Conclusie
Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Inleiding
omdat deze plaatsvonden nadat de frauduleuze boekingen al waren uitgevoerd’. [7] Dit standpunt deel ik niet. In rov. 3.6.5 bespreekt het hof namelijk slechts de subsidiaire stellingname van Van Mossel c.s., dat verweerster wist of had moeten weten dat [de financieel directeur] geld verduisterde. Overigens kan ik uit rov. 3.6.5 (of enige andere overweging van het hof) ook niet afleiden dat het hof inderdaad op grond van de bedoelde zinsnede heeft geoordeeld dat de (subsidiaire) vorderingen van Van Mossel c.s. op dit punt hoe dan ook niet kunnen slagen, omdat er geen schade is geleden door Van Mossel c.s. Los hiervan omvatten de gedragingen die verweerster worden verweten, meer dan alleen de frauduleuze overboekingen.
3.5.4. Het hof stelt vast dat [verweerster] weliswaar niet in dienst was bij Van Mossel, maar wel bij de aan haar gelieerde vennootschap Autoschade. Daarbij is van belang dat tussen partijen vast staat dat de werkzaamheden van [verweerster] zich niet beperkten tot Autoschade, maar dat zij voor alle tot de Van Mossel behorende schadebedrijven werkzaamheden verrichtte, dus ook voor de vennootschappen die partij zijn in deze procedure. In zoverre waren deze vennootschappen de materiële werkgever van [verweerster]. Verder is in dit verband van belang dat alle verweten gedragingen (en nalaten) zeer nauw samenhangen met de arbeidsovereenkomst die [verweerster] had met Autoschade. De gestelde betrokkenheid bij de verduistering door [de financieel directeur] , ziet geheel op de wijze waarop [verweerster] haar werkzaamheden heeft verricht. De vraag of [verweerster] aansprakelijk is ter zake de gestelde verduistering, zal dus afhankelijk zijn van de vraag of bij haar sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU2235, City Tax) volgt dat pas sprake is van ‘bewuste roekeloosheid’ als de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan zijn gedraging daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging.”
dus” afhankelijk zou zijn van (het antwoord op) de vraag of bij haar van “
opzet of bewuste roekeloosheid” sprake geweest is, onjuist is. De vorderingen van Van Mossel c.s. (dus: eiseressen tot cassatie) zijn namelijk uitsluitend op art. 6:162 BW Pro gegrond en verweerster was niet in dienst van ook maar een van de Van Mossel-vennootschappen, laat staan van al deze vennootschappen. Derhalve kan geen van de Van Mossel-vennootschappen als werkgeefster van verweerster beschouwd worden, ook niet als “
de materiële werkgever” van verweerster, en evenmin ”
in zoverre”, zoals het hof op dit punt echter ten onrechte en in elk geval ontoelaatbaar onduidelijk oordeelt, aldus de klacht.
[Verweerster] is bij (een gelieerde vennootschap van) Van Mossel in dienst geweest vanaf 2 januari 2006, aanvankelijk als administratief medewerkster en vanaf 1 maart 2016 als hoofd administratie.”als zijn oordeel tot uiting heeft gebracht dat als feit vast zou staan dat verweerster bij een of meer van de Van Mossel-vennootschappen (dus: eiseressen tot cassatie) in dienst geweest zou zijn of dat zij daar mogelijk in dienst geweest zou zijn, dit oordeel onbegrijpelijk is en/of het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de zaak niet heeft onderzocht en beslist op de grondslag van hetgeen Van Mossel c.s. aan hun vordering ten gronde gelegd hebben.
Nutsbedrijf Westland. [11] Ook dan kan de werkgever de werknemer dus slechts aansprakelijk houden voor de veroorzaakte schade, als sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer tijdens de uitoefening van diens werkzaamheden.
derdewordt aangesproken voor schade die is ontstaan door fouten die de werknemer heeft gemaakt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, geldt niet de aansprakelijkheidsdrempel van art. 7:661 BW Pro. Bij schade die is toegebracht aan een derde door een fout van de werknemer, kan de derde zowel de werkgever als de werknemer aanspreken. Zie art. 6:170 BW Pro:
foutvan de werknemer. Dit volgt ook uit de parlementaire geschiedenis. [12] In de parlementaire geschiedenis is verder te lezen dat de rechter in die gevallen waarin de werknemer slechts geringe schuld kan worden verweten, op basis van de algemene matigingsbevoegdheid (art. 6:109 BW Pro) tot een billijke oplossing kan komen. [13]
Het feit dat de dader de schade blijkt te hebben toegebracht in dienst van een ander handelend, behoort de benadeelde nimmer in een slechtere positie te brengen, hoogstens in een betere”, zoals het in de parlementaire geschiedenis is verwoord. [15] Van ‘inkleuring’ van de aansprakelijkheidsnorm met de verhoogde aansprakelijkheidsnorm van art. 7:661 BW Pro is dus in deze situatie geen sprake.
[verweerster]: “Wow.. die is nu de lul dan”
Op 1 december heeft hij mij gebeld hoe het op mijn nieuwe werkplek was. Toen was hijkwaad dat Duitsland niet doorging, dat Van Mossel hem een oor had aangenaaid en hijvertelde mij dat hij Van Mossel in het nieuws zou brengen. Hij gaf aan dat hij ook ontslaghad genomen.”
[Verweerster] was op geen enkele wijze betrokken bij de publicatie in de Telegraaf en het e-mailbericht aan de relaties. [Verweerster] heeft slechts te elfder ure van [de financieel directeur] vernomen dat er de volgende dat een publicatie in de krant zou komen, maar [verweerster] heeft dat geen moment serieus genomen. [Verweerster] wist bovendien niet wat de inhoud van een eventuele publicatie zou zijn. Van Mossel tracht het te doen voorkomen alsof [verweerster] bij de publicatie betrokken was door WhatsApp-correspondentie onjuist en onvolledig weer te geven, wat [verweerster] zeer kwalijk acht. Voor de weerlegging hiervan verwijs ik kortheidshalve naar de antwoordakte sub 52. Tot slot, op het moment dat [verweerster] het WhatsApp bericht van [de financieel directeur] ontving, was het al zo kort dag dat er door [verweerster] überhaupt niets meer aan de publicatie gedaan kon worden.”
3.7.4. Het hof is van oordeel dat uit de door Van Mossel genoemde gegevens wel kan worden afgeleid dat [verweerster] wist dat [de financieel directeur] ‘iets’ in het nieuws ging brengen over Van Mossel en dat dit negatief zou zijn. Anders valt immers niet in te zien waarom [verweerster] heeft aangegeven: “Wow.. die is nu de lul dan” en “Wow heftig!”
Deze gegevens zijn echter onvoldoende om als vaststaand aan te kunnen nemen dat [verweerster] op de hoogte was van de inhoud van de aanstaande publicatie door De Telegraaf en de onjuistheid daarvan.
onderdeel 3wordt geklaagd dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden met zijn oordeel dat voor aansprakelijkheid van verweerster niet alleen nodig was dat zij wist wat de inhoud was van het krantenartikel (de publicatie in De Telegraaf) en de e-mails aan zakelijke relaties, maar ook dat zij “
wist dat het daarbij ging om verzinsels van [de financieel directeur]” en/of dat het onbegrijpelijk is dat het hof tot het oordeel gekomen is dat verweerster aan haar verweer ten grondslag gelegd zou hebben dat zij zou hebben kunnen of mogen menen dat er een kern van waarheid zou zitten in hetgeen [de financieel directeur] wilde publiceren over Van Mossel c.s. Nu verweerster in ieder geval niet heeft weersproken dat het om verzinsels van [de financieel directeur] ging, is het onbegrijpelijk dat het hof daaruit niet zonder meer de conclusie getrokken heeft dat verweerster in elk geval niet weersproken heeft dat het om verzinsels van [de financieel directeur] ging. In elk geval is onbegrijpelijk dat het hof enerzijds wel aanneemt dat verweerster wist dat [de financieel directeur] ‘iets’ zou gaan doen met een publicatie en dat dit negatief voor Van Mossel c.s. zou zijn, doch anderzijds de mogelijkheid openlaat dat verweerster zou hebben kunnen menen dat in die publicatie ‘een kern van waarheid zat’, temeer nu verweerster volgens Van Mossel c.s. zelf stelde dat zij niet wist wat erin stond, aldus de klacht. [21]
Overigens, zelfs al zou [verweerster] (al dan niet “ruim op voorhand”) hebben geweten dat er een voor Van Mossel negatieve publicatie zou komen, dan nog brengt dat niet met zich dat [verweerster] Van Mossel had moeten waarschuwen. Een negatieve publicatie hoeft namelijk helemaal niet onrechtmatig te zijn (anders zouden heel wat kranten hun deuren kunnen sluiten). Zoals gezegd wist [verweerster] niet wat er gepubliceerd zou worden; zij wist dus ook niet dat er (volgens Van Mossel) onwaarheden in het artikel zouden staan. De enkele wetenschap van een (mogelijke) negatieve publicatie leidt dan niet tot een waarschuwingsplicht, zulks temeer nu [verweerster] per 1 december 2017 niet meer in dienst was bij Van Mossel, alsmede de strenge eisen die gelden bij het aannemen van aansprakelijkheid op grond van een “zuiver nalaten”. In dit kader, wordt verwezen naar het nota bene door Van Mossel zelf geciteerde Broodbezorger-arrest, [22] waaruit onder meer blijkt dat van aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten slechts sprake kan zijn
3.9.2. Hoewel Van Mossel heel veel heeft aangevoerd, is het de vraag of zij voldoende concreet onderbouwde stellingen heeft betrokken die kunnen leiden tot toewijzing van de vorderingen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat [verweerster] verklaringen heeft gegeven voor de verwijten die haar worden gemaakt. Het hof acht met name cruciaal dat het in het door Van Mossel geschetste scenario niet logisch is dat [verweerster] posten op de vragenrekening heeft geplaatst en dat zij rekeningafschriften op haar werkplek heeft achtergelaten. Wanneer [verweerster] met [de financieel directeur] heeft samengespannen, dan zou zij de boekingen juist niet op de vragenrekening hebben geplaatst maar meteen hebben weggeboekt. Ook zou zij dan de bankafschriften hebben weggemaakt in plaats van deze op haar werkplek achter te laten. Zij zou dan immers juist alle sporen zoveel en zo goed mogelijk hebben willen uitwissen / verbergen. Het hof acht dat zulke cruciale verweren, dat Van Mossel in hoger beroep met meer en beter onderbouwde standpunten had moeten komen (mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over het in het geding brengen van rapporten en het strafdossier). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het om zeer ernstige verwijten gaat en dat de standpunten van Van Mossel er vooral op neerkomen dat het niet anders kan, dan dat [verweerster] in het complot van [de financieel directeur] zat. Dat acht het hof te suggestief omdat veel van de stellingen van Van Mossel ook kunnen passen in de werkrelatie die [verweerster] had bij Van Mossel (zij moest veel samenwerken met [de financieel directeur] , [de financieel directeur] was haar leidinggevende, er waren dagelijks talloze betalingen die klaargezet en geboekt moesten worden). Het hof is er op grond van de stellingen en de door Van Mossel overgelegde stukken wel van overtuigd dat [verweerster] onoplettend is geweest, maar zelfs als zij zéér onoplettend is geweest, is dat onvoldoende voor aansprakelijkheid voor verduistering (zie 3.6.5.).”
onderdeel 4.1klagen Van Mossel c.s. dat de overweging in de eerste volzin van rov. 3.9.2 onjuist en/of onbegrijpelijk is, omdat het antwoord op de vraag of Van Mossel c.s. voldoende concrete stellingen aangevoerd hebben niet in ontkennende zin beantwoord kan worden louter om de reden dat verweerster ‘verklaringen’ gegeven heeft voor de haar gemaakte verwijten. Immers, niet valt in te zien waarom het enkele feit dat verweerster ‘verklaringen’ gegeven heeft voor de aan haar gemaakte verwijten, het concrete karakter aan de stellingen van Van Mossel c.s. zou ontnemen, aldus de klacht.
onderdeel 4.2klagen Van Mossel c.s. dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, bovendien niet te begrijpen valt waarom het hof kennelijk van oordeel is dat die ‘verklaringen’ voldoende zouden zijn om de stellingen van Van Mossel c.s. te weerleggen. In het bijzonder heeft het hof miskend dat Van Mossel c.s. zeer concreet en specifiek hebben gesteld waarom verweerster heel goed wist dat sprake was van dubieuze betalingen (mijn nummering):
steekhoudendzijn, mede in het licht van wat Van Mossel c.s. daar op hun beurt tegenover hebben aangevoerd. Niet is in te zien dat de stellingen van Van Mossel c.s. onvoldoende concreet zijn.
in het door Van Mossel geschetste scenario niet logisch is dat [verweerster] posten op de vragenrekening heeft geplaatst en dat zij rekeningafschriften op haar werkplek heeft achtergelaten’, is op te merken dat de tegen die overweging gerichte klacht m.i. ook slaagt (zie hierna onder 4.131-4.132).
3.9.4. Van Mossel heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht haar in de gelegenheid te stellen een akte te nemen teneinde een rapport van Hoffmann bedrijfsrecherche in het geding te brengen. Dat rapport was volgens Van Mossel zodanig kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling gereed, dat het niet meer mogelijk was om dit nog in het geding te brengen. Het hof zal daartoe niet meer de gelegenheid geven. Van Van Mossel mocht worden verlangd dat zij dit rapport uit zichzelf in het geding had gebracht (HR 9 maart 2012, LJN: BU9204, HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077). Dat het rapport te kort voorafgaand aan de zitting gereed was, dient voor haar risico te komen. Het vonnis van de rechtbank dateert van 17 juli 2019, de appeldagvaarding van 17 oktober 2019 en de memorie van grieven van 14 januari 2020. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Van Mossel heeft dus ruimschoots de tijd gehad om het onderzoek te laten verrichten en een rapport te laten opmaken.”
onderdeel 5.1klagen Van Mossel c.s. dat het hof in rov. 3.9.4 op onjuiste en ontoereikende gronden heeft geweigerd om hen de gelegenheid te bieden om een rapport van Hoffmann bedrijfsrecherche alsnog in het geding te brengen, en dat het met zijn oordeel dat van “
Van Mossel mocht worden verlangd dat zij dit rapport uit zichzelf in het geding had gebracht” miskent dat de procesregel [31] die inhoudt dat dit ten minste tien dagen voor de behandeling moet gebeuren, het nu juist verhinderde om dit rapport ‘uit zichzelf in het geding’ te brengen.
voor risico” van Van Mossel c.s. zou komen.
te laatin het geding brengen van schriftelijke stukken geldt het volgende.
In dergelijke gevallen is het van belang dat deze informatie in de procedure kan worden betrokken”. [40]
breukvormen met de rechtspraak van de Hoge Raad, zoals is betoogd door onder meer Coenraad. Het wettelijke
uitgangspuntis nu namelijk dat te laat ingediende stukken buiten beschouwing blijven. [41]
codificatievan de rechtspraak van de Hoge Raad. Dit is in de literatuur verdedigd door onder meer Ernste. [45] Ook Steenberghe c.s. lijken op die lijn te zitten (‘
de nieuwe regeling wijkt niet wezenlijk af van art. 85 (oud) Rv en de op art. 19 (oud) Rv gebaseerde jurisprudentie’). Zij schrijven echter ook dat het uitgangspunt van de huidige bepaling ‘
een strengere benadering lijkt te impliceren.’ [46]
van Van Mossel mocht worden verlangd dat zij dit rapport uit zichzelf in het geding had gebracht’ en de vervolgens genoemde arresten, zal dit het kader zijn dat beschreven is onder 4.52: een aanbod om schriftelijke stukken in het geding te brengen hoeft de rechter niet te honoreren, omdat een partij dat uit zichzelf kan en moet doen.
te laatindienen van stukken; de reden dat het aanbod door Van Mossel c.s. is gedaan en dat zij niet uit eigen beweging de stukken hebben ingediend, is immers dat de stukken niet meer binnen de termijn konden worden ingediend. M.i. gaat het te ver om een partij die ermee geconfronteerd wordt dat zij niet binnen de termijn van tien dagen stukken kan aanleveren, daar om die reden vanaf ziet en vervolgens verzoekt die stukken alsnog in te mogen dienen, tegen te werpen dat zij hoe dan ook de stukken eerst had moeten indienen om het verzoek te kunnen bespreken. Overigens ligt het dan wel voor de hand om dat verzoek
vóórde mondelinge behandeling te doen (dus ergens in de periode van tien dagen voor de mondelinge behandeling) en niet, zoals Van Mossel c.s. deden,
tijdensdie mondelinge behandeling.
kondenworden ingediend, door de rechter meegenomen worden. [50]
3.9.5. Van Mossel heeft hetgeen zij [verweerster] in het kader van de verduistering verwijt, zeer uitvoerig en gedocumenteerd doorgegeven aan politie en justitie door middel van een aangifte en aanvullingen op die aangifte. Het gaat daarbij om dezelfde stellingen en gegevens die zij in deze procedure heeft aangevoerd en overgelegd. De Officier van Justitie heeft besloten [verweerster] niet strafrechtelijk te vervolgen. Van Mossel heeft daartegen een klaagschrift ex artikel 12 Sv Pro ingediend bij dit hof. Daarop is afwijzend beslist. In het kader van het beklag ex artikel 12 Sv Pro is aan Van Mossel het strafdossier van [verweerster] verstrekt. [Verweerster] heeft aangevoerd dat alle digitale gegevensdragers waarop Van Mossel bewijsbeslag heeft gelegd al in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn onderzocht. Het hof is van oordeel dat Van Mossel daarom geen gelegenheid hoeft te worden gegeven om nu eerst nog een vordering ex artikel 843a Rv aanhangig te maken teneinde alsnog deze gegevensdragers te onderzoeken. Politie en justitie hebben die gegevensdragers immers al onderzocht, althans daar gaat het hof van uit omdat Van Mossel dat onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Van Mossel beschikt immers over het strafdossier en zij heeft er voor gekozen dat dossier niet in het geding te brengen. Zij heeft hierdoor het hof de mogelijkheid onthouden om te controleren of de gegevensdragers zijn onderzocht, op welke wijze dat is gebeurd en wat daarvan de uitkomst was. Uit artikel 21 Rv Pro volgt dat Van Mossel het strafdossier in het geding had moeten brengen. Dat zij dat niet heeft gedaan, dient voor haar risico te komen. Het hof ziet geen aanleiding om Van Mossel nog in de gelegenheid te stellen het strafdossier in het geding te brengen. Tegen het belang van Van Mossel om dat nog te mogen doen, staat het belang van [verweerster] om onredelijke vertraging te voorkomen. [Verweerster] heeft met een exploot de datum vervroegd waarop Van Mossel van grieven moest dienen. Daarmee kon en moest het Van Mossel duidelijk zijn dat [verweerster] hechtte aan een voortvarend verloop van de procedure en dat is gelet op de verwijten die haar worden gemaakt en de forse vorderingen logisch en voor Van Mossel kenbaar (zie bijvoorbeeld de slotopmerkingen in het pleidooi van haar advocaat tijdens de zitting bij de rechtbank).
onderdeel 6.1klagen Van Mossel c.s. dat het feit dat aan Van Mossel c.s. het strafdossier betreffende verweerster verstrekt is, niet meebrengt dat Van Mossel c.s. dit dossier ‘dus’ in dit civiele geding zouden hebben moeten overleggen. Daargelaten of zij dat wel mochten, is het overleggen daarvan geen efficiënte manier van procederen. Bovendien lag het eerder op de weg van verweerster dat strafdossier over te leggen. Nu verweerster dit niet heeft gedaan, mocht het hof niet zelf uitgaan van de veronderstelling dat alle gegevensdragers waarop Van Mossel c.s. zich beroepen reeds onderzocht zouden zijn. Daarmee is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Het is niet Van Mossel c.s. maar verweerster die het hof de mogelijkheid heeft onthouden om te onderzoeken of de gegevensdragers zijn onderzocht.
onderdeel 6.3is ontoelaatbaar onduidelijk wat het hof bedoelt met zijn oordeel dat “
zodoende (…) niet inzichtelijk en controleerbaar” is wat wel en wat niet kon worden onderzocht, met welk oordeel het hof volgens Van Mossel c.s. doelt op het, zoals het hof constateert in rov. 3.9.6, door Van Mossel c.s. overleggen van “
heel specifieke gegevens (....) waaruit volgens haar de betrokkenheid van [verweerster] blijkt”. Immers, juist de verschafte specifieke gegevens (onderdeel 4.2 en onderdeel 7) wijzen volgens Van Mossel c.s. op de betrokkenheid van verweerster en als de juistheid daarvan komt vast te staan, dan is niet van belang wat er verder wel of niet is onderzocht, aldus de klacht. Daarnaast klagen Van Mossel c.s. dat ’s hofs oordeel des te onbegrijpelijker is, omdat zij aangeboden hebben om nader onderzoek te laten doen waarmee de gestelde gegevens nader kunnen worden onderbouwd. [51] In elk geval is ontoelaatbaar onduidelijk en daarmee onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat aan Van Mossel c.s. “
een selectieve gegevensverstrekking” verweten zou kunnen worden.
to the point. Daarmee was er ook geen aanleiding (of rechtsgrond) voor het hof om het verzoek al dan niet toe te staan.
sturinggeven aan het proces van informatievergaring. Zie de memorie van toelichting: [56]
De regierol van de rechter is in deze fase er vooral op gericht de informatiegaring en bewijsverzameling voorafgaand aan een procedure zo efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden. De voor deontvankelijkheid van het informatieverzoek vereiste kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft, biedt de rechter de mogelijkheid adequaat sturing te geven aan de behoefte aan informatie en het vinden van een oplossing van het geschil. Daarbij kan de rechter proberen om door enige inkadering van het dreigende of ontstane geschil te voorkomen dat het geschil onnodig wordt gejuridiseerd of tussen partijen escaleert. Ook in deze voorfase van de procedure geldt dat de rechter steeds de partijautonomie moet respecteren. Met inachtneming hiervan kan de rechter in samenspraak met partijen overleggen wat de meest passende bewijsverrichting is voor het verkrijgen van de nog ontbrekende informatie of het vastleggen van bepaald bewijsmateriaal. Als de rechter van oordeel is dat ook op een andere, minder bezwaarlijke wijze de verzochte informatie kan worden verkregen of veiliggesteld, kan hij dit aan partijen voorleggen. De verzoeker kan de suggestie van de rechter overnemen of volharden in de door hem verzochte bewijsverrichting.”
onderdeel 7.1klagen Van Mossel c.s. dat zij een aantal concrete, specifieke en ter zake dienende bewijsaanbiedingen (a tot en met t) hebben gedaan en dat ’s hofs oordeel in rov. 3.9.7 dat de “meeste” bewijsaanbiedingen van Van Mossel c.s. niet dienend zouden zijn, onjuist en/of onbegrijpelijk is. Hierbij gaat het om de volgende bewijsaanbiedingen: [57]
onderdeel 7.2blijven er, zelfs als volgens het hof ‘de meeste bewijsaanbiedingen niet dienend zijn’, nog wel ter zake diende bewijsaanbiedingen over.
onderdeel 7.3klagen Van Mossel c.s. dat het hof ten opzichte van alle concrete en specifieke bewijsaanbiedingen niet kan volstaan met een ongemotiveerde verwerping daarvan.
onderdeel 7.4heeft het hof zich schuldig gemaakt aan een verboden prognose door te overwegen dat nog steeds niet verklaard kan worden dat verweerster posten heeft opgenomen op de vragenrekening, nu uit het aangeboden bewijs wèl kan volgen dat dit te verklaren valt, zoals Van Mossel c.s. al hebben betoogd, en het hof zijn desbetreffende oordeel pas had mogen geven na deze bewijslevering.
onderdeel 7.5ook niet in te zien dat en waarom een door verweerster op een bepaald onderdeel gevoerd verweer, waarvan de juistheid is bestreden, zou kunnen leiden tot verwerping van alle specifieke en ter zake dienende bewijsaanbiedingen.
onderdeel 7.6klagen Van Mossel c.s. dat het oordeel van het hof in rov. 3.9.7 dat aan “
bewijslevering niet toegekomen dient te worden gelet op de selectieve gegevensverstrekking” onjuist en/of onbegrijpelijk is.
onderdeel 7.7in dat het hof in elk geval zijn verwerping van alle specifieke bewijsaanbiedingen ontoereikend heeft gemotiveerd.
onder aen
onder pzien op het aanbod om door het instellen van een art. 843a Rv-vordering bewijs te leveren. Hiervoor, bij de bespreking van onderdeel 6, is al aan de orde gekomen dat een partij zich niet met succes in cassatie erover kan beklagen dat het aanbod om bewijs te leveren door het instellen van een vordering tot inzage in of afgifte van bescheiden is gepasseerd. De klacht kan op deze punten derhalve niet slagen.
bewijsaanbod onder q, om aanvullend bewijs te leveren door het inschakelen van een forensisch onderzoeksbureau. Ook hiervoor verwijs ik naar de bespreking van onderdeel 6.
3.9.7. Van Mossel heeft heel veel stellingen betrokken en ook veel gegevens in het geding gebracht. Waar het om gaat is dat Van Mossel, alvorens toegelaten te kunnen worden tot bewijslevering, concrete stellingen moet betrekken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van [verweerster] ten aanzien van de haar verweten gedragingen / nalaten met betrekking tot de gestelde verduistering. En als Van Mossel voldoende concrete stellingen heeft betrokken waarmee voldaan kan worden aan het hiervoor weergegeven criterium, dan dient ook nog sprake te zijn van een voldoende concreet bewijsaanbod en het bewijsaanbod moet dienend zijn. Het hof is van oordeel dat de meeste bewijsaanbiedingen niet dienend zijn. Indien Van Mossel bewijst hetgeen zij heeft aangeboden te bewijzen, rijmt daarmee nog steeds niet dat [verweerster] posten heeft opgenomen op de vragenrekening (hetgeen tussen partijen vaststaat) in plaats van deze weg te boeken. Ook voor de gestelde onrechtmatige publicatie en computervredebreuk geldt dat Van Mossel concrete stellingen moet betrekken alvorens toegelaten te kunnen worden tot bewijslevering. Het opwerpen van vragen en het insinueren van wetenschap en/of betrokkenheid van [verweerster] door te stellen dat het niet anders kan dan dat daarvan sprake is geweest, acht het hof onvoldoende in het licht van het partijdebat en het oordeel van de rechtbank. Los daarvan is het hof van oordeel dat aan bewijslevering niet toegekomen dient te worden gelet op de selectieve gegevensverstrekking, zoals hiervoor overwogen.”
Uit artikel 21 Rv Pro volgt dat Van Mossel het strafdossier in het geding had moeten brengen”). Ik neem aan dat het hof ook met betrekking tot het niet in het geding brengen van de onderzoeken verricht door FOX-IT en Secure Advance B.V., van oordeel is dat Van Mossel c.s. gehandeld hebben in strijd met art. 21 Rv Pro. Weliswaar is dat niet expliciet overwogen in rov. 3.9.6, maar in de eerste zin van rov. 3.9.6 staat “
Om dezelfde reden (…)” (dus dezelfde reden als vermeld in rov. 3.9.5).
stellingen hebben ingenomen, maar dat zij bepaalde
bewijsstukkenten onrechte niet in het geding hebben gebracht. In de woorden van het hof: selectieve gegevensverstrekking. Art. 21 Rv Pro ziet daar echter niet op; dat heeft betrekking op het innemen (aanvoeren) van onjuiste of onvolledige stellingen ten aanzien van de feiten.
stellingengeldt art. 21 Rv Pro; voor
bewijsstukkengeldt de substantiërings- en bewijsaandraagplicht van art. 85 lid Pro 1, art. 111 lid 3 en Pro art. 128 lid 5 Rv Pro.
Artikel 21 verplicht Pro partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Andere processuele informatieverplichtingen die in 2002 zijn ingevoerd, zijn de substantiërings- en bewijsaandraagplicht in artikel 111, derde lid, voor de eiser en in artikel 128, vijfde lid, voor de gedaagde. De substantiëringsplicht verlangt van de eiser dat hij de door de gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor in de dagvaarding vermeldt. Deze verplichting veronderstelt dat partijen in de voorfase van de procedure met elkaar over het geschil hebben gesproken. De bewijsaandraagplicht heeft betrekking op bewijsmateriaal ter staving van de door de gedaagde betwiste gronden van de vordering voor zover die aan de eiser bekend zijn gemaakt respectievelijk ter staving van de gronden van het verweer. (…) Naast de bewijsaandraagplicht moet de gedaagde alle excepties en het verweer ten gronde in hetzelfde, eerste en in beginsel enige schriftelijke processtuk naar voren brengen. Deze verplichtingen alsook de algemene, op het materiële recht berustende stelplicht van partijen om de feiten ter onderbouwing van hun vordering, verweer of verzoek aan te dragen, worden versterkt door de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro.”
het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure “uit de verf komt”.’ [93]
eersteplaats kan de rechter gebruik maken van de bevoegdheid van art. 22 lid 1 Rv Pro om een partij op te dragen alsnog de desbetreffende stukken in het geding te brengen. In de
tweedeplaats kan de rechter oordelen dat – bij gebreke aan een bepaald bewijsstuk – een bepaalde stelling als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd. In beginsel is het aan de rechterlijke vrijheid overgelaten om te beslissen welk pad wordt bewandeld.
uitgebreid(mijn onderstreping): [96]
In het voorgestelde derde lid wordt de sanctie op het niet naleven van de waarheids- en volledigheidsplicht, bestaande in de gevolgtrekking die de rechter geraden acht,ook van toepassingop het verzuim om te voldoen aan de verplichting tot informatiegaring en bewijsverzameling.”
Net als in het huidige recht kan de sanctie van de geraden gevolgtrekking, afhankelijk van de aard en ernst van het procesrechtelijke verzuim, bestaan uit een andere waardering van de feitelijke stellingen of het bewijsmateriaal ten nadele van de nalatige partij. Buiten het bewijsrechtkan de sanctie leiden tot een andere verdeling van de proceskostenvergoeding.De sanctie van de geraden gevolgtrekking mag niet leiden tot een volledige bewijsuitsluiting. Dat zou strijdig zijn met de dynamiek van het civiele proces en het voortschrijdend inzicht van partijen bij de rechteren in het bijzonder afbreuk doen aan de waarheidsvinding in de procedure. Verkeerde inschattingen in de voorfase over wat wel en niet relevant is voor de beslissing van de rechter, moeten partijen in de procedure kunnen herstellen. Partijen houden de mogelijkheid om in de procedure nieuwe informatie te overleggen, maar verrassings- en vertragingstactieken of anderszins inefficiënt procederen zijn niet toelaatbaar.”
nietde bevoegdheid heeft een partij uit te sluiten van verdere bewijslevering omdat zij bepaalde stukken niet in het geding heeft gebracht; de relevante wettelijke bepalingen bieden daarvoor geen grondslag. Onder het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de rechter in zo’n geval wel de mogelijkheid om ‘geraden gevolgtrekkingen’ te maken, maar dan nog is het de rechter niet toegestaan om een partij volledig uit te sluiten van bewijslevering.
ter zake dienendals het betrekking heeft op feiten die voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering of de gegrondheid van het verweer van belang kunnen zijn. [100] Zijn de feiten waarop een bewijsaanbod betrekking heeft niet relevant voor de beoordeling van het geschil, dan kan de rechter het aanbod als niet ter zake dienend passeren. [101] Een bewijsaanbod is evenmin ter zake dienend als het betrekking heeft op de juridische waardering van feiten, omdat een rechtsoordeel zich niet leent voor bewijslevering. [102]
in het door Van Mossel geschetste scenario’ niet verklaard is dat verweerster posten heeft opgenomen op de vragenrekening in plaats van deze weg te boeken, is dat oordeel ook niet steekhoudend. Door Van Mossel c.s. is uitvoerig betoogd dat alle frauduleuze betalingen hebben plaatsgevonden vanaf de ING-rekening waar alleen [de financieel directeur] en verweerster toegang tot hadden; [103] dat verweerster en [de financieel directeur] ervoor hebben gezorgd dat toen binnen Van Mossel c.s. was besloten deze rekening op te heffen, één klant toch is blijven betalen op de rekening; [104] dat verweerster en [de financieel directeur] geprobeerd hebben om extra gelden op deze rekening te laten bijschrijven; [105] dat verweerster betalingen heeft klaar gezet zonder onderliggende factuur terwijl dat zeer ongebruikelijk was binnen Van Mossel c.s.; [106] dat er, eveneens zeer ongebruikelijk, betalingen zonder factuur naar buitenlandse rekeningen door verweerster zijn klaargezet; [107] dat betalingen zonder factuur naar vreemde begunstigden door verweerster zijn klaargezet; [108] dat verweerster persoonlijk, zonder daarvan melding te maken aan Van Mossel c.s., een volstrekt ongebruikelijke ‘gift’ van € 8.000,- heeft ontvangen van [de financieel directeur] als ‘bedankje voor de goede samenwerking’, nadat zij eerder een cash-opname ter hoogte van dit bedrag door [de financieel directeur] van de ING-rekening had geaccordeerd; [109] dat alle frauduleuze betalingen van de ING-rekening, zonder factuur, in tegenstelling de normale betalingen waaraan wel een factuur ten grondslag lag, én bedragen boven de € 10.000,- én ronde bedragen waren; [110] dat verweerster, in strijd met de regels, bedragen heeft opgeknipt in meerdere batches om onder het maximum van € 20.000,- te blijven waarvoor [de financieel directeur] tekeningsbevoegd was; [111] dat verweerster geholpen heeft bij het verbergen van de frauduleuze betalingen in de administratie van de Van Mossel Groep; [112] dat verweerster afschriften van de ING-rekening heeft weggemaakt en de digitale banktoegang tot de ING-rekening herhaaldelijk heeft geblokkeerd. [113]
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onderdeel 1is het oordeel van het hof in rov. 3.6.3 dat relevant is dat ‘de gebruikelijke gang van zaken’ zou zijn dat verweerster de betalingen klaarzette voor [de financieel directeur] die dan de betaling uitvoerde met een tancode, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van de stellingen van verweerster:
onderdeel 2klaagt verweerster dat evenzeer onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is het oordeel in rov 3.6.5, dat “
Eenmaal uitgevoerde betalingen moesten worden verwerkt in de administratie. Dat was de taak van [verweerster].” Indien het hof daarmee heeft willen oordelen dat verweerster de administratie voerde en derhalve (eind)verantwoordelijk was voor de controle (op juistheid) van de boekingen, miskent het hof dat verweerster slechts de toewijzing van de boekingen deed en niet verantwoordelijk was voor de controle van de boekingen, alsook dat de boekingen op de vraagpost [nummer] terecht kwamen in de boekhouding van Schadecentrum Waalwijk en zichtbaar waren op de vragenrekening zelf en op de balans, [118] aldus de klacht.
onderdeel 3geklaagd dat het oordeel in rov. 3.6.5 dat bepaalde boekingen tot vragen hadden moeten leiden, alsmede het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 dat het hof op grond van de stellingen en de door Van Mossel c.s. overgelegde stukken wel ervan overtuigd is dat verweerster onoplettend is geweest, onbegrijpelijk is, althans niet toereikend is gemotiveerd.