Conclusie
adv.: C.G.A. van Stratum
adv.: M.S. van der Keur
1.Inleiding
de manen
de vrouw) hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan dit verrekenbeding. In cassatie gaat het om de vraag of de waarde van de door de man tijdens huwelijk verworven aandelen in een besloten vennootschap moet worden verrekend (art. 1:141 lid 1 BW Pro). Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is, kort gezegd omdat de man niet is geslaagd in het weerleggen van het vermoeden dat de ter volstorting van die aandelen ingebrachte eenmanszaak van de man is gevormd uit te verrekenen winsten (art. 1:141 lid 3 BW Pro). In zijn cassatieberoep komt de man met diverse klachten tegen dit oordeel op. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Naar mijn mening kunnen zowel de principale als incidentele klachten niet tot cassatie leiden.
2.Feiten
HV), houdende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. De HV luiden verder, voor zover relevant, als volgt [2] :
de werkmaatschappij).
de houdstermaatschappij/holding). De volstorting van de aandelen heeft plaatsgevonden door inbreng van de aandelen in [de werkmaatschappij] B.V. [4]
[de B.V.]).
3.Procesverloop
Met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/het verrekenbeding:
(...)
(…)”.
Bij tussen- of eindbeschikking(en):
E. voorwaardelijk, voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat de man verrekenplichtig is jegens de vrouw ten aanzien van de waarde (of enig deel daarvan) van de aandelen in de besloten vennootschap [de B.V.] en/of enig ander deel van zijn vermogen: tussentijds hoger beroep open te stellen van deze beschikking en iedere verdere beslissing t.a.v. de verrekening van de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap [de B.V.] (en eventuele andere vermogensbestanddelen) aan te houden tot daarover in hoogste instantie onherroepelijk is beslist;
- het verzoek van de man onder D (voor recht te verklaren dat hij niet verrekenplichtig is) afgewezen (dictum, rov. 3.3);
- partijen bevolen over te gaan tot het opstellen van een beschrijving van het per peildatum (23 mei 2018) te verrekenen vermogen ten overstaan van een daarbij door de rechtbank benoemde notaris (dictum, rov. 3.5);
- bepaald dat de notaris en de in te schakelen schatters en/of deskundigen zich voor wat betreft de omvang van de verrekenplicht rekenschap dienen te geven van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 2.38 tot en met 2.46 (dictum, rov. 3.6);
- deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
VerrekeningBegrip inkomen en omvang van de verrekenplicht
grieven IV en Vhebben betrekking op het begrip inkomen en de omvang van de verrekenplicht. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, gelet op het bepaalde in art. 1:141 lid 3 BW Pro, tot uitgangspunt dient te worden genomen dat de waarde van de aandelen in de holding verrekend moeten worden, omdat de volstorting van die aandelen is gefinancierd door aanwending van inkomen of vermogen dat verrekend had moeten worden (rov. 2.41).
- voor recht te verklaren dat de man jegens de vrouw niet verrekenplichtig is op grond van art. 8 HV Pro ten aanzien van de waarde, of enig deel daarvan, van de aandelen die hij houdt in de houdstermaatschappij en/of enig ander deel van zijn vermogen, en
- de instructie aan de notaris, als opgenomen in het dictum sub 3.6 van de beschikking van de rechtbank, overeenkomstig de af te geven verklaring voor recht aan te passen.
manstelt ter weerlegging van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro dat er ten tijde van de inbreng van de eenmanszaak in de werkmaatschappij geen vermogen was waarmee de aandelen zouden kunnen zijn gefinancierd. Daartoe voert hij het volgende aan.
De hele omzet die in de eenmanszaak werd gemaakt, werd meteen weer in de onderneming geïnvesteerd. Dit resulteerde in een balanswaarde op 1 januari 1994 van fl. 5.397,- negatief. De inbrengwaarde was alleen per saldo positief omdat de goodwill op fl. 400.000,- was gewaardeerd. De goodwill kwalificeert niet als overgespaarde inkomsten.
De netto winsten van de eenmanszaak waarop deze goodwill is gebaseerd, vallen niet onder het verrekenbeding. Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden namelijk aansluiting gezocht bij het fiscaal inkomensbegrip, waarvan de niet-uitgekeerde winsten zijn uitgesloten. Dit is ook wat partijen voor ogen heeft gestaan, aldus de man (rov. 6.6.2).
vrouwvoert aan dat het niet gaat om de waarde van de eenmanszaak per 1 januari 1994, maar om de waarde van de eenmanszaak ten tijde van de oprichting van de werkmaatschappij op 31 maart 1995. Blijkens de inbrengstukken was die inbreng positief. De daarvan deel uitmakende goodwill is gebaseerd op de netto winsten van de afgelopen jaren.
Uit niets blijkt ook dat het ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling van partijen was om niet-uitgekeerde winsten buiten de verrekening te houden. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van partijen dat alles wat samen werd opgebouwd, verrekend moest worden.
In overeenstemming hiermee heeft de man tot de aanvang van de procedure nog het standpunt ingenomen dat de waarde van zijn aandelen integraal in de afrekening moet worden betrokken en elk van partijen daarin voor 50% gerechtigd is, aldus de vrouw (rov. 6.6.3).
hofoverweegt als volgt. Er is een periodiek verrekenbeding overeengekomen, waaraan geen uitvoering is gegeven. Art. 1:141 lid 1 BW Pro bepaalt dat in een dergelijk geval de verplichting tot verrekening in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Art. 1:141 lid 3 BW Pro bepaalt in dit verband dat als niet verrekend is, het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (rov. 6.6.4).
Het hof overweegt dat de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen onder het regime van de Wet IB 1964. Art. 4 van Pro die wet verstaat onder belastbaar inkomen onder meer winst uit onderneming. De door de eenmanszaak van de man behaalde winst vormt belastbaar inkomen van de man in de zin van de Wet IB 1964.
De huwelijkse voorwaarden bieden geen aanknopingspunt voor de stelling van de man dat niet-uitgekeerde winst buiten de verrekening blijft. Bovendien kent het fiscale inkomensbegrip waarop de man zich beroept, niet het onderscheid tussen ‘uitgekeerde winst’ en ‘niet-uitgekeerde winst’ (rov. 6.6.6.1).
NJ2012/365) (rov. 6.6.7, eerste alinea).
De man is dus niet geslaagd in het weerleggen van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro.
Zijn verzoek om voor recht te verklaren dat hij niet verrekenplichtig is ten aanzien van de de waarde van zijn aandelen in de houdstermaatschappij zal dus worden afgewezen (rov. 6.6.7, vierde alinea).
Dit betekent dat grieven [IV en V] [14] van de man falen (rov. 6.6.7, slot).
4.Juridisch kader
5.Bespreking van het principale en het incidentele cassatieberoep
Winst uit onderneming geniet hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming (art. 6 Wet Pro IB 1964). De winst die is behaald door de eenmanszaak van de man vormt in die zin dus belastbaar inkomen van de man.
De huwelijkse voorwaarden bieden geen aanknopingspunt voor de stelling van de man dat niet-uitgekeerde winst buiten de verrekening blijft. Bovendien kent het fiscale inkomensbegrip waarop de man zich beroept, niet het onderscheid tussen ‘uitgekeerde winst’ en ‘niet-uitgekeerde winst’.”
waarvan de niet-uitgekeerde winsten zijn uitgesloten” (zie ‘s hofs onbestreden vaststelling in rov. 6.6.2, 3e alinea). Het hof verwerpt deze stelling. Als ik het goed zie, wordt over dat oordeel als zodanig niet geklaagd (evenmin als over het voorafgaande oordeel dat door de eenmanszaak van de man behaalde winst kwalificeert als belastbaar inkomen in de zin van art. 5 HV Pro). Het onderdeel klaagt er namelijk (uitsluitend) over dat het hof niet
tevensheeft opgemerkt dat het onderscheid is gelegen in de vraag of de winsten al dan niet tot
belastbaarinkomen hebben geleid, waarbij volgens het middel heeft te gelden dat (al dan niet uitgekeerde) winsten niet tot het belastbaar inkomen van een betreffend kalenderjaar behoren, als deze middels verliesverrekening worden verrekend met verliezen uit een ander kalenderjaar (procesinleiding, nrs. 3.6-3.7).
in de zin van dat artikelgeen onderscheid tussen wel of niet
feitelijkbelast inkomen. Daarom is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet relevant acht of over de als belast
baarinkomen te kwalificeren winst daadwerkelijk belasting verschuldigd was of niet.
1 januari 1994moet worden uitgegaan (zijnde de in de akte ‘inbreng en levering’ [36] vermelde peildatum van de inbreng) (rov. 6.6.7, 2e alinea).
Subsidiairwordt geklaagd dat het oordeel van het hof over het peilmoment onjuist en onbegrijpelijk is gelet op het partijdebat. Samengevat voert de klacht aan de hand van stellingen van partijen [37] aan dat tussen partijen vaststaat dat de inbreng per 1 januari 1994 slechts een fiscale achtergrond had, en dat de vraag of de aandelen in de werkmaatschappij zijn gefinancierd met overgespaard inkomen of vermogen beantwoord moet worden aan de hand van de peildatum 31 maart 1995. Het hof is door zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van 1 januari 1994 als peildatum moet worden uitgegaan.
nietverrekenplichtig is ten aanzien van de aandelen in de houdstermaatschappij niet toewijsbaar is. Dit oordeel wordt, ongeacht of wordt uitgegaan van 1 januari 1994 dan wel 31 december 1994 als peildatum, reeds zelfstandig gedragen door het (in cassatie tevergeefs bestreden [42] ) oordeel dat zijdens de man zelf is gesteld dat ‘alle winst altijd in de eenmanszaak bleef’. Winsten in de eenmanszaak dienden immers ieder kalenderjaar te worden verrekend (art. 8 HV Pro), terwijl de door de man genoemde winsten waarop de goodwill is gebaseerd (rov. 6.6.2) blijkens de Beschrijving van de inbreng zijn genoten in 1993 (en 1994), dus niet in de voorhuwelijkse periode.
Verrekening waarde aandelen
winstaltijd in de eenmanszaak bleef” (3e alinea, 4e volzin). Deze vaststelling zou onbegrijpelijk zijn, omdat de man zelf (dus niet bij monde van zijn advocaat) gesteld heeft dat de gemaakte
omzetaltijd meteen geïnvesteerd werd in de onderneming. [44]
in de eenmanszaakblijven van winst c.q. omzet is daar het volgende opgetekend.
Met betrekking tot de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden
in de BVis het volgende vermeld.
De man is zijn onderneming gestart in de vorm van een eenmanszaak. De omzet die in de eenmanszaak werd gemaakt, werd meteen weer in de onderneming geïnvesteerd. Er werd niet van geleefd. Er is ook niets van overgehouden. Al het geld dat hij verdiende werd in de zaak gestopt.
(…)”
de man zelfis die gesteld heeft dat
de omzetmeteen in de onderneming werd geïnvesteerd, dat er niet van werd geleefd en dat er niets van is overgehouden, faalt zij derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ook overigens kan de klacht niet tot cassatie leiden. Het hof heeft – kennelijk op basis van het betoog van de advocaat van de man ter zitting – vastgesteld dat
zijdens de manis betoogd dat
de winstaltijd in de eenmanszaak bleef. Nu omzet winst omvat, is die vaststelling niet onbegrijpelijk. Dat geldt temeer, nu volgens de door de accountant opgestelde beschrijving van de inbreng in ieder geval in 1993 en 1994 sprake is geweest van netto jaarwinsten. [45]
.
klacht A in het incidenteel beroepheeft het hof in rov. 6.6 de devolutieve werking van het appel miskend. [46] Daartoe wordt aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op het in eerste aanleg gevoerde verweer van de vrouw dat het verzoek van de man om te verklaren dat hij niet verrekenplichtig is ten aanzien van de aandelen in zijn houdstermaatschappij, er
reedsop afstuit dat hij vóór het begin van de echtscheidingsprocedure zich altijd en zonder enig voorbehoud op het standpunt stelde (en heeft erkend) dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het door hen tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen, en de vrouw dus gerechtigd is tot de helft van de waarde van zijn aandelenbelang. De vrouw heeft aangevoerd dat die erkenning/verklaring de man bindt, althans kan worden gezien als afstand van recht of verwerking van het recht om een daaraan tegengesteld standpunt te betrekken. Het alsnog innemen van een tegengesteld standpunt is volgens de vrouw in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [47]