Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof eerst de verdachte wenst te bevragen, alvorens te beslissen op de onderzoekswensen van de verdediging.
De verdachte legt, door het hof ondervraagd, de navolgende verklaring af:
Ik ben speciaal voor deze zitting naar Amsterdam gereisd vanuit Bologna, waar ik op dit moment nog studeer. Het plan is dat ik volgend jaar in maart zal afstuderen.
Op 17 april 2017 ben ik op Schiphol aangehouden. Ik was daarvoor met het vliegtuig vanuit Bologna via Frankfurt naar Lissabon gereisd. Dat ik naar Lissabon zou vliegen, is bedacht door [betrokkene 2] , de voorzitter van de Kamer van Koophandel. Hij zei tegen mij dat mijn vliegticket al was gekocht. Daarom ben ik deze route gereisd. Ik ken [betrokkene 2] niet, maar [betrokkene 1] , de voorzitter van mijn studentenvereniging, had mij gevraagd contact op te nemen met [betrokkene 2] . [betrokkene 1] zei dat [betrokkene 2] mijn reis zou regelen.
De voorzitter houdt mij voor dat ik van plan was om naar China te reizen en vraagt mij waarom ik een wildvreemde mijn vliegticket heb laten boeken. [betrokkene 1] had het vliegticket al aan mij gegeven en heeft daarna tegen mij gezegd dat ik contact moest opnemen met [betrokkene 2] als ik in Lissabon zou zijn aangekomen. [betrokkene 1] zei tegen ons dat wij naar Lissabon moesten reizen om bagage mee te nemen. Met ‘ons’ bedoel ik de andere studenten en bestuursleden van de vereniging. Alleen als je bagage voor [betrokkene 2] zou meenemen, zou je een gratis vliegticket naar China krijgen.
De voorzitter houdt mij voor dat een dergelijk vliegticket ongeveer € 1.000,00 kost en vraagt of ik bij deze gang van zaken vraagtekens heb gezet. Ja, dat heb ik wel gedaan.
Tijdens de vergadering waarin [betrokkene 1] dit tegen ons zei, hebben wij, de studenten, aan hem gevraagd wat er in de bagage zit. Hij zei tegen ons dat er kleine vis in de bagage zat. Van die vis kun je gerechten maken. Hij zei niet om wat voor soort vis het ging; hij heeft geen naam van de vissoort genoemd. Hij heeft ook niet gezegd dat het levende vis betrof.
Op de vraag of ik dacht dat het dode of levende vis was, antwoord ik dat ik dacht aan gerechten met dode vis. Op de vraag of ik er over na heb gedacht of en, zo ja, hoe de dode vis gedurende de lange reis goed kon blijven antwoord ik dat ik daar niet bij heb stilgestaan.
Wij, de studenten, hebben aan [betrokkene 1] gevraagd of dit legaal is, omdat wij de wet niet willen overtreden. Hij zei: “Het is helemaal geen probleem”. Ik vertrouwde hem. Ten eerste, omdat hij de voorzitter van de studentenvereniging was. Wij organiseren met die vereniging activiteiten om de Chinese cultuur naar voren te brengen. Dat is één van de redenen waarom ik hem vertrouw. Daarnaast vertrouwde ik hem, omdat [betrokkene 1] tegen ons heeft gezegd dat hij nog geen verblijfsvergunning had en hij anders zelf naar China had kunnen gaan. Ik hoor dat de voorzitter opmerkt dat één en ander niet blijkt uit de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] , waarin hij zegt dat hij mij en [betrokkene 2] slechts met elkaar in contact heeft gebracht en verder van niets weet.
De voorzitter vraagt mij wanneer ik [betrokkene 2] voor het eerst heb gezien. Ik heb hem nog nooit gezien. Toen ik in Lissabon aankwam, kwamen er twee personen naar mij toe. Eén van deze personen is [betrokkene 3] , de naam van de andere persoon weet ik niet. Ik kende [betrokkene 3] daarvoor niet. Op de vraag hoe [betrokkene 3] wist dat hij naar mij toe moest komen, antwoord ik dat [betrokkene 1] tegen mij heeft gezegd dat ik in Lissabon door twee personen zou worden opgehaald.
Op de vraag hoe zij wisten hoe ik eruit zag antwoord ik dat er ook een vrouw met mij reisde. Deze vrouw heb ik op het vliegveld in Bologna ontmoet. Zij was niet bij de vergadering met [betrokkene 1] , ik kende haar niet. Ik had via WeChat contact met [betrokkene 2] . Ik weet niet waarom deze vrouw mee reisde, maar [betrokkene 2] heeft tegen mij gezegd dat zij met mij mee zou gaan. Op de vraag hoe ik in Bologna wist welke vrouw het was, antwoord ik dat [betrokkene 2] mij haar WeChat-nummer had gegeven. Ik kon haar herkennen, omdat bij het WeChat-nummer ook een profielfoto staat.
De voorzitter houdt mij voor dat ik ten overstaan van de NVWA heb verklaard dat [betrokkene 2] mij met de vrouw in contact heeft gebracht en vraagt mij of ik daarmee bedoelde dat dat via de telefoon gebeurde. Ja, ik heb [betrokkene 2] nog nooit gezien, maar wel contact met hem gehad via WeChat.
Op de vraag of ik met [betrokkene 4] heb besproken waarom wij samen reisden en wat wij gingen doen, antwoord ik dat ik haar in Bologna meteen de vraag heb gesteld wat er in de door ons mee te nemen bagage zat. Ik had namelijk het gevoel dat zij meer wist dan ik. Zij zei toen dat zij ook niet wist wat er in de koffers zat, maar dat het in ieder geval geen problemen zou opleveren. Waarom ik dat aan haar vroeg terwijl ik al wist dat er vis in de koffers zat? [betrokkene 1] had dat tegen ons gezegd maar ik wist het niet zeker.
De voorzitter houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik [betrokkene 1] vertrouwde. Ik vertrouwde hem inderdaad, maar ik wilde het toch aan [betrokkene 4] vragen. Ik geloofde wat zij tegen mij zei. Ik vertrouw anderen te snel.
De voorzitter houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik haar helemaal niet kende. Dat is zo. Eigenlijk geloofde ik in eerste instantie [betrokkene 1] . Vervolgens wilde ik het bij haar verifiëren.
De voorzitter houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik dacht dat deze vrouw meer wist dan ik en vraagt wat ik nog meer wilde weten dan ik al wist. Ik vond het wel een beetje vreemd, want ik heb [betrokkene 2] nog nooit gezien en [betrokkene 1] heeft gezegd dat de gratis vliegtickets alleen voor studenten van de studentenvereniging waren terwijl de vrouw niet bij de studentenvereniging was aangesloten. Daarom was ik nieuwsgierig.
De voorzitter vraagt of ik het vliegticket al in Bologna heb gekregen. Ik had [betrokkene 1] mijn gegevens gestuurd. Hij heeft mij het reisschema gestuurd en zei dat het ticket al voor mij was gekocht. Hoe ik weet dat [betrokkene 2] bestaat? [betrokkene 1] heeft mij verteld dat ik na aankomst in Lissabon contact kon opnemen met [betrokkene 2] . De voorzitter houdt mij voor dat al mijn contact met [betrokkene 2] via het internet is verlopen. Ik denk dat hij bestaat, omdat op WeChat een foto van hem staat.
Op de vraag of ik gedurende de reis van Bologna naar Lissabon met de medeverdachte [betrokkene 4] heb gesproken, antwoord ik dat wij in eerste instantie naast elkaar zaten maar later niet meer. Ik heb aan haar gevraagd of zij studeerde, waarop zij zei dat dat niet het geval was. Zij vertelde dat zij werkte in een bar in Bologna.
Op de vraag of ik aan [betrokkene 4] heb gevraagd of zij [betrokkene 1] kende, antwoord ik dat ik dat inderdaad aan haar heb gevraagd. Zij antwoordde hierop dat zij [betrokkene 1] niet kende, maar [betrokkene 2] wel. Toen wij in Lissabon aankwamen, belde zij uit. Ik weet niet met wie. Korte tijd later kwamen er twee personen naar ons toe op het vliegveld. Er waren daar niet veel mensen, het was ‘s avonds. Op de vraag of ik [betrokkene 4] al kende, antwoord ik dat ik dat niet met zekerheid durf te zeggen, maar volgens mij wel. Ik weet ook niet of zij belde of dat zij gebeld werd. Op de vraag hoe de begroeting tussen [betrokkene 4] en die twee mensen op het vliegveld van Lissabon verliep, antwoord ik dat ik daar niet goed op heb gelet. Eén van die personen stelde zichzelf voor als ‘ [betrokkene 3] ’. Volgens mij heeft hij wel een volledige naam gezegd, maar ik heb alleen de familienaam onthouden. Het was een Chinese man. Wij hebben met zijn vieren koffie gedronken. Daarmee bedoel ik: [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en nog iemand en ik. Op de vraag of er toen nog is gesproken over de inhoud van de koffers, antwoord ik dat er is gevraagd: “Wat zit er in jullie koffer”.
Op de vraag waarom ik dacht dat [betrokkene 3] iets met de koffers te maken had, antwoord ik dat [betrokkene 1] tegen mij heeft gezegd dat wij in Lissabon door twee personen zouden worden opgehaald. Die mensen zouden ons de bagage geven.
De voorzitter houdt mij voor dat, volgens mijn verklaring, [betrokkene 1] veel informatie/details aan mij heeft verschaft met betrekking de reis en de koffers. Nee, [betrokkene 1] heeft alleen de naam [betrokkene 2] genoemd.
Wie tegen mij heeft gezegd dat ik [betrokkene 3] zou ontmoeten in Lissabon? Niemand had mij over [betrokkene 3] verteld. [betrokkene 1] heeft gezegd dat ik contact moest opnemen met [betrokkene 2] als ik aankwam in Lissabon. [betrokkene 2] heeft vervolgens gezegd tegen mij gezegd dat die mensen mij zouden ophalen in Lissabon. Als ik spreek over ‘gezegd’ dan bedoel ik daarmee via WeChat.
Dit is al een tijd geleden gebeurd. Misschien heb ik niet de hele gebeurtenis in mijn hoofd. Ik ben bezig om de herinneringen op te halen.
De voorzitter houdt mij voor dat [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat er vis in de koffers zat. Ik moet nadenken. Volgens mij heb ik dat tijdens het koffiedrinken aan hem gevraagd en heeft hij dezelfde dingen tegen mij gezegd als [betrokkene 1] . Ik werd er dus inderdaad niet veel wijzer van.
Het koffiedrinken op de luchthaven van Lissabon ging heel snel. Daarna werd ik door [betrokkene 3] en die andere persoon gevraagd om in een auto te stappen. [betrokkene 4] en ik stapten gewoon in. Ik heb gevraagd waar wij naartoe gingen. Zij zeiden dat wij naar een andere stad moesten, heel ver weg, omdat onze volgende vlucht vanuit die stad zou vertrekken. Ik dacht dat de vlucht vanuit Lissabon zou vertrekken. Ik begon een klein beetje bang te worden. Ik heb aan [betrokkene 4] en die twee anderen gevraagd of wat wij deden legaal was en ik heb daarbij gezegd dat ik student ben en er niets mee te maken wil hebben als het niet legaal is. Zij zeiden dat ik mij geen zorgen hoefde te maken omdat het legaal was en zij hebben mij getroost. Ik heb tegen hen gezegd dat ik bang was.
De voorzitter vraagt waarom ik niet in de koffer heb gekeken om te kijken wat er in zat. De koffers zijn nooit in mijn handen geweest. De voorzitter houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de bagage in Lissabon op mijn naam is ingecheckt. Ik weet het ook eigenlijk niet. Ik weet nu ook niet zeker meer of we eerst in Lissabon en daarna Porto waren, of andersom. Ik heb die bagage in ieder geval nooit aangeraakt. De bagage kwam tijdens de lange autorit in de nacht. Ik ben in die auto in slaap gevallen. Ik zag de koffers volgens mij voor het eerst op de luchthaven van Lissabon. De koffers werden geduwd door die twee personen, zij volgden ons. Volgens mij is de bagage niet in de auto geweest, ik heb in de auto geen koffers gezien. Ik heb niet goed gezien hoe de koffers er precies uit zagen, ze waren donker van kleur. Ik weet niet of de koffers op slot waren, ik heb daar niet op gelet.
Eén van de twee personen had de paspoorten van [betrokkene 4] en mij in zijn hand; zij zijn ermee naar de balie gegaan om in te checken. Zij hebben de koffers meegenomen, niet ik.
De voorzitter houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik zelf heb ingecheckt. Toen wij bij de incheckbalie aankwamen, hebben de twee personen onze paspoorten getoond om de bagage in te checken. Wij stonden een beetje verderop, iets verder dan de balie, niet vlak ervoor. De baliemedewerker heeft inderdaad wel naar mijn gezicht gekeken. Dat weet ik, omdat zij opkeek vanaf de balie.
De voorzitter houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik de koffers zelf heb ingecheckt. Nee, dat is niet het geval. [betrokkene 4] heeft haar koffers ook niet ingecheckt, want zij stond bij mij. Die twee personen hebben onze koffers ingecheckt. De voorzitter houdt mij voor dat [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de koffers niet heeft ingepakt, maar wel zelf heeft ingecheckt. Ik weet niet waarom [betrokkene 4] liegt.
De voorzitter houdt mij voor dat ik bij de NVWA heb verklaard dat het mijn koffers zijn en dat ik ze heb ingepakt, maar dat ik later heb verklaard dat dat gelogen was omdat ik de koffers niet heb ingepakt. Ja, dat is een feit; ik heb ze niet ingepakt. Het is onmogelijk dat zoiets is opgeschreven. Ik lieg niet! De koffers zijn niet van mij en ik heb ze niet ingepakt. Het is absoluut niet waar. Ik heb zulke dingen niet gezegd. Ik heb tegen de politie gezegd dat de koffers niet van mij zijn. Ik wilde eigenlijk uitleggen dat de koffers niet van mij zijn en dat ik ze niet heb ingepakt.
De voorzitter vraagt of ik heb verzocht om de koffers te openen. Ja, in mijn herinnering heb ik dat aan die twee personen gevraagd om te kijken wat er in zat. Zij zeiden: “Dat hoeft niet, wees gerust”. Ik dacht toen terug aan wat [betrokkene 1] tegen mij had gezegd. Hij zei onder meer: “wees gerust, het is goed, er is geen probleem”.
Op de vraag of ik hierna opnieuw op deze wijze bagage voor een ander zou meenemen antwoord ik stellig (en heftig) nee! Ik zou het nooit meer doen, ook niet als het door een voorzitter aan mij gevraagd zou worden. Ik was echt dom in de zin dat ik mensen te snel vertrouw.
Na mijn veroordeling in eerste aanleg ben ik naar de Chinese ambassade gegaan. Daar heeft men contact opgenomen met [betrokkene 1] . De ambassade heeft hem verzocht een verklaring op te stellen dat ik onschuldig ben. De ambassade heeft hem gevraagd de waarheid te zeggen. [betrokkene 1] heeft een verklaring geschreven en ondertekend. Hij heeft mij beloofd mij te helpen te bewijzen dat ik niet wist dat deze gebeurtenis illegaal is.
Op de vraag of ik vind dat zijn schriftelijke statement dat bewijst antwoord ik dat dat daaruit volgens mij wel blijkt. Ik heb die verklaring gelezen. Nadat [betrokkene 1] de verklaring heeft opgesteld, heb ik geen contact meer met hem gehad. De verklaring dateert van vorig jaar, toen ik hoger beroep had ingesteld. [betrokkene 4] heb ik na deze gebeurtenis ook niet meer gezien. Wij komen niet uit dezelfde stad in China. Volgens mij woont zij nu in China. Dat weet ik, omdat ik zij in het openbare gedeelte van WeChat foto’s van China heeft gestuurd.
De voorzitter vraagt of ik in verband met deze zaak bang ben terug te keren naar China. Jawel, ik ben wel bang, omdat ik wil bewijzen dat ik onschuldig ben. Ik bèn namelijk onschuldig; ik heb er niets mee te maken. Ik hoop dat er rechtvaardigheid zal komen en dat het hof mijn naam zal zuiveren.
De voorzitter houdt mij voor dat als de in de bagage aangetroffen glasaal was uitgegroeid tot een pond per stuk, de verkoopwaarde daarvan in China in totaal tussen € 1.8 miljoen euro en € 4.8 miljoen euro had gelegen. Dat wist ik niet. Ik schrik ervan!
De voorzitter houdt mij voor dat het een beschermde diersoort betreft, die niet mag worden uitgevoerd. Zijn ze niet om te eten dan?
De voorzitter houdt mij voor dat ik vandaag heb verklaard dat ik dacht dat het gerechten met vis betrof en vraagt mij waarom men Chinese gerechten naar China zou brengen. Ik dacht dat het een gewone vis was om te eten, om gerechten van te maken. Op de vraag waarom men die vis dan niet in China zou hebben, antwoord ik dat ik dat niet weet.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik met [betrokkene 2] alleen contact heb gehad via WeChat en vraagt of dat contact slechts bestond uit chatberichten of ook uit telefonisch contact. Volgens mij was sprake van beide; er was namelijk ook ingesproken tekst. Ik ontving deze op mijn telefoon, dus volgens mij zijn er wel gegevens van. Op de vraag of ik deze gesprekken heb bewaard, antwoord ik dat mijn telefoon bij de douane ligt. Mijn telefoon is op 17 april 2017 in beslag genomen.
De oudste raadsheer vraagt mij of ik, nadat ik contact heb gehad met [betrokkene 3] , daarna nog contact heb gehad met [betrokkene 2] . Volgens mij is er sprake van een misverstand. Alleen [betrokkene 4] heeft op dat vliegveld contact met [betrokkene 2] gehad, ik niet.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik contact heb gehad met [betrokkene 3] toen ik met hem in de auto zat en vraagt of ik daarna nog contact heb gehad met [betrokkene 2] . Nee, volgens mij niet. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik voor het laatst via Wechat contact met [betrokkene 2] heb gehad.
(…)
De voorzitter geeft de raadsman, mede gelet op hetgeen vandaag ter terechtzitting is voorgevallen, in overweging dat de verdachte mogelijk gevaar loopt indien de getuige [betrokkene 1] in deze zaak wordt opgeroepen om als getuige te worden gehoord.
(…)
Het onderzoek ter terechtzitting wordt opnieuw onderbroken voor beraad in raadkamer.
Nadat het onderzoek is hervat, overhandigt de raadsman een artikel aan het hof met het verzoek dit in het dossier te voegen.
De voorzitter deelt vervolgens als overwegingen en beslissingen van het hof mede dat: