatie van art. 3:310a lid 1 BW (oud) brengt aldus niet mee dat “aan die staat zijn bekend geworden” moet worden uitgelegd als aan de centrale autoriteit van die staat zijn bekend geworden. Het subonderdeel wijst er dan ook terecht op dat in de parlementaire toelichting op art. 3:310a lid 1 BW (oud) ook
geenaanwijzingen zijn te vinden voor de uitleg dat het uitsluitend zou gaan om kennis van de centrale autoriteit van de lidstaat (zie ook onder 4.6 hiervoor), welke aanwijzingen overigens ook niet blijken uit de implementatie van art. 7 lid 1 Richtlijn Pro in Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk (zie onder 4.5 en 4.10 hiervoor). Ik voeg daar nog aan toe dat de uitleg die het subonderdeel geeft aan art. 7 lid 1 Richtlijn Pro in 2013 ook uitdrukkelijk is verworpen door het Oostenrijkse OGH (zie ook onder 4.10 hiervoor). Op het moment dat het OGH die uitspraak wees, [74] was het voorstel voor de Richtlijn 2014/60/EU ook al gepubliceerd. [75] De Richtlijn 2014/60/EU brengt m.i. geen wijziging in de uitleg van de Richtlijn op dit punt. Het subonderdeel wijst in dat verband op de considerans onder 14 van Richtlijn 2014/60/EU, waarin wordt overwogen dat “[o]mwille van de duidelijkheid moet worden bepaald dat de verjaringstermijn ingaat op de datum waarop de centrale autoriteit van de lidstaat buiten wiens grondgebied het cultuurgoed op onrechtmatige wijze is gebracht, op de hoogte is gesteld”, en art 8 lid 1 Richtlijn Pro 2014/60/EU, waarin de aldus gewijzigde relatieve verjaringstermijn is opgenomen (zie ook onder 4.7 hiervoor). Uit de beoordelingsverslagen over de toepassing van de Richtlijn blijkt dat verschillende lidstaten, waaronder Frankrijk en Italië, zich op het standpunt hadden gesteld dat niet duidelijk was wanneer de relatieve verjaringstermijn aanvangt (zie ook onder 4.7 hiervoor). Dat beeld komt ook naar voren uit een Duitse wetsevaluatie uit 2013 (zie onder 4.5 hiervoor). Het kon voorkomen dat de bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat, bijvoorbeeld in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek in strafrechtelijke zin (zoals in de onderhavige zaak), dus buiten het systeem van administratieve samenwerking tussen de lidstaten in de zin van de Richtlijn om, bekend waren geworden met de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder. Het komt mij plausibel voor dat dat de onduidelijkheid is waarop de considerans van Richtlijn 2014/60/EU het oog heeft. Kennelijk bestond er inmiddels, ten tijde van de invoering van Richtlijn 2014/60/EU, dusdanig veel vertrouwen in het systeem van administratieve samenwerking via de door de lidstaten aangewezen centrale autoriteiten dat de relatieve verjaringstermijn aldus kon worden gewijzigd dat uitsluitend kennis van de centrale autoriteit relevant werd geacht voor het laten aanvangen van de relatieve verjaringstermijn.
De passage uit de parlementaire geschiedenis van de implementatie van art. 8 lid 1 Richtlijn Pro 2014/60/EU waarop het subonderdeel zich beroept, leidt evenmin tot een ander oordeel. In de desbetreffende passage wordt het volgende opgemerkt: [76]
Dat Zweden de in dit subonderdeel verdedigde uitleg van art. 3:310a lid 1 BW (oud) in beide feitelijke instanties zou hebben bepleit, mist overigens ook feitelijke grondslag. In de inleidende dagvaarding van Zweden lees ik onder meer het volgende (zie ook onder 4.11 hiervoor):
29. De eerste wijziging is dat de termijn is verlengd van één jaar naar drie jaar. De tweede wijziging betreft de introductie van de centrale autoriteit en het voorschrift dat de verjaringstermijn pas begint zodra de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder daarvan aan voornoemde
centrale autoriteitbekend zijn geworden. In het oude artikel 3:310a lid 1 BW begon de termijn te lopen zodra de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder daarvan aan
de staatbekend zijn geworden. De staat is niet gelijk aan de centrale autoriteit. (…)”
oudeart. 3:310a lid 1 BW de onderhavige rechtsvordering verjaard zou zijn (wat [het antiquariaat] stelt maar wat niet zo is), dan geldt dat deze verjaring geen effect heeft vanwege de inwerkingtreding van het nieuwe (huidige) art. 3:310a lid 1 BW, als gevolg van de implementatie van de Richtlijn. (…)
12. (…) [het antiquariaat] miskent (…) dat de vervanging van ‘
de staat’, zoals genoemd in het oude art. 3:310a lid 1 BW, door ‘
de centrale autoriteit van die staat’ in het nieuwe art. 3:310a lid 1 BW, een wezenlijke verandering is (…). [KB-medewerker 1] zou de vervanging zinledig zijn.”
[onderstreping en cursivering in origineel, A-G]
de staatbeslissend is voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, en dat de oude bepaling in zoverre verschilt van het huidige art. 3:310a lid 1 BW, waarin de verjaringstermijn pas gaat lopen als de door de staat aangewezen
centrale autoriteitover de desbetreffende kennis beschikt. In de toelichting op grief 3 lees ik ook nog dat Zweden art. 3:310a lid 1 BW (oud) aldus verstaat:
In de eerste plaats kan gewezen worden op wat Wissink aanduidt als een “
issue of timing”: [80]
Adeneler.”
Nederland heeft de implementatietermijn gehaald en het in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/60/EU gewijzigde art. 3:310a lid 1 BW is per 27 augustus 2015 in werking getreden (zie onder 4.8 hiervoor). De verplichting tot uitleg van art. 3:310a lid 1 BW conform Richtlijn 2014/60/EU geldt dus vanaf 18 december 2015 althans 27 augustus 2015. Het staat ook buiten twijfel dat op het onderhavige geval art. 3:310a lid 1 BW (oud), zoals dat gold tot 27 augustus 2015, van toepassing is (zie ook onder 4.11 hiervoor).
Aan uitleg van art. 3:310a lid 1 BW (oud) conform art. 8 lid 1 Richtlijn Pro 2014/60/EU staat naast dat tijdsaspect ook het rechtszekerheidsbeginsel in de weg. In dat verband kan worden gewezen op de overweging onder 110 uit het
Adeneler-arrest van het HvJEG, die voorafgaat aan de passage uit dat arrest waarop het subonderdeel zich beroept: [85]
de staatmet de plaats van het cultuurgoed en de identiteit van de bezitter of houder daarvan bepalend is. Dat uit de stellingen van Zweden volgt dat de door Zweden als centrale autoriteit aangewezen Swedish National Heritage Board pas op 23 september 2015 bekend zou zijn geworden met de locatie van Nippon in Nederland en de identiteit van [het antiquariaat] als bezitter althans houder (zie ook onder 4.11 hiervoor) doet dus niet ter zake.
Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat de considerans en art. 4 Richtlijn Pro (zie ook onder 4.4 hiervoor), naast centrale autoriteiten, verwijzen naar bevoegde instanties/autoriteiten van de lidstaten. Er kan geen twijfel over bestaan dat een Zweedse officier van justitie en politiemedewerkers bevoegde autoriteiten zijn in het kader van de opsporing van ontvreemde cultuurgoederen en van de vaststelling van de identiteit van de bezitter en/of houder daarvan. Het hof heeft in rov. 2.4 van het arrest (zie onder 2.4 hiervoor) ook als vaststaand feit aangenomen dat de huiszoeking in 2005 bij Ketterer heeft plaatsgevonden “op verzoek van de staat Zweden”. Voor zover de Richtlijn op dit punt autonoom moet worden uitgelegd, geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door kennis van de Zweedse justitiële autoriteiten in het kader van de huiszoeking bij Ketter op verzoek van Zweden toe te rekenen aan Zweden in de zin van art. 7 Richtlijn Pro c.q. art. 3:310a lid BW (oud). Zie ook hetgeen hierover wordt opgemerkt in de Duitse wetsevaluatie aangehaald onder 4.5 hiervoor en de overwegingen hierover van het OGH geciteerd onder 4.10 hiervoor.
Hierop stuit het subonderdeel af.
A-G Vlas schrijft in zijn conclusie voor HR 11 maart 2016 het volgende over art. 10:2 BW Pro en art. 25 Rv Pro: [92]
[zonder verwijzingen uit origineel, A-G]
Productie 20). Dat is tevens sedertdien de instelling belast met het vorderen van verloren cultuurgoederen namens het Koninkrijk Zweden. Pas ingeval van bekendheid van the Swedish National Heritage Board met de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder van de zaak, kan die bekendheid aan de Zweedse staat worden toegerekend. Ook onder het regime van het oude artikel 3:310a lid 1 BW. Bij de huiszoeking bij Ketterer Kunst was niemand van the Swedish National Heritage Board aanwezig. Dat er Zweedse politieagenten en een Zweedse officier van justitie aanwezig waren, duidt erop dat men op dat moment bezig was met opsporing in het kader van een algemeen politie-onderzoek vanwege een misdrijf dat had plaatsgevonden en niet met een (civiel) proces zoals neergelegd in art. 3:310a lid 1 BW (oud). Indien het gerechtshof het Koninkrijk Zweden niet volgt in voornoemde haar stellingname (dat pas bij bekendheid van the Swedish National Heritage Board met de plaats waar de zaak zich bevindt en met de identiteit van de bezitter of houder van de zaak, die bekendheid aan de Zweedse staat kan worden toegerekend), dan nog is eventuele bekendheid daarmee van een willekeurige ambtenaar, zoals twee medewerkers van de KB, een officier van justitie en/of politieagenten onvoldoende om bekendheid van het Koninkrijk Zweden als staat aan te nemen in de zin van artikel 3:310a lid 1 BW (oud).”
11. Bij brief van 9 augustus 2012 (
Productie 4) reageerde [het antiquariaat] richting Büscher met de toezegging gedurende een periode van twee maanden de betreffende editie niet te zullen verkopen en zij verzocht om bewijs dat de editie die in haar bezit is, daadwerkelijk Nippon is.
12. Bij brief van 5 september 2012 (
Productie 5)reageerde Büscher’s kantoorgenoot Prof. Dr. Raue op de brief van [het antiquariaat] van 9 augustus 2012. Hij overlegde bij die brief een verklaring met bijlagen van dr. O. [KB-medewerker 4] van de KB (
Productie 6) en daarmee het verzochte bewijs dat [het antiquariaat] Nippon in haar bezit heeft. Aansluitend heeft een kortstondige correspondentie plaatsgevonden tussen Dr. Astrid Müller-Katzenburg, de advocaat van [het antiquariaat] (hierna: ‘Müller’) en Büscher. Deze brieven, van 20 september 2012 en van 27 september 2012, worden overgelegd als respectievelijk
Productie 7en
Productie 8. Aansluitend heeft een briefwisseling plaatsgevonden tussen de (voormalig) Nederlandse advocaat van eiseres, mr. G.J.T.M. van den Bergh en Müller. Deze brieven van 23 juli 2013, 13 augustus 2013, 28 augustus 2013 en 8 oktober 2013 worden overgelegd als respectievelijk
Producties 9 t/m Productie 12. Uit de correspondentie volgt dat over en weer feitelijke en juridische standpunten worden ingenomen. De correspondentie heeft niet geleid tot teruggave van Nippon aan de KB.”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Attachedplease find a statement from [KB-medewerker 4] as proof that the copy of the book [Nippon, A-G] offered at your internet site once belonged to my client.
In his capacity as member of the Library Department, [KB-medewerker 4] is not only familiar with the investigations by the German and Swedish police, but can also give reliable evidence of the features of the books that were stolen from my client’s collection.
Since there can be no doubt about the provenance of the copy which is in your possession, I again ask you to not sell or otherwise dispose of the book as long as a restitution has not been agreed upon.”
[onderstreping in origineel, A-G]
1) According to the investigation carried out by the German police in 2004 [KB-medewerker 1] (alias „ [schuilnaam] “) sold the National Library of Sweden’s copy of Siebold “Nippon” to Ketterer Kunst in Hamburg the 22nd August 2003. The item was sold at auction by Ketterer Kunst (lot nr. 754) on November 17th 2003. The buyer was [het antiquariaat] b.v. who paid for this item the sum of 78.000 Euros.
Thus it is possible to track the way of this copy
without interruptionfrom the National Library in Stockholm to Ketterer Kunst in Hamburg and further to [het antiquariaat] b.v. in [plaats] .
2) Further evidence is given by Ketterer Kunst’s catalogue 284 ( image 1) and through the description given by [het antiquariaat] b.v.: The copy which currently stands at [het antiquariaat] b.v. has been described by [het antiquariaat] in the same way as it was described by Ketterer Kunst: The most important attribute of the copy which was stolen from the National Library of Sweden is that it is bound into contemporary half red morocco ( image 2).
I am sure that this evidence, which is an outcome of the investigation carried out by the German police, will convince [het antiquariaat] b.v. that they right now keep the copy of Siebold which was stolen from the National Library of Sweden.”
[onderstreping in origineel, A-G]
Hierop strandt het onderdeel.