Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft de opzettelijke invoer van zakjes granulaat met de beschermde plantensoort Cost (Saussurea costus) uit China, waarbij de verdachte werd veroordeeld voor overtreding van de Wet natuurbescherming en EU-verordeningen. De verdediging voerde onder meer aan dat de strafbaarstelling onvoorzienbaar en onvoldoende duidelijk was, en dat sprake was van verontschuldigbare rechtsdwaling, waardoor afwezigheid van alle schuld zou gelden.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor het slagen van een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling, waarbij de verdachte in verontschuldigbare onbewustheid moet hebben gehandeld omtrent de ongeoorloofdheid van zijn gedraging. Het hof oordeelde dat de verdachte, gelet op zijn beroepsmatige betrokkenheid bij invoer van levensmiddelen en eerdere controles door de douane, extra oplettendheid had moeten betrachten. De informatievoorziening over de verboden status van Cost was onvoldoende duidelijk, maar dit ontslaat de verdachte niet van zijn zorgplicht.
De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onjuist en verwerpt het cassatiemiddel. Ook andere klachten leiden niet tot vernietiging van het hofarrest. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het hofarrest wordt bevestigd; de verdachte wordt niet ontslagen van rechtsvervolging.