Conclusie
verzoekster tot cassatie,
(hierna: de moeder),
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
verweerster in cassatie,
(hierna: de GI),
niet verschenen.
(hierna: de vader), en
(hierna: de pleegouders),
allen niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
Bij eindbeschikking van 21 september 2021 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 27 februari 2020 bekrachtigd voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, en het meer of anders verzochte afgewezen. [8]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel(onder 2.1.1 en 2.1.2 van de procesinleiding) richt achtereenvolgens klachten tegen rov. 2.8 en rov. 2.7 van de eindbeschikking, waar het hof als volgt heeft overwogen:
Onder 2.1.2verwijst het onderdeel naar de zevende volzin van rov. 2.7 (‘De enkele omstandigheid (…) zou mogen volgen.’). Het onderdeel betoogt dat gezien het voorgaande sprake is van veel meer dan louter teleurstelling van de moeder omtrent (de uitkomsten van) het rapport dan wel de uitvoering van het onderzoek en klaagt dat het oordeel van het hof ook hierom rechtens onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Dit klemt aldus het onderdeel te meer daar de moeder ook in haar reactie op het NIFP-rapport nadrukkelijk de noodzaak tot uithuisplaatsing ter discussie heeft gesteld.
In de beschikking van 19 november 2019 heeft de kinderrechter reeds geconstateerd dat de ouders heel graag willen zorgen voor [de zoon], maar dat zij daarin onmachtig zijn. De advocaten van de ouders hebben aangevoerd dat er nieuwe informatie is aangeleverd en dat de kinderrechter opnieuw met een frisse blik naar de verlenging van de uithuisplaatsing zou moeten kijken. De kinderrechter heeft dat zeker gedaan. De kinderrechter is van oordeel dat er geen nieuwe informatie of nieuwe feiten zijn aangeleverd die maken dat [de zoon] nu wel thuisgeplaatst kan worden. De kinderrechter volgt dan ook de beoordeling uit de beschikking van 19 november 2019, waarin gemotiveerd is aangegeven dat de ouders graag willen, maar niet kunnen zorgen voor [de zoon].’
ultimum remediummag worden toegepast, dat het moet gaan om een reëel risico op feitelijke en ernstige schade voor het kind, dat die omstandigheden aangetoond moeten zijn en actueel en dat er een fair balance moet worden gezocht tussen de verschillende belangen, waarbij de maatregel proportioneel moet zijn, dat het een tijdelijke maatregel betreft, die moet worden opgeheven zo snel als de omstandigheden dit toelaten, en dat, kort gezegd, gezinshereniging voorop dient te staan (33-38). Volgens de moeder heeft de rechtbank een onrechtmatige belangenafweging gemaakt in strijd met het belang van de zoon en de belangen van de moeder (39).
Deze deskundige zal worden verzocht een persoonlijkheidsonderzoek bij zowel de moeder als bij de vader af te nemen, waarin ook de pedagogische opvoedvaardigheden van de ouders tezamen en los van elkaar zullen worden betrokken, alsmede de vraag of de ouders in staat zijn te mentaliseren en responsief en sensitief op [de zoon] te reageren.
2. Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn?
3. Wat zijn de specifieke pedagogische en affectieve behoeften van [de zoon]?
Het tweede onderdeel faalt.
Ik verwijs voor de reactie naar
productie 7. Uit hun analyse blijkt onder meer:
Ook het derde onderdeel faalt.