Conclusie
Nummer21/02999 U
Inleiding
warrant to arrest) van 22 oktober 2019 van de bevoegde autoriteiten te Melbourne, nummer 1168/19.” [1] De rechtbank heeft het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht samengevat als “samenzwering tot het verhandelen van een commerciële hoeveelheid van een gecontroleerde drug (ongeveer 40 kilo methamfetamine en het paramethoxymethamfetamine-analoog daarvan) in de periode tussen 15 maart 2012 en 20 maart 2013 te Australië (Melbourne, Victoria en elders)”.
De middelen
eerste middelklaagt over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden en de officier van justitie te instrueren navraag te doen bij de relevante Taiwanese, Australische, Canadese en Nederlandse autoriteiten over welke contacten er wanneer tussen wie zijn geweest omtrent het naar Nederland sturen van de opgeëiste persoon in plaats van naar Canada, en wat daarbij is besproken en afgesproken. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank het aanhoudingsverzoek
ten onrechteheeft afgewezen omdat de verdediging ter zitting gemotiveerd heeft aangevoerd dat sprake is van de nodige aanwijzingen dat de Australische autoriteiten betrokken zijn geweest bij het
contra legemuitzetten van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde aldus zijn juridische positie te verzwakken, terwijl hierover in de Australische strafzaak – na de uitlevering van de opgeëiste persoon – niet meer kan worden geklaagd. De tweede klacht houdt in dat de rechtbank de afwijzing van het aanhoudingsverzoek
niet begrijpelijk gemotiveerdheeft afgewezen door te overwegen dat de gestelde onrechtmatige (
contra legem) uitzetting uit Taiwan en mogelijke betrokkenheid van de Australische autoriteiten daarbij een kwestie is die de verdediging van de opgeëiste persoon in de Australische strafzaak naar voren kan brengen en dat hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht omtrent de toetsing door de Australische gerechten na aanhouding van een te berechten persoon in het buitenland, niet leidt tot de conclusie dat vaststaat dat de Australische autoriteiten een dergelijk verweer niet zullen beoordelen.
tweede middelklaagt – als ik het goed begrijp – dat de rechtbank de beslissing om de uitlevering toelaatbaar te verklaren, onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat het oordeel van de rechtbank, dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon ter zake van de voltooide inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM in Australië geen rechtsmiddel ten dienste staat, onbegrijpelijk is gemotiveerd. Die voltooide inbreuk zou bestaan uit de betrokkenheid van de Australische autoriteiten bij de onrechtmatige uitzetting van de opgeëiste persoon door Taiwan naar Nederland.
Canadese nationaliteitheeft, door de Taiwanese autoriteiten, zonder zijn toestemming, op een vliegtuig naar Nederland gezet.
kan een vreemdeling uitsluitend met zijn toestemmingworden uitgezet naar een ander land dan het land van zijn nationaliteit (zie bijgaande memo’s, producties 1 en 2);
datzelfdevliegveld, een
rechtstreeksevlucht naar Canada:
Nederlandkent aan Australie de wettelijke mogelijkheid toe om na uitlevering te vragen om aanvullende toestemming om te mogen vervolgen voor extra feiten waar geen uitlevering voor was gevraagd. Zie art. 12 Uitleveringswet Pro jo art 12 lid 1 sub b Uitleveringsverdrag Pro tussen Australie en Nederland.
voorafgaandaan de uitlevering.
Vervolgens merk ik nog op dat in de literatuur wel kritiek is uitgeoefend op de grote mate van vrijheid die de aangezochte staat — en ingevolge art. 12 Uitleveringswet Pro onze Minister van Justitie — heeft om zijn toestemming tot uitbreiding van de gevolgen van de uitlevering te verlenen, maar dat dit niet heeft geleid tot wijziging van verdrag of wet.Swart levert ook kritiek en wijst op de mogelijkheid van misbruik door de verzoekende staat door uitlevering te verzoeken voor zo min mogelijk feiten en te vertrouwen op doorbreking van de specialiteitsvoorwaarde.Evenwel in deze zaak heeft het hof in r.o. 5 van het bestreden arrest vastgesteld dat van misbruik geen sprake is en daartegen is — begrijpelijkerwijs — in cassatie niet opgekomen.’
a) Client heeft de Canadese nationaliteit;
f) De juridische positie van [de opgeëiste persoon] zou beduidend sterker zijn geweest indien hij vanuit Canada zou worden uitgeleverd, dan indien hij vanuit Nederland wordt uitgeleverd;
contra legemnaar Nederland sturen van client door Taiwan, al dan niet teneinde zijn juridische positie te verzwakken) omdat in geval van een later aanvullend verzoek om te vervolgens voor meer feiten uw rechtbank (de uitleveringsrechter) er niet meer aan te pas zal komen. De Minister neemt dan immers buiten uw rechtbank om een beslissing.
De voorzitterdeelt mee dat de aantekeningen van de raadsman in het kader van het aanhoudingsverzoek bij het woord tot verdediging als ingelast worden beschouwd.
De opgeëiste persoon verklaart op vragen van de voorzitter:Volgens de Taiwanese wet hadden de autoriteiten geen bevoegdheid om een persoon uit te zetten naar een derde land. De migratiewet van Taiwan schrijft voor dat ik naar Canada uitgezet had moeten worden. Maar Taiwan heeft met Australië samengewerkt om mij naar Nederland te sturen. Australië heeft dus illegaal gehandeld. Hoe kan het dat ik onder deze omstandigheden kan worden uitgeleverd?Waarom ben ik niet naar Canada gestuurd? Australië heeft met Canada een uitleveringsverdrag. Wat nu met mij gebeurd is, is vergelijkbaar met wat Wit Rusland heeft gedaan.”
risicovan een
flagrante inbreukop enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens;
contra legem) uitzetting uit Taiwan en mogelijke betrokkenheid van de Australische autoriteiten daarbij is een kwestie die de verdediging van de opgeëiste persoon in de Australische strafzaak naar voren kan brengen. Hetgeen de verdediging ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de toetsing door de Australische gerechten na aanhouding van een te berechten persoon in het buitenland, leidt niet tot de conclusie dat vast staat dat die gerechten een dergelijk verweer niet zullen beoordelen.
Affidavit of Prosecutor) is opgemerkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon een levenslange gevangenisstraf of een niet-voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 jaar of meer zal krijgen. Gelet op de maximale hoogte van de straf die volgens het Australische Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd voor het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon wordt verzocht, te weten een levenslange gevangenisstraf, zal de rechtbank (conform het verzoek van de raadsman) de Minister adviseren om – alvorens een beslissing te nemen op het gedane verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon – van de Australische autoriteiten garanties te vragen ten aanzien van een reëel uitzicht op een invrijheidsstelling ingeval van oplegging van deze maximale straf. Voor aanhouding van behandeling om deze reden ziet de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding.
contra legemuitzetten van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde aldus zijn juridische positie te verzwakken, terwijl hierover in de Australische strafzaak – na de uitlevering van de opgeëiste persoon – niet meer kan worden geklaagd. Indien de Australische autoriteiten inderdaad betrokken zijn geweest bij het
contra legemnaar Nederland sturen van de opgeëiste persoon teneinde aldus zijn rechten te beperken, levert dit volgens de steller van het middel zowel een voltooide schending van art. 6 EVRM Pro als een dreigende flagrante schending van dit artikel op.
contra legemuitzetten van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde aldus zijn juridische positie te verzwakken. Uit de inhoud van de pleitnota’s en de verklaring van de opgeëiste persoon blijkt die voldoende motivering evenwel niet. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag.
niet begrijpelijk gemotiveerdheeft afgewezen door te overwegen dat de gestelde onrechtmatige (
contra legem) uitzetting uit Taiwan en mogelijke betrokkenheid van de Australische autoriteiten daarbij een kwestie is die de verdediging van de opgeëiste persoon in de Australische strafzaak naar voren kan brengen en dat hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht omtrent de toetsing door de Australische gerechten na aanhouding van een te berechten persoon in het buitenland, niet leidt tot de conclusie dat vaststaat dat de Australische autoriteiten een dergelijk verweer niet zullen beoordelen.
contra legem) uitzetten van de opgeëiste persoon naar Nederland in plaats van naar Canada […] niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.”
mala captus bene detentusrule into question. In
Levinge v. Director of Custodial Services, the fugitive faced trial for numerous cases of dishonesty in New South Wales. He claimed that he had been arrested by Mexican police at his home in Mexico, brought to the American border, and delivered into the custody of US FBI agents who then brought him into the US and held him until he was extradited to Australia. He argued that this forcible abduction rendered his subsequent extradition to Australia unlawful and an abuse of process, such that proceedings against him in Australia should be stayed. Moreover, he alleged that the Australian authorities had been aware of and even involved in his abduction from Mexico.
even where a person is brought into the jurisdiction of a court unlawfully, the court has undoubted jurisdiction to deal with him or her. However, it also has the discretion to decline jurisdiction if it is of the opinion that to exercise its discretion would involve an abuse of the court’s process. It went on to observe that such abusive conduct may exist in cases
where the regular machinery for extradition is bypassedand when the executive participates in unauthorized and unlawful removal of criminal suspects from a foreign jurisdiction.
Levingethat the Australian police were involved in the expulsion of the plaintiff from Mexico. The court did, however, imply that
a forcible abduction would be a strong case for staying criminal proceedings in order to prevent abuse of process. Therefore, considering the above factors, it seems reasonable to conclude that an Australian Court will not exercise jurisdiction over a person abducted from abroad in violation of international law.” [5]
Het tweede middel
The Customary Law of International Abductions: Limits and Boundaries. Uit het geciteerde onderdeel van dit artikel dat betrekking heeft op het Australisch recht, [7] is ter zitting afgeleid dat de Australische rechter zich bevoegd acht een zaak te vervolgen van een verdachte ook als die langs onrechtmatige weg in handen van de Australische autoriteiten is gevallen. Indien de verdachte via een reguliere uitleveringsprocedure in handen van de Australische autoriteiten is gevallen, dan zou de Australische rechter de mogelijkheid hebben om de onrechtmatigheden die daaraan vooraf zijn gegaan, niet te toetsen.