Conclusie
[eiser 1]
[eiser 2]
adv.: mr. C.S.G. Janssens
[verweerder 1]
[verweerder 2]
[verweerder 3]
[verweerder 4]
adv.: mr. M.E. Bruning
[eisers]) stellen zich op het standpunt door koop en levering rechthebbende te zijn geworden van het visrecht van de Geërfden van Erlecom en vorderen onder meer een verbod op uitoefening van visrechten in het gebied door verweerders in cassatie (hierna in enkelvoud:
[verweerders]). [verweerders] pretendeert rechthebbende te zijn van visrechten in het betreffende gebied als rechtsopvolger van de heer van Ooij, en vordert in reconventie (samengevat) een verbod op uitoefening van de visrechten door [eisers] Het hof heeft de reconventionele vorderingen van [verweerders] toegewezen. Het heeft daartoe geoordeeld dat de visrechten in het gebied toebehoren aan de heer van Ooij en diens rechtsopvolgers, en dat de rechtsvoorgangers van [eisers] geen visrechten hebben verkregen door verjaring, overdracht of vestiging. In cassatie richt [eisers] verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen deze oordelen.
1.Inleiding; juridisch kader
2.Feiten
heerlijke visrechten van de Heerlijkheid Gendt met alle daaraan verbonden rechten en verdere gevolgen zoverre de Heerlijkheid Gendt zich uitstrekt” (hierna:
het heerlijk visrecht van Gendt). In de akte is verder onder meer vermeld: “
De grenzen van Heerlijkheid Gendt vallen voor wat betreft de buitendijkse gronden samen met de gemeentegrens van Gendt.”
rechterhelftvan de Waal, gelegen tussen kmr 869.900 en kmr 878.470.”
het visrecht van de Geërfden van Erlecom).
het betwiste gebied).
(...)
De grenzen van Heerlijkheid Gendt vallen voor wat betreft de buitendijkse gronden samen met de gemeentegrens van Gendt. De kadastrale ligging betreft de huidige kaarten GDTB5, GDTB6, GDTB7, GDTB8, GDTC4.”
Visrechten van derden.
linkerhelftvan de rivier wordt de visserij uitgeoefend:
rechterhelftvan de rivier wordt de visserij uitgeoefend:
3.Procesverloop
heerlijk visrecht van Gendtgeoordeeld dat – ook na de verzochte nadere toelichting – niet is komen vast te staan dat dit recht zich mede uitstrekt over het betwiste gebied (rov. 4.11). De rechtbank overweegt daartoe, samengevat, dat de akte van 29 augustus 2000 tussen [betrokkene 2, 3 en 4] en [eisers] vermeldt dat de grenzen van de heerlijkheid Gendt voor wat betreft de buitendijkse gronden samenvallen met de gemeentegrens van Gendt. Niet in geschil is dat de gemeentegrens van Gendt anno 2000 in het midden van de Waal liep; het visrecht dat [eisers] heeft verworven betreft dus uitsluitend de rechterhelft van de Waal. Dit volgt volgens de rechtbank ook uit de Legger der Corporele Goederen en de brief van het Ministerie van LNV van 23 augustus 2002. Volgens de leveringsakte van 21 februari 2014 strekt het visrecht zich weliswaar tevens uit over de linkerzijde van de Waal, maar deze discrepantie tussen de akte van overdracht en de leveringsakte kan [eisers] niet baten omdat voor overdracht een geldige titel ontbrak en [eisers] daarom geen recht op het meerdere heeft verworven (rov. 4.12).
Ten aanzien van het
visrecht van de Geërfden van Erlecomheeft de rechtbank overwogen dat uit de door [eisers] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de Erlecomse Polder, de rechtsvoorganger van het Waterschap Rivierenland, dit visrecht heeft verworven of dat dit visrecht zich uitstrekt over het betwiste gebied (rov. 4.15 t/m 4.17).
Ook is het de rechtbank onduidelijk wat de status is van het zakelijke recht erfpacht, dat relevant is omdat [eisers] heeft gesteld dat het visrecht van de Geërfden is hersteld met de bevestiging van de verpachtcondities, terwijl [verweerders] in reconventie betoogt dat hetzelfde deel in leen is uitgegeven. In dit verband achtte de rechtbank benoeming van een deskundige noodzakelijk (rov. 4.18).
Ten aanzien van het betoog van [verweerders] dat de visrechten in het betwiste deel aan hem toekomen op grond van het vererfde
heerlijk visrecht van de Heerlijkheid Ooij, heeft de rechtbank vastgesteld dat [verweerders] de rechtsopvolger is van [betrokkene 1] , aan wie het betreffende visrecht in 1402 in erfelijke leen is uitgegeven. Volgens [verweerders] is het visrecht bevestigd in een leenakte (“verlij-brief”) van 16 juli 1790. [33] [eisers] betwist deze akte op zichzelf niet maar stelt dat de uitoefening van het visrecht is beperkt als gevolg van verlegging in noordelijke richting van de Waalstroom in de zestiende eeuw (rov. 4.21). De rechtbank achtte het ook op dit punt nodig zich te laten voorlichten door een deskundige (rov. 4.22).
Met betrekking tot het door [verweerders] gestelde
separate visrechtheeft de rechtbank op voorhand overwogen dat daarvan geen sprake is; volgens de rechtbank volgt uit de aard van heerlijkheden dat het visrecht is gekoppeld aan het in leen uitgeven van de heerlijkheid en niet separaat in eigendom is overgedragen of te leen is gegeven. Dit brengt mee dat alleen visrechten bestonden voor zover de heerlijkheid grensde aan de Waal (rov. 4.23).
De rechtbank heeft partijen de mogelijkheid gegeven zich uit te laten over de voorgenomen benoeming van de deskundige en de invulling van het deskundigenonderzoek (rov. 4.24-4.26). Iedere verdere beslissing is aangehouden (rov. 4.27).
de deskundige) tot deskundige benoemd. Aan hem zijn de volgende vragen voorgelegd:
Kunt u toelichten of en, zo ja, van wie, wanneer en op welke wijze de Geërfden van Erlecom het visrecht hebben verkregen?
Kunt u toelichten over welk gebied dit visrecht zich uitstrekt? Betreft dit visrecht ook de Bisonbaai?
Kunt u toelichten wat de aard van dit visrecht is (erfpacht of anderszins?)
Kunt u toelichten wat de status is van het niet-heerlijk visrecht van de Geërfden van de Erlecomse Polder, in samenhang met de stelling van [verweerders] dat het heerlijk visrecht in hetzelfde deel van de Waal aan de heer Van Ooy in leen is uitgegeven?
Kunt u toelichten wat de betekenis/strekking is van de herstelbeschikking van het Soeverein Besluit van 25 augustus 1814 (productie 71 bij conclusie na comparitie van [eisers] ) voor de door [eisers] gepretendeerde visrechten?
Zijn er visrechten in de huidige Waalstroom die toebehoren aan de rechtsopvolger van de heer Van Ooy?
Kan het visrecht verbonden aan de heerlijkheid Ooij door een veranderende loop van de Waalstroom zich op enig moment buiten de heerlijkheid Ooij uitstrekken, en meer specifiek: kunt u de omvang van het gebied van de heerlijkheid Ooij, alsook de omvang van het heerlijk visrecht van Ooij, op een huidige kaart aangeven?
Behoren de in 1402 aan (de rechtsvoorgangers van) [verweerders] toegekende visrechten op de Waal ook na 1790 nog toe aan [verweerders] gezien de veranderde loop van de Waal in noordelijke richting?
Waren de visrechten watervast of bodemvast? [verweerders] heeft in dit verband verwezen naar het arrest van het Hof Arnhem van 18 november 1930, NJ 1931, pagina 657.
Wat is de status en wat zijn de rechtsgevolgen van de akte van belening van 16 juli 1790 (productie 22 bij conclusie na antwoord van [verweerders] ), in welke akte de belening van rechtsvoorganger [betrokkene 12] werd bevestigd voor de visrechten tot het midden van de Waal, terwijl de verlegging van de Waal in noordelijke richting reeds voordien had plaatsgevonden?
Vallen de visrechten op de Bisonbaai onder de rechten van [verweerders] ?
Is het zo dat alleen visrechten op de Waal konden worden toegekend en kunnen bestaan, voor zover de heerlijkheid grensde en grenst aan de Waal? Zo ja, grensde de heerlijkheid van [verweerders] in 1402 aan de Waal?
878.7, alsook de Bisonbaai. Na eiswijziging maakt [eisers] aanspraak op de visrechten in het gebied aan de linkerzijde van de Waal vanaf kilometerraai 873.735 tot kilometerraai
879.45, evenals de
Kekerdomsche strangen de Bisonbaai.
het eindvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen in conventie van [eisers] afgewezen. De in reconventie door [verweerders] gevorderde verboden en geboden zijn toegewezen, evenals de gevorderde dwangsom, die wordt gemaximeerd op € 100.000,-.
ten koste vande rechthebbende, tevens lid van de gebruiker. Het hof acht het niet mogelijk dat bezitsdaden van de Geërfden als collectief ten koste van één Geërfde afzonderlijk als rechthebbende, via verjaring tot eigendom van dat recht konden leiden. ‘Possessie’ was volgens het destijds toepasselijke landrecht [55] noodzakelijk voor verkrijgende verjaring. Vanwege de aanvullende werking van het Romeinse recht op het landrecht moet hier worden uitgegaan van de Romeinsrechtelijke notie van bezit. Een openbaar en rustig bezit waaruit de rechthebbende (de heer van Ooij) heeft moeten begrijpen dat de Geërfden (
onder wie hijzelf) pretendeerden rechthebbende te zijn (
animus domini) acht het hof onmogelijk (rov. 2.19).
in die kribbenverkreeg. Dit spoort met de tekst van de overeenkomst. [eisers] heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen bij die overeenkomst hebben bedoeld ook andere visrechten over te dragen. Uit de vaststellingsovereenkomst is niet op te maken dat de Geërfden in 1753 rechthebbenden of bezitters (en niet slechts houders) waren van visrechten die zich uitstrekten van Leuth tot de monding van de Ooijse strang. Wat er na de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst rechtens was, is al helemaal onduidelijk. Over visrechten wordt in de ontbindingsovereenkomst niet gesproken. In ieder geval is uit de vaststellingsovereenkomst en ontbindingsovereenkomst niet (voldoende) op te maken dat de Geërfden door overdracht rechthebbenden zijn geworden van de visrechten (rov. 2.24).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
TV-2016) en het eindvonnis van 21 maart 2018 (hierna:
EV), zodat in cassatie van het volgende moet worden uitgegaan:
subonderdeel 3.1wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.8 en 2.9 ‘
onbegrijpelijk voorbijgaat’ aan de stellingen van [eisers] :
Stb.27), dat tot de kadastrale aanduiding, bekend bij het Kadaster, in alle akten verplichtte; en
de heerlijke rechten van Ooij’ aan [betrokkene 12] zijn toegedeeld, waartoe de visrechten in het betwiste gebied behoren (‘
de visrechten van de straat uit Leuth tot de Waal tot de panoven bij Nijmegen met alle tussenliggende waden en strengen’) [64] , wat er ook zij van de kadastrale aanduiding van (een deel van) die rechten, welk geheel zij heeft geschonken aan de rechtsvoorganger van [verweerders] . Ten tweede overweegt het hof dat [verweerders] ook via erfopvolging onder algemene titel de [betrokkene 12] is opgevolgd. Ten derde wijst het hof erop dat de gerechtigdheid van [verweerders] op ‘
de visrechten die samenhangen met het leen Ooij’ bindend volgt uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad en het hof, alsmede een dading. In deze – als zodanig niet bestreden – oordelen ligt besloten dat het hof het standpunt dat het heerlijk visrecht van Ooij slechts ziet op de twee bovengenoemde percelen, niet volgt en dat het niet relevant acht dat de twee bovengenoemde percelen zich niet in het betwiste gebied bevinden, omdat de met het leen Ooij samenhangende visrechten (tevens) het betwiste gebied betreffen.
De oorspronkelijke ligging van de heerlijkheden is gewijzigd”.
de grenzenvan de in leen gegeven gebieden (Gendt en Ooij) zijn gewijzigd als gevolg van de veranderde loop van de Waal. Het faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof gaat immers niet uit van een wijziging van de grenzen van de in leen gegeven gebieden Gendt en Ooij, maar geeft in rov. 2.10 een opmaat tot de (in rov. 2.11 e.v. te beantwoorden) vraag of de verlegging van de Waal – als gevolg waarvan
Erlecom aan de andere (zuidelijke) kant van de Waal kwam te liggen– invloed heeft gehad op de visrechten die horen bij het leen Ooij. Zie voor deze louter geografische vaststelling ook rov. 2.4, 1e volzin (onbestreden).
Gevolgen wijziging bedding van de Waal
na de verlegging bleven rusten op de zuidelijke helft van de Waal,nu in de nieuwe bedding. Deze in
subonderdeel 5.1geformuleerde hoofdklacht wordt uitgewerkt in de subonderdelen 5.1.1 tot en met 5.3.
subonderdeel 5.1.1heeft het hof miskend dat visrechten op grond van het ten tijde van de verlegging van de Waal geldende recht slechts watervast waren voor zover die visrechten geen inbreuk maakten op de (heerlijke) visrechten van anderen. [65]
Het is dan ook niet zo dat (…) er strijdige rechten zouden kunnen ontstaan.”). Hiermee heeft het hof dus niet miskend dat visrechten na verlegging van water slechts meegaan voor zover deze niet botsen met de (heerlijke) rechten van anderen.
op de gehele Waal binnen de heerlijkheid Gendtaan de heer van Gendt toekomt, aldus [eisers] , die daarvoor verwijst naar de tekst van de leenakte.
de rivier als openbaar water niet in een territorium van een leen valt maar aan het openbaar gezag behoort. Geklaagd wordt dat het hof daarmee miskent dat het niet gaat om de eigendomsvraag, maar om het antwoord op de vraag aan wie het openbaar gezag het visrecht heeft uitgegeven. Althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het visrecht op de nieuwe Waal over de volle breedte niet tot de heerlijkheid Gendt zou horen, maar de visrechten in het zuidelijke gedeelte van de nieuwe Waal aan het openbaar gezag zouden zijn teruggevallen, aldus het subonderdeel.
teruggevallen; het oordeel is nu juist dat de heer van Ooij deze behoudt.
de heer van Gendt, noch zijn rechtsopvolgers, aanspraak hebben gemaakt op visrechten in de zuidelijke helft van de Waalen dat
[eisers] van [betrokkene 2, 3 en 4] ook alleen maar de visrechten op de noordelijke helft van de Waal heeft verkregen(rov. 2.12, slot)
.Geklaagd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is en het oordeel over de visrechten in de zuidelijke helft niet kan dragen. Daartoe wordt aangevoerd dat de visrechten op de zuidelijke helft van de Waal toekwamen aan de Geërfden. De omstandigheid dat de heer van Gendt nooit aanspraak heeft gemaakt op de visrechten in het zuidelijke deel van de nieuwe Waal zegt immers niets over de thans door van [verweerders] gepretendeerde visrechten in het zuidelijke deel van de Waal, aldus [eisers]
strookt met het vonnis van 26 mei 1538(rov. 2.13). Volgens de klacht is deze vaststelling onbegrijpelijk. Aangevoerd wordt dat dit vonnis slechts bevestigt dat visrechten toentertijd watervast waren, maar geen oordeel geeft of de visrechten van de heer van Ooij op de zuidelijke helft van de oude Waal naar de zuidelijke helft van de nieuwe Waal zouden zijn verlegd. [68]
stroken met” het vonnis uit 1538 ziet volgens het hof kennelijk slechts op een
gelijkheid in resultaat,in die zin dat ook de vissers in dát geschil hun visrechten op de betreffende helft van de Waal behielden. Het hof onderschrijft het (met grief 15 bestreden) oordeel van de rechtbank dat in dat vonnis op zichzelf geen oordeel is gegeven over eventuele visrechten van de heer van Ooij op de linkerhelft van de nieuwe Waal (EV, rov. 2.18).
onder wie hij zelf, pretendeerden rechthebbende te zijn (animus domini) oordeelt het hof in deze constellatie onmogelijk.
'ter halver diepte'), die in een vonnis van maart 1917 van de rechtbank Arnhem13 in die brief is gelezen. Pas in 1806/7 is sprake van een mogelijke bezitsdaad door de verpachting. Verder wijst het hof nog op het volgende. Het visrecht van het leen Ooij in het betwiste gebied is in 1395 verstrekt. Dit in leen gegeven visrecht bij het leen Ooij, dat zich verder uitstrekte dan het in leen gegeven grondgebied, maakte daar onlosmakelijk deel van uit. Uitoefening van het visrecht in een deel van het gebied dat door het heerlijke recht wordt bestreken, sluit de verjaring voor het hele gebied waarop het visrecht rust, uit. Dit brengt mee dat, als er al van moet worden uitgegaan dat de visrechten in het betwiste gebied in de periode 1772-1806 niet werden uitgeoefend door de heer van Ooij maar door de Geërfden, ook vast moet staan dat de visrechten in de andere gebieden van het leen niet werden uitgeoefend. [eisers] heeft niet gesteld en dat is ook niet gebleken, dat in het gebied van de heerlijkheid gedurende de verjaringstermijn het visrecht in het geheel niet is uitgeoefend.”
niet duidelijk heeft gesteld aan wie het visrecht toebehoorde dat de Geërfden volgens hem in bezit hebben genomen. Het hof heeft over het hoofd gezien dat zowel [eisers] als de deskundige heeft gesteld [69] dat de voorgaande rechthebbende van de bewuste visrechten [betrokkene 14] was, te weten op grond van de tussen hem en de Geërfden in 1753 gesloten overeenkomst. [eisers] heeft niet gesteld dat de heer van Ooij (op grond van zijn belening) visrechten in de nieuwe loop van de Waal had, zodat het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de Geërfden de visrechten van de heer Ooij in bezit hebben genomen onbegrijpelijk is, aldus [eisers]
voor1753
.Voorts is evenmin onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het – gelet op ’s hofs eerder bereikte oordeel dat visrechten van de heer van Ooij op de zuidelijke helft van de Waal rustten – ervoor moet worden gehouden dat [eisers] stelt dat het visrecht dat de Geërfden in bezit hebben genomen aan de heer van Ooij toebehoorde.
aan de heer van Ooijhebben overgelaten, die daarvoor in ruil recht op aanwas en visrecht kreeg. Geklaagd wordt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, omdat de overeenkomst in 1753 niet is gesloten tussen de Geërfden en de heer van Ooij maar tussen de Geërfden en [betrokkene 14] “
voor sigh en sijne hooggeboren erven”. Dit duidt er volgens [eisers] eens te meer op dat de heer van Ooij in 1753 geen heerlijke visrechten bezat in het zuidelijke deel van de Waal; anders hadden de Geërfden die visrechten niet hoeven overdragen. Hiermee is ook onbegrijpelijk de vaststelling van het hof in rov. 2.6 dat de visrechten in de nieuwe Waal van Leuth tot de Ooijse strang bij de heerlijkheid Ooij zijn gebleven.
als heer vanOoij” deel uitmaakte van de Geërfden van Erlecom, in welke – onbestreden – vaststelling besloten ligt dat [betrokkene 14] in 1753 de heer van Ooij was. [71] Het middel geeft geen vindplaats van de stelling dat [betrokkene 14] de overeenkomst niet in hoedanigheid maar in privé heeft gesloten, noch maakt het duidelijk wat de relevantie daarvan zou zijn. Voor zover die verklaring zou moeten blijken uit de beschouwing over gescheiden vermogens (s.t., nrs. 3.10 en 3.20) is dat, wat daarvan zij, tardief.
subonderdeel 6.2.2wordt geklaagd dat (naar ik begrijp: voormeld) oordeel onbegrijpelijk is omdat de in 1753 gesloten overeenkomst geen overeenkomst voor bepaalde tijd was, maar de erven van [betrokkene 14] de ontbindingsovereenkomst sloten omdat zij zich van de onderhoudsverplichtingen wilden bevrijden. Het oordeel van het hof suggereert ten onrechte dat partijen bij de overeenkomst van 1753 een termijn en de wijze van beëindiging van de overeenkomst zijn overeengekomen, hetgeen volgens [eisers] onbegrijpelijk is.
bezitvan de visrechten hebben verkregen, zulks ten koste van één van hen. Het subonderdeel valt dit oordeel aan met vijf klachten.
subonderdeel 6.3.1heeft het hof met rov. 2.19
ten eersteblijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat (ook) naar destijds geldend recht de verpachting van de visrechten door de Geërfden in 1806 hoe dan ook impliceert dat zij bezitter van die visrechten waren omdat daarvoor beschikkingsbevoegdheid nodig was. Volgens het middel kan een houder niet verpachten zonder beschikkingsbevoegd te zijn. Omdat het hof geen onderzoek gedaan heeft naar de goederenrechtelijke status van de Geërfden op grond waarvan verpachting van de visrechten kon plaatsvinden, is dat oordeel
bovendienoncontroleerbaar en daarmee onbegrijpelijk, aldus [eisers]
destijds geldende recht’volstaat in dit kader niet, zeker niet in een complexe zaak als deze waarbij het ‘destijds geldende recht’ bovendien ziet op recht van ruim 200 jaar geleden. De klacht voldoet hiermee niet aan de daaraan te stellen eisen.
(ook)”– dat naar hedendaags recht voor verpachting – het sluiten van een obligatoire overeenkomst – vereist zou zijn dat de verpachter beschikkingsbevoegd is. Daarmee berust zij op een onjuiste rechtsopvatting.
moeilijk voorstelbaar is dat de Geërfden bezitter zijn geworden ten koste van de rechthebbende, als één van hen.Met deze motivering zou het hof voorbijgaan aan het gesloten stelsel van het goederenrecht (zoals dat ook destijds gold), waardoor het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel zou ook onbegrijpelijk zijn omdat uit het voorstellingsvermogen van het hof geen goederenrechtelijke status van de Geërfden kan worden afgeleid. Het hof heeft niet in het midden mogen laten wat de goederenrechtelijke status was en waarom verpachting van de visrechten niet zou betekenen dat de Geërfden bezitter van de visrechten waren.
subonderdeel 6.3.3wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.19 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een verkeerd criterium aan te leggen voor de beoordeling van de vraag of sprake was van ‘possessie’. Het hof heeft possessie gedefinieerd als “
(…) een openbaar en rustig bezit waaruit de rechthebbende (de heer van Ooij) heeft moeten begrijpen dat de Geërfden, onder wie hijzelf, pretendeerden rechthebbende te zijn (animus domini)”.Dit criterium is te eng, aldus [eisers] Naar destijds geldend recht is het criterium voor possessie of het bezit “
rustig, dat wil zeggen continu en niet onderbroken” is geweest, waarbij goede trouw of een gepretendeerde titel niet is vereist. Het hof had bij zijn beoordeling dus niet mogen betrekken dat de heer van Ooij heeft moeten begrijpen dat de Geërfden pretendeerden rechthebbende te zijn en er dus sprake was van een titel of goede trouw.
geldige titelof
goede trouw. [eisers] leest dat criterium kennelijk in de toets of de heer van Ooij moest begrijpen dat bij de Geërfden sprake was van eigendomspretentie. Dat valt uit het arrest echter niet af te leiden. Zich gedragen als bezitter kan immers zowel te goeder als te kwader trouw geschieden. Ook kan sprake zijn van eigendomspretentie zonder (geldige) titel.
subonderdelen 6.3.4 en 6.3.5zijn gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 2.19 dat het
onmogelijk is dat bezitsdaden van de Geërfden ten koste van één Geërfde als rechthebbende via verjaring tot eigendom konden leiden,en dat (omdat) het
in de gegeven constellatie niet mogelijk is dat sprake is van een openbaar en rustig bezit waaruit de rechthebbende heeft moeten begrijpen dat de Geërfden, onder wie hijzelf, pretendeerden rechthebbende te zijn.Deze oordelen zijn volgens [eisers] onbegrijpelijk omdat, naar zowel de deskundige [74] als [eisers] [75] heeft gesteld, die bezitsdaad zeer wel denkbaar is omdat met de in 1772 gesloten overeenkomst tussen de erven van [betrokkene 12] en de Geërfden, de visrechten in het zuidelijke deel van de nieuwe Waal zijn teruggevallen op de Geërfden. Anders dan het oordeel van het hof impliceert, is de verpachting van de visrechten in 1806 dan ook eens temeer een aanwijzing dat de Geërfden in 1772
bezitteren in ieder geval in 1806 door verkrijgende verjaring
eigenaarvan de visrechten zijn geworden.
Pas in 1806/7 is sprake van een mogelijke bezitsdaad door de verpachting”.Het oordeel van het hof is hiermee niet onnavolgbaar.
subonderdeel 6.4.1wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.20 – dat de Geërfden kwalificeren als
houders– heeft miskend dat de Geërfden in de overeenkomst van 1753 het bezit van de visrechten aan [betrokkene 14] hebben
overgedragen, hetgeen ook naar toentertijd geldend recht niet door een houder mogelijk was. Het hof heeft miskend, en in zoverre is het oordeel ook onbegrijpelijk, dat juist in de beschikking over de visrechten in 1753 een eigendomspretentie van de Geërfden is gelegen en dat die pretentie de noodzakelijke strijdige daad is. Het hof was bij deze stand van zaken gehouden te onderzoeken of in deze eigendomspretentie of in het samenstel van de aktes en de feitelijke toedracht nadien een bezitsverkrijging door de Geërfden is gelegen.
overdrachtvan het bezit van de visrechten.
subonderdeel 6.4.2wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van de vaststelling in rov. 2.20 dat
de deskundige vaag isop het punt van de hoedanigheid van de Geërfden. Daartoe wordt gewezen op een aantal opmerkingen in het deskundigenrapport.
ten eerstede klacht dat ‘
op grond van het voorgaande’ de door het hof in rov. 2.21 bereikte conclusie niet in stand kan blijven. De klacht vermeldt niet op welke specifieke voorgaande klachten deze voortbouwklacht is gebaseerd, maar nu alle voorgaande klachten tevergeefs zijn voorgesteld, dient ook deze klacht te worden afgewezen.
subonderdelen 6.6.1 tot en met 6.6.3) op tegen rov. 2.22 van het arrest.
onderdeel 7wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof – samengevat – dat de Geërfden geen bezitter van de visrechten zijn geworden door overdracht (rov. 2.23 t/m 2.26). Het onderdeel bestaat uit vier subonderdelen, die op hun beurt bestaan uit een of meerdere klachten.
Bezit door overdracht
in die kribben.Dit spoort met de tekst van de overeenkomst en [eisers] heeft onvoldoende nader onderbouwd dat de partijen bij die overeenkomst hebben bedoeld ook andere visrechten over te dragen. Dat de in één adem met de aanwas in de kribben genoemde visrechten zien op de gehele of gedeeltelijke visrechten in de Waal die tot de heerlijkheid Ooij behoorden, ligt niet voor de hand. Het gebied van die kribben betrof bovendien een groter/ander gebied dan dat waarop de heerlijke visrechten van Ooij rusten, onder meer ook de kribben bij Kekerdom. Uit de vaststellingsovereenkomst is verder niet op te maken dat de Geërfden in 1753 rechthebbenden op of bezitters van de visrechten waren (en niet slechts houders) die zich uitstrekten van Leuth tot de monding van de Ooijse strang. Wat er na de ontbinding van die overeenkomst rechtens was, is al helemaal onduidelijk. De heer van Ooij wordt dan wel verplicht om de Kekerdomse polder in eigendom over te dragen aan de Geërfden, maar niet andere rechten of goederen. Over visrechten wordt helemaal niet gerept. In elk geval is uit de vaststellingsovereenkomst en ontbindingsovereenkomst niet (voldoende) op te maken dat de Geërfden door overdracht rechthebbenden zijn geworden op de visrechten.
subonderdeel 7.1.1klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 2.23 (en 2.24) dat (het voldoende duidelijk moet zijn dat) de heer van Ooij (heerlijke) visrechten heeft overgedragen, onbegrijpelijk is. [eisers] verwijst daarbij naar voorgaande klachten, waarin [eisers] geklaagd heeft dat het hof heeft miskend dat de Geërfden in 1753 het bezit van hun visrechten in de nieuwe Waal niet aan de heer van Ooij maar aan [betrokkene 14] hebben overgedragen. Datzelfde, zo wordt in
subonderdeel 7.1.2geklaagd, geldt voor het oordeel van het hof dat “(…)
de Geërfden de visrechten van het leen Ooij in 1753 hadden”, en dat zij die “(…)
tijdelijk hebben overgedragen aan de heer van Ooij”. [eisers] heeft in het voorgaande klachten tegen deze onbegrijpelijke vaststellingen geformuleerd, waarnaar hij omwille van de efficiency verwijst, aldus [eisers]
subonderdeel 7.1.3wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 2.23 dat partijen de overeenkomsten van 1753 in 1772 hebben
herzien. Aangevoerd wordt dat de overeenkomst van 1753 blijkens de tekst van de ontbindingsovereenkomst van 1772 geheel
tenietis gedaan, zoals Komen in het voorgaande heeft betoogd, waarbij wordt verwezen naar de ter zake aangevoerde klachten.
ontbinding/herziening”. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Voorts is voor het slagen van een klacht over een feitelijke vaststelling vereist dat de steller zowel het gebrek in de feitelijke vaststelling aangeeft, gestaafd met verwijzingen naar vindplaatsen van stellingen, als het belang daarvan. [76] Aan geen van beide criteria is in dit geval voldaan. [eisers] heeft nagelaten verwijzingen naar de gedingstukken op te nemen; een verwijzing naar voorgaande cassatieklachten volstaat niet. Ook heeft [eisers] niet aangegeven waarom de vraag of de overeenkomst is herzien dan wel geheel teniet is gedaan relevant is voor het oordeel dat de Geërfden het bezit van de visrechten niet hebben verkregen door overdracht.
na de retro-overdracht in 1772 al helemaal onduidelijk was wat rechtens was, niet alleen omdat zowel de deskundige als [eisers] heeft gesteld dat het zeer aannemelijk is dat ook het bezit van de visrechten in 1772 is teruggevallen aan de Geërfden maar ook omdat uit de akte van 1772 [77] blijkt dat “
(…) opgemelte contract of accoord van den 28sten August 1753 ten enenmaal gedodet en geperineert zijn”en die overeenkomst dient
“(…) tot annuleringe en vernietiging van sodaane contract als er (…) op de 28 august 1753 opgerigt geweest is.”. Deze formulering duidt volgens [eisers] veeleer op een volledige ontbinding van de vaststellingsovereenkomst van 1753, dan op een partiële ontbinding. Bij de akte is de gehele overeenkomst tenietgedaan en dit betekent volgens [eisers] dat daarmee ook de visrechten zijn teruggevallen op de Geërfden. Het oordeel van het hof dat de akte uit 1772 moet worden uitgelegd als een partiële ontbinding van de overeenkomst omdat uit de ontbindingsovereenkomst onvoldoende is op te maken dat de Geërfden rechthebbenden op de visrechten zijn geworden is in het licht van de bewoording van die akte zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
subonderdeel 7.2.2wordt geklaagd dat het hof verzuimd heeft het criterium te formuleren aan de hand waarvan het de overeenkomsten van 1753 en 1772 heeft uitgelegd. Daarom is het oordeel van het hof volgens [eisers] rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat daardoor niet controleerbaar is op welke wijze het hof de gestelde feiten en omstandigheden heeft beoordeeld.
onder het toepasselijke bewijsrecht van destijds” de registraties “
met aanvullende bewijzen voldoende zijn om een gepretendeerd recht aannemelijk te maken”. De klacht mist in zoverre dus ook feitelijke grondslag.
“onjuiste rechtsopvatting”), die feitelijk echter neerkomt op een motiveringsklacht (“
oncontroleerbaar”)en dus ook als zodanig door mij beoordeeld wordt.
destijds geldendebewijsrecht heeft getoetst of [eisers] voldoende bewijs heeft geleverd voor de vaststelling van bezit door overdracht. Dit is echter niet het geval en de klacht mist in zoverre feitelijke grondslag. Het hof merkt in rov. 2.23 weliswaar op dat een notariële akte destijds niet nodig was voor bezitsverschaffing, maar daaruit moet niet worden afgeleid dat het destijds geldende bewijsrecht van toepassing is. Met deze overweging en de daaropvolgende overweging dat de overdracht voldoende aannemelijk moet zijn, wil het hof kennelijk uitdrukken dat de overdracht in dit geval niet met een “hard feit” als een notariële akte kan of hoeft te worden bewezen (omdat deze destijds niet vereist was voor overdracht) maar dat voldoende feiten en omstandigheden moeten worden bewezen waaruit redelijkerwijs volgt dat sprake is geweest van bezitsoverdracht. Weging van de (door [eisers] gestelde) feiten en omstandigheden vindt vervolgens (gemotiveerd) plaats in rov. 2.24 t/m 2.26. Het oordeel is daarmee niet oncontroleerbaar, niet onvoldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Een hernieuwde weging van de omstandigheden, in het bijzonder de verpachting door de rechtsvoorganger van [verweerders] , die ook met deze klacht beoogd lijkt te zijn, valt bovendien buiten de taak van uw Raad als cassatierechter. De klacht is dus tevergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 7.3.2klaagt dat het oordeel dat de rechtsvoorganger van [verweerders] de visrechten in de achttiende eeuw zelf verpacht heeft, onbegrijpelijk is. Het hof heeft zijn oordeel ofwel gebaseerd op de onjuiste aanname dat [betrokkene 14] in de achttiende eeuw de visrechten in de Waal langs de Erlecomse Dam heeft verpacht, hetgeen noch [verweerders] , noch de deskundige heeft gesteld, ofwel het hof heeft aangenomen dat de visrechten aldaar in de achttiende eeuw als de rechten van de heerlijkheid Ooij zijn verpacht, hetgeen evenmin is gesteld. Het oordeel is volgens [eisers] ook onbegrijpelijk omdat de deskundige heeft gesteld dat er geen enkele aanwijzing in het familiearchief van [verweerders] is gevonden die zou wijzen op enige visrechten van de voorvaderen van [verweerders] in de nieuwe Waalbedding. [80]
nietheeft verpacht. Voorts heeft het hof – tevergeefs bestreden – geoordeeld dat [betrokkene 12] de Geërfden een gebruik met recht tot
onderverpachtingheeft gegeven (rov. 2.21). Dat verpachting in de 18e eeuw niet onaannemelijk is, volgt ook uit de door de deskundige beschreven reeks verpachtingen van de heerlijke visrechten door de rechtsvoorganger van [verweerders] in de 19e eeuw. [81]
Subonderdeel 7.3.3klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is indien het hof daarmee zou doelen op enkel de verpachting van het visrecht van de heerlijkheid Ooij in het Ooijse water in het jaar 1789/90 als omstandigheid met betrekking tot de verjaring door non-usus, waarvoor [eisers] verwijst naar subonderdeel 6.6.3. Het oordeel is echter bovenal niet relevant voor de beoordeling of het voldoende aannemelijk is dat de Geërfden het bezit van de niet-heerlijke visrechten in de Waal langs de Erlecomse Dam hadden, omdat laatstgenoemde visrechten niet tot de heerlijke visrechten van Ooij behoorden.
subonderdeel 7.4richt zich tegen rov. 2.25. Het subonderdeel valt uiteen in een tweetal klachten (7.4.1 en 7.4.2), die zich voor gezamenlijke beoordeling lenen.
Subonderdeel 7.4.1klaagt dat het oordeel van het hof dat de verpachting van 1806/1807 en 1813 en de registratie van 1809 onvoldoende is om te kunnen aannemen dat de Geërfden daadwerkelijk rechthebbenden en geen houders van de visrechten waren rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. [eisers] voert in dat kader de volgende omstandigheden aan:
Subonderdeel 7.4.2klaagt vervolgens dat het oordeel van het hof in rov. 2.26, waarin het hof heeft geoordeeld dat voor de rechthebbende op heerlijke visrechten geen actie was vereist, onjuist is. In dit kader voert [eisers] het volgende aan. Het Soeverein Besluit van 26 maart 1814 beoogde herstel in de eigendom van heerlijke visrechten, maar voor zover deze heerlijke visrechten (in de bevaarbare wateren) door het Franse bestuur in bezit waren genomen, werd dit ongedaan gemaakt krachtens het Soeverein Besluit van 25 augustus 1814. Daarvoor werd men opgeroepen. De voorvader van [verweerders] heeft dus evenals de Geërfden een reclame ingediend, echter met betrekking tot een ander deel van de Waal [86] , zodat het oordeel ook om die reden niet in stand kan blijven, aldus [eisers]
onderdeel 8komt [eisers] met drie subonderdelen op tegen rov. 2.27 van het bestreden arrest. In rov. 2.27 oordeelde het hof als volgt.
Subonderdeel 8.1klaagt dat het hof met dit oordeel heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waar het heeft geoordeeld dat [eisers] en de deskundige over het hoofd hebben gezien dat “(…)
de Geërfden geen vaarwater in de Waal hebben aangelegd – geen op eigen kosten aangelegde vaart aldaar – waardoor sprake zou kunnen zijn van een verworven visrecht op nieuw aangelegd water”, waarbij het hof nog heeft overwogen dat de Waal openbaar water is en de visrechten bovendien al aan anderen dan de Geërfden toebehoorden. Hiermee heeft het hof miskend dat visrechten ook konden worden verleend aan aangelanden of geërfden als tegenprestatie voor de aanleg of specifiek het onderhoud van bevaarbare wateren. [87] Anders dan het hof heeft geoordeeld konden visrechten dus niet alleen worden gevestigd indien vaarwater wordt aangelegd, maar ook indien geërfden een dijk (in casu de Erlecomse Dam) hebben aangelegd en onderhouden. Het oordeel is volgens [eisers] ook onbegrijpelijk omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom geen visrechten ten behoeve van de Geërfden zouden zijn gevestigd als tegenprestatie voor de aanleg en het onderhoud van de dam, dat bovendien bepaaldelijk verder reikte dan het plegen van “
werkzaamheden bij het onderhoud van de rivieroever”, zoals het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld.
subonderdeel 8.2klaagt [eisers] dat het hof bij zijn oordeel over bezit door vestiging ten onrechte en onbegrijpelijk heeft overwogen dat de Waal
openbaar vaarwateris. Het hof heeft volgens [eisers] kennelijk bedoelen te zeggen dat de visrechten aan het openbaar gezag toekwamen, waarmee het hof kennelijk heeft willen refereren aan hetgeen het in rov. 2.12 heeft overwogen en geoordeeld. [eisers] verwijst hierbij naar de klachten die hij in subonderdeel 5.2.2 heeft aangevoerd tegen de in rov. 2.12 vervatte overwegingen en oordelen. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat het hof met deze overweging niet heeft willen refereren aan hetgeen het in rov. 2.12 heeft overwogen en geoordeeld is het oordeel van het hof in rov. 2.27, dat verder enige motivering ontbeert, evengoed onbegrijpelijk.
Zoals gezegdis de Waal ook nog openbaar water” (onderstr. A-G) moet worden afgeleid dat het hof inderdaad doelt op de consequenties van openbaarheid als weergegeven in rov. 2.12. Nu de in subonderdeel 5.2.2 aangevoerde klachten tevergeefs zijn voorgesteld en subonderdeel 8.2 gebaseerd is op die klachten, faalt ook dit subonderdeel.
Subonderdeel 8.3klaagt dat ook het slot van rov. 2.27, waarin het hof heeft overwogen dat de visrechten op de Waal voor zover deze grensde aan de in te dijken Erlecomse buitenpolder al aan een ander toebehoorden (de heer van Ooij en de heer van Gendt), onbegrijpelijk is. [eisers] volstaat te verwijzen naar ‘zijn in het voorgaande aangevoerde klachten’, waarmee hij opkomt tegen de oordelen dat de heer van Ooij visrechten in de nieuwe Waal en binnen het territoir van de heerlijkheid Gendt en Erlecom had en tegen de omstandigheid dat het hof heeft miskend dat niet de heer van Ooij maar [betrokkene 14] één van de Geërfden was die de overeenkomst van 1753 met de Geërfden heeft gesloten en dat de erven [betrokkene 12] in 1772 de volledige ontbinding van die overeenkomst met de Geërfden zijn overeengekomen.
Onderdeel 9richt zich tegen rov. 2.28, waarin het hof als volgt oordeelde.