Conclusie
1.Uitgangspunten
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.5 en 2.6 van het eindvonnis,
onderdeel 2is louter voortbouwend.
Het is niet mogelijk om onder de vlag van een motiveringsklacht klachten over rechtsschending aan te voeren. Evenmin staat de Hoge Raad toe een niet appellabel vonnis van de kantonrechter aan te vallen met motiveringsklachten die niet kunnen worden beoordeeld zonder daarin mede te betrekken de juistheid van de rechtsopvatting waarvan de kantonrechter is uitgegaan. [10] Zo faalt de klacht dat een bewijsaanbod ongemotiveerd is gepasseerd, indien die te veel noopt tot een niet-toelaatbare beoordeling van rechtsoordelen (onder meer de vraag of gelegenheid moet worden gegeven tot bewijslevering). [11] Artikel 80 RO Pro brengt mee dat als de kantonrechter in zijn beslissing een onjuist rechtsoordeel heeft gegeven, in cassatie van dat onjuiste rechtsoordeel moet worden uitgaan. De Hoge Raad zal zich in deze (in zijn ogen) onjuiste rechtsopvatting moeten verplaatsen teneinde vanuit dat gezichtspunt na te gaan of de kantonrechter zijn uitspraak deugdelijk heeft gemotiveerd. [12] Een onjuist vonnis kan in cassatie niet worden aangetast, als de motivering op zichzelf consistent is, inzicht geeft in de door de rechter gevolgde gedachtegang, ingaat op alle relevante stellingen van partijen, niet onbegrijpelijk, onvolledig of innerlijk tegenstrijdig is, en de daarop gebaseerde conclusie kan dragen. [13]
subonderdeel 1.1heeft de kantonrechter de door de Hoge Raad in rov. 3.1.3 van zijn eerste arrest in deze zaak voorgeschreven belangenafweging onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van zes in de klacht genoemde (essentiële) stellingen van [eiseres] . [14] De kantonrechter heeft deze stellingen niet, althans niet expliciet, bij diens belangenafweging in rov. 2.5 en 2.6 betrokken, terwijl honorering van een of meerdere van die stellingen ten minste van belang zou zijn bij de hiervoor vermelde belangenafweging, hetgeen te meer onbegrijpelijk is in het licht van de hoofdregel dat een partij in het algemeen de bevoegdheid heeft om te verzoeken om heropening van het getuigenverhoor, aldus de klacht.
subonderdeel 1.3zijn, samengevat, rov. 2.5 en 2.6 onbegrijpelijk, omdat de kantonrechter enerzijds bij zijn beslissing belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat er los van de vermelde chatberichten nader contact met de getuige had moeten zijn geweest, maar zich anderzijds bij zijn beslissing over de relevantie van de aangedragen getuige enkel heeft gebaseerd op de chatberichten. De stelling van [eiseres] dat zij pas na een (lange) zoektocht achter de contactgegevens van de getuige is gekomen, laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiseres] ook voorafgaand aan die zoektocht en het chatcontact aanleiding had te veronderstellen dat de getuige een (mogelijk) relevante verklaring zou kunnen afleggen.
Voor zover het subonderdeel verwijst naar subonderdeel 1.1, faalt het om de redenen die zijn gegeven bij de bespreking van subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.4is onbegrijpelijk dat de kantonrechter van belang heeft geacht of is gebleken dat de getuige kan verklaren over de vraag of de aan de zijde van [verweerster] gehoorde getuigen geloofwaardig hebben verklaard, omdat met deze omstandigheid geen voldoende gemotiveerde toepassing aan de vereiste belangenafweging is gegeven. Het is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat de kantonrechter kennelijk verlangt dat op voorhand duidelijk is waarover de getuige precies kan verklaren. De vraag aan de getuige of zij met dezelfde problemen is geconfronteerd als [eiseres] – welke vraag naar het oordeel van de kantonrechter op voorhand zou moeten zijn gesteld – zou bij uitstek in het getuigenverhoor aan de getuige moeten worden voorgelegd.
Mede in het licht van het feit dat een getuigenverklaring er ook toe kan strekken dat de betrouwbaarheid van eerder afgelegde verklaringen wordt ontzenuwd – zoals ook expliciet blijkt uit het eerdere arrest van de Hoge Raad in deze zaak –, is de beslissing van de kantonrechter dat de getuige niet kan verklaren of de eerder gehoorde getuigen geloofwaardig hebben verklaard, onbegrijpelijk, omdat dit niet volgt uit hetgeen door [eiseres] (of [verweerster] ) naar voren is gebracht en evenmin uit hetgeen door de kantonrechter is vastgesteld.
Tegen deze achtergrond onderzoekt de kantonrechter hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd ter motivering van haar belang om alsnog de getuige te doen horen. De kantonrechter omschrijft dit in rov. 2.5 als volgt: “
Zij geeft aan dat zij (…) contact heeft gevonden met een oud-collega die met ruzie en zonder betaling van het laatste salaris is vertrokken.” De kantonrechter oordeelt vervolgens, kort gezegd, dat hetgeen [eiseres] ter onderbouwing van deze motivering heeft aangevoerd alleen ziet op de ruzie, maar niet op het niet betalen van het salaris.
De kantonrechter leidt hieruit af dat de getuige niet zal kunnen verklaren over het probandum en over de geloofwaardigheid van de eerder aan de zijde van [verweerster] gehoorde getuigen.
een oud-collega die met ruzie en zonder betaling van het laatste salaris is vertrokken.” Aan deze lezing van de processtukken ligt kennelijk de overweging ten grondslag dat een getuige die zou kunnen verklaren over een vertrek zonder laatste betaling bij dezelfde werkgever, licht kan werpen op de geloofwaardigheid van de eerder aan de zijde van [verweerster] afgelegde getuigenverklaringen over de contante betaling van het laatste salaris aan [eiseres] . De kantonrechter heeft vervolgens onderzocht of [eiseres] deze stellingen heeft onderbouwd en geoordeeld dat dit niet het geval is (zie hiervoor in 2.14). Tot een nadere motivering was de kantonrechter niet gehouden.