Conclusie
het hof begrijpt: alle verzamelde stukken voor zover gedateerd 9 juli 2013 of later en behoudens een reeds openbare brief aan de raad) zijn naar aard en inhoud dermate gevoelig en belastend voor de persoonlijke levenssfeer van alle betrokkenen, dat wij hebben besloten u die stukken te verstrekken onder oplegging van geheimhouding.
de gehele raaden niet slechts voor enkele leden van de raad. Dat alleen aan cliënte en [betrokkene 1] stukken zijn toegestuurd per post, doet aan deze conclusie niets af.
'Daarmee legt het college geheimhouding op deze stukken aan een ieder die kennis draagt van de stukken, ook aan de collegeleden.'
niethet besluit is en de verdediging bestrijdt pertinent het bestaan van de term 'briefbesluit'.
eerste subklachthoudt in dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat van een rechtsgeldig besluit tot geheimhouding geen sprake was.
tweede subklachtvalt de bewijsvoering van het hof aan. In dat kader wordt in het bijzonder aangevoerd dat niet redengevend voor het bewijs van het bewezenverklaarde kan worden geacht de als bewijsmiddel 4 opgenomen brief van 4 november 2014 die aan de verdachte is gericht en de als bewijsmiddel 9 gebruikte niet-openbare notulen van de vergadering van burgemeester en wethouders van 4 november 2014. Voorts wordt geklaagd dat het hof de aangevoerde bewijsverweren ontoereikend gemotiveerd heeft weerlegd.
NJ2005/374. [15] In dit – ook door het hof in zijn overwegingen als toetsingskader aangemerkte – arrest heeft de Hoge Raad benadrukt dat het niet aan de strafrechter is om te beoordelen of de door een bestuursorgaan aan de verdachte opgelegde plicht tot geheimhouding terecht is opgelegd. Het is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan aan wie de bevoegdheid tot het verplichten van geheimhouding door de rechter is verleend, om te beoordelen of redenen bestaan voor het opleggen van de plicht tot geheimhouding. Die opgelegde geheimhoudingsplicht kan vervolgens in een administratieve (bezwaar- en beroeps)procedure op juistheid en houdbaarheid worden getoetst. [16] In dat verband kunnen voor zover mij bekend ook eventuele formele gebreken die aan de administratiefrechtelijke totstandkoming van de opgelegde geheimhoudingsplicht kleven ter discussie worden gesteld. De taak van de strafrechter, zo overweegt de Hoge Raad nadrukkelijk, is in het kader van de beoordeling van een tenlastegelegde overtreding van art. 272 Sr Pro echter beperkt tot een onderzoek naar de vraag of de aan de verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling waarop de plicht tot geheimhouding is gebaseerd. Ik lees hierin dat de strafrechter moet onderzoeken of het bestuursorgaan een wettelijke bevoegdheid had tot oplegging van de geheimhoudingsplicht, maar ook dat het niet aan de – daartoe immers minder goed toegeruste – strafrechter is om te beoordelen of het bestuursorgaan bij de uitoefening van de wettelijke bevoegdheid conform alle geldende administratiefrechtelijke voorschriften heeft gehandeld. [17] Dat de strafrechter ervan uit dient te gaan dat een besluit in beginsel in rechte onaantastbaar is geworden als daartegen geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, [18] past ook bij het leerstuk van de formele rechtskracht, al lijkt dat voor de strafrechter minder beperkingen mee te brengen dan voor de civiele rechter. [19]
aan de raadals bedoeld in art. 25, tweede lid juncto derde lid, Gemeentewet en niet aan
leden van de raadals bedoeld in art. 25, tweede lid juncto vierde lid, Gemeentewet.
inzagete krijgen in een intern dossier valt gelijk te stellen met het
overleggenvan stukken, en ii) evenmin zonder meer valt in te zien waarom de vastgestelde omstandigheid dat
een aantalvan de gemeenteraadsleden bij de inzage in het intern dossier aanwezig was, met zich brengt dat (stukken uit) het intern dossier aan
de raadzijn overgelegd. [20] Tegen die achtergrond bezien, en gelet op wat hierover door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht en hetgeen het hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld, komen de door de tweede deelklacht aangevallen overwegingen van het hof mij niet onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd voor.