Conclusie
[eiser 1](hierna: ‘ [eiser 1] ’),
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’),
M.E. Beheer B.V.(hierna: ‘M.E. Beheer’),
Embo Vastgoed B.V.(hierna: ‘Embo’),
1.Feiten
Voorziening directie
waarschijnlijk niet” door [betrokkene 1] zelf is vervaardigd. [4]
weinig” vertrouwen in hem hadden als bestuurslid van de STAK en als directeur van M.E. Beheer;
2.Procesverloop
de beweerdelijke notulen van de aandeelhoudersvergadering van 24 december 2002: M.E. Beheer c.s. moeten bewijzen dat [eiser 1] niet door [betrokkene 1] bij zijn overlijden is benoemd tot directeur van M.E. Beheer. M.E. Beheer c.s. hebben in dit kader geen concreet bewijsaanbod gedaan, waardoor hun grief faalt (rov. 4.6.1 en 4.6.2);
tegenstrijdig belang [eiser 1]: een deskundige moet onderzoek doen naar de liquiditeitspositie van M.E. Beheer omstreeks mei-augustus 2005. Indien de liquiditeitspositie slecht was, zoals [eisers] betogen, vormt dit in beginsel voldoende grond voor het sluiten van de overeenkomsten van 9 augustus 2005, mits tenminste geen andere oplossingen voldoende duidelijk meer voor de hand zouden hebben gelegen en de prijs te billijken is (rov. 4.7.1 tot en met 4.7.5);
onbehoorlijk bestuur [eiser 1] – verkoop aandelen IJsselinvest voor te lage prijs: M.E. Beheer c.s. moeten bewijzen dat [betrokkene 1] niet op 14 april 2005 een aanbiedingsplicht is overeengekomen, inhoudende een verplichting om de aandelen in het kapitaal van IJsselinvest voor een vaste prijs van € 400.000 aan [eiser 2] aan te bieden. M.E. Beheer c.s. hebben in dit kader echter geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan, zodat hun grief faalt. Daarmee is nog niet gezegd dat de overeenkomsten van 9 augustus 2005 mochten worden gesloten; die vraag zal worden voorgelegd aan de deskundige (rov. 4.9);
onbehoorlijk bestuur [eiser 1] – verkoop onroerend goed aan M.E. Beheer in Robex-transactie voor te hoge prijs: er zal een taxateur worden benoemd die de vraag zal moeten beantwoorden welke waarde de onroerende zaken hadden die Robex op 9 augustus 2005 aan M.E. Beheer heeft verkocht (rov. 4.10); en
onbehoorlijk bestuur [eiser 1] – erkenning vordering [eiser 2] van € 555.881 op M.E. Beheer in de IJsselinvest-transactie: [eiser 1] kan in dit verband geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt (rov. 4.11.1 tot en met 4.11.6).
tweede tussenarrest [15] heeft het hof de deskundigen P.A. van Steensel (hierna: ‘Van Steensel’), P. Hoiting (hierna: ‘Hoiting’) en A.C.M.M. van Heesbeen (hierna: ‘Van Heesbeen’) benoemd om antwoord te geven op diverse vragen in het kader van de liquiditeitspositie van M.E. Beheer in de maanden mei-augustus 2005 en de waarde van het onroerend goed dat in het kader van de Robex-transactie aan M.E. Beheer is verkocht.
derde tussenarrest [16] heeft het hof bepaald dat voor de kosten van deskundige Van Steensel een aanvullend voorschot moet worden voldaan. In het
vierde tussenarrest [17] heeft het hof bepaald dat voor de kosten van deskundige Hoiting een aanvullend voorschot moet worden voldaan. In het
vijfde tussenarrest [18] heeft het hof bepaald dat voor de kosten van deskundige Hoiting wederom een aanvullend voorschot moet worden voldaan.
zesde tussenarrest [19] heeft het hof de bevindingen van de deskundigen en de reacties van partijen daarop samengevat weergegeven (rov. 21.8. tot en met 21.23.). Het hof heeft vastgesteld dat het geschil zich in dit stadium toespitst op vragen rondom het thema tegenstrijdig belang (art. 2:256 (oud) BW) en het thema ernstig verwijt (art. 2:9 BW Pro). Het hof heeft een comparitie van partijen zinvol geacht voor nadere inlichtingen over de standpunten van partijen ten aanzien van, kort gezegd, de deskundigenonderzoeken. De mondelinge behandeling heeft op 12 januari 2021 bij het hof plaatsgevonden.
deskundigenrapporten: het hof heeft de rapporten van de deskundigen besproken en de daarin opgenomen conclusies overgenomen en tot de zijne gemaakt (rov. 25.9.);
onbehoorlijk bestuur [eiser 1]: [eiser 1] kan het vereiste persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt (art. 2:9 BW Pro, art. 6:162 BW Pro) in zijn hoedanigheid van bestuurder van M.E. Beheer, omdat hij – kort gezegd – zonder voldoende onderzoek en overleg de overeenkomsten van 9 augustus 2005 heeft gesloten. [eiser 1] is aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan (rov. 25.28.);
onrechtmatig handelen [eiser 2]: [eiser 2] heeft jegens M.E. Beheer c.s. onrechtmatig gehandeld door de transacties van 9 augustus 2005 uit te voeren (rov. 25.29.);
schadevergoeding: teruglevering van de aandelen is, als schadevergoeding in natura, een passende reactie op het ongeoorloofd handelen van [eisers] (rov. 25.30.); en
tegenstrijdig belang [eiser 1]: de vaststaande feiten zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was met het belang van M.E. Beheer (rov. 25.35.).
3.Beoordeling van het middel in het principale cassatieberoep
onderdeel 1bestrijdt het oordeel dat [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt;
onderdeel 2komt op tegen het oordeel dat [eiser 2] onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. heeft gehandeld door de transacties van 9 augustus 2005 uit te voeren; en
onderdeel 3ziet op het oordeel dat [eisers] verplicht zijn tot vergoeding van de door M.E. Beheer c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat.
al het voorgaande en in het bijzonder naar de feitelijke beschouwingen vanaf 25.3 hiervoor en de bevindingen van de deskundige Hoiting onder 25.9 hiervoor” (rov. 25.28., tweede alinea). Deze motivering laat zich als volgt, zo beknopt mogelijk, samenvatten:
rov. 4.7.5); [22]
rov. 4.10);
rov. 7.1);
rov. 7.1);
rov. 7.2);
rov. 21.8.);
rov. 21.9. en 21.10.) Verder heeft Hoitink gemeend dat het effect van de overeenkomsten van 9 augustus 2005 op de liquiditeitspositie van M.E. Beheer niet duidelijk is door het ontbreken van een deugdelijke liquiditeitsplanning (
rov. 21.15.);
rov. 21.19.);
rov. 25.3.).
rov. 25.4.);
rov. 25.5.);
rov. 25.6.);
rov. 25.7.);
rov. 25.8.);
rov. 25.9.);
rov. 25.16., onder (a));
rov. 25.16., onder (b), (c) en (f));
rov. 25.22. en 25.23.); en
thema 1.1: [eiser 1] heeft geen duidelijke, ondubbelzinnige verklaring gegeven voor het verschil tussen de waarde van het verkochte deel van de onderneming en de opbrengst van de transacties;
thema 1.2: er was nog geen onoverkomelijk liquiditeitstekort en het was nog mogelijk om onderzoek te doen naar en overleg te voeren over mogelijke oplossingen met de betrokken partijen;
thema 1.3: [eiser 1] had een belang bij de transacties; en
thema 1.4: onder deze omstandigheden kan [eiser 1] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.
schreeuwen om een duidelijke, ondubbelzinnige verklaring” (rov. 25.8.). Deze overweging van het hof is alleen al niet onbegrijpelijk als wordt bedacht dat de ingrijpende transacties binnen drie maanden na het overlijden van [betrokkene 1] zijn uitgevoerd, zonder overleg met de erven van [betrokkene 1] (tevens de certificaathouders), terwijl [eiser 1] op dat moment al wist dat de erven/certificaathouders zijn positie als directeur van M.E. Beheer betwistten en een onderzoek wensten naar de liquiditeitspositie van M.E. Beheer (rov. 4.1, onder j. en rov. 25.4., onder (c)).
(in de orde van grootte van 80%)” in rov. 25.7. heeft genoemd, ter concretisering van de vaststelling dat “
een aanzienlijk deel” van de onderneming is verkocht. Die laatste vaststelling volgt uit het rapport van Hoiting en wordt door [eisers] in cassatie niet bestreden. [26] De overweging van het hof in rov. 25.16., onder (b), dat “
het grootste deel van de onderneming” is verkocht, wordt wel door [eisers] bestreden, maar tevergeefs, want Hoitink heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat IJsselinvest het grootste project van de onderneming van M.E. Beheer was en Robex ook een aanzienlijk deel betrof. [27] Het is niet onbegrijpelijk dat het hof daaruit heeft afgeleid dat het grootste deel van de onderneming is verkocht. Ten aanzien van de waardering van € 16 miljoen geldt dat de advocaat van M.E. Beheer c.s. tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de erven na het overlijden van [betrokkene 1] successierechten moesten betalen en dat [eiser 1] daarop heeft gezegd dat het ondernemingsvermogen eind 2003 volgens de balans € 16.153.149 was en dat dit vergelijkbaar was met het vermogen in 2005. [28] Gelet hierop is het niet onbegrijpelijk of een verrassingsbeslissing dat het hof in rov. 25.7. heeft overwogen dat de onderneming “
in elk geval op papier met het oog op de betaling van successierecht, werd gewaardeerd op een bedrag in de orde van grootte van € 16 miljoen.”
Bodenrichtwerte”, en dat het niet nodig was een “
Gutachter” in te schakelen. Uit rov. 21.19. blijkt voorts dat Van Heesbeen heeft toegelicht waarom, anders dan [eisers] betogen, de verwachtingswaarde van de percelen niet moet worden afgeleid van het potentiële gebruik als bouwkavel. Het hof heeft vervolgens in rov. 25.18. en 25.23. de conclusies van Van Heesbeen overgenomen en het standpunt van [eisers] verworpen. Anders dan [eisers] betogen, is het hof dus niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd aan de stellingen van [eisers] voorbijgegaan.
wellicht niet veel toevoegt aan de verwijten”, maar deze wel “
onderstreept”. Die overweging is niet onbegrijpelijk, omdat een onjuiste waardering inderdaad bevestigt dat onvoldoende zorgvuldig is gehandeld en/of onvoldoende onderzoek is gepleegd, óók als onder de streep – de gehele transacties overziend – de precieze waardering geen rol van betekenis speelt.
Onder Bbetogen [eisers] dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat sprake was van een vertrouwensband.
Onder Dklagen [eisers] dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser 1] méér overleg had moeten plegen. Het hof heeft hiermee niet alleen de verhouding tussen [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer en de erven als certificaathouders miskend, maar ook de hoge drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW Pro.
enige honderd duizenden euro’s” beschikbaar hadden kunnen stellen. [33] [eisers] hebben gesteld dat dit bedrag nooit voldoende was om de dringende liquiditeitsproblemen op te lossen, maar van die situatie is het hof ook niet uitgegaan. Het hof heeft geoordeeld – in lijn met het rapport van deskundige Hoiting – dat er in de zomer van 2005 voldoende tijd was om de situatie te “
managen” en in overleg te treden met partners en schuldeisers, om zo te bezien of het mogelijk was om bepaalde vorderingen (alsnog) te innen of bepaalde schulden later (gefaseerd) af te lossen. Daarbij heeft het hof gewezen op de rol die de erven “
wellicht” in dit kader konden spelen, en niet alleen zij maar ook de fiscus, de partners in België en Duitsland en wellicht ook de banken (rov. 25.16., onder (a) en (b)). Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dit niet.
Onder Gbetogen [eisers] dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd doordat het is voorbijgegaan aan de specifieke bezwaren van [eisers] tegen het rapport van Hoitink.
Onder Hvoeren [eisers] aan dat het oordeel en de overwegingen van het hof ten aanzien van de fiscus, de partners in België en Duitsland en de banken (rov. 25.16., onder (b)) onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn. Volgens [eisers] heeft het hof de rapporten van Hoiting en Van Steensel verkeerd geïnterpreteerd of zonder nadere motivering de conclusies uit die rapporten overgenomen, ondanks gemotiveerde bezwaren van [eisers]
zeer uitvoerig” op de rapporten van Hoiting en Van Steensel is ingegaan. Ook dit wijst erop dat het hof de conclusies van Van Steensel niet links heeft laten liggen.
naar de mogelijkheden om (geparafraseerd) alle ballen of de meeste ballen of meer ballen tegelijk in de lucht te houden.” De stellingen van [eisers] , die in de kern inhouden dat die mogelijkheden (achteraf bezien) niet bestonden, gaan eraan voorbij dat [eisers] die mogelijkheden wél had moeten onderzoeken en dat [eiser 1] zonder dat onderzoek simpelweg de ingrijpende overeenkomsten van 9 augustus 2005 niet had mogen sluiten. Het hof heeft aan het slot van rov. 25.16., onder (b), benadrukt dat “
in dit stadium onzeker is of (aanzienlijk betere) alternatieve oplossingen zouden zijn bereikt, indien het bestuur onderzoek zou hebben gedaan. Dat is echter een thema voor de na te melden schadestaatprocedure.” Het hof heeft in dit stadium dus nog niet hoeven ingaan op de standpunten van [eisers] die zien op het causale verband tussen het onderzoek dat niet is gepleegd en de ontstane schade.
of de beslissing om deze overeenkomst te sluiten, een juiste beslissing was om te voorzien in de door [eiser 1] gestelde behoefte aan liquiditeiten bij M.E. Beheer.” Volgens Hoitink bestond in de zomer van 2005, naar verwachting, voldoende ruimte om, middels onderzoek en overleg, aanzienlijk betere oplossingen te bereiken. Het is niet onbegrijpelijk of een verrassingsbeslissing dat het hof deze bevinding vervolgens heeft overgenomen (rov. 25.16., onder (a)).
onder Kdat het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof, in lijn met het rapport van Hoiting, heeft geoordeeld dat het liquiditeitstekort mogelijk overkomelijk was, ondanks de bezwaren van [eisers] in dit kader.
Onder Lklagen [eisers] dat het onbegrijpelijk is, voor zover het hof de door Hoitink in zijn rapport voorgedragen ‘definitieve oplossingen’ in zijn oordeel heeft meegenomen.
naar verwachting” aanzienlijk betere oplossingen te bereiken waren, maar dat in dit stadium “
onzeker” is of (aanzienlijk betere) alternatieve oplossingen zouden zijn bereikt.
relatie [eiser 1] - [eiser 2] , bestuur IJsselinvest, vergadering 15 juli 2005” één van de belangrijkste feiten in de cruciale periode vóór en ná 15 juli 2005 is geweest. Volgens [eisers] is het niet duidelijk waarom het hof dit feit zo belangrijk vindt en hoe het hof dit in zijn persoonlijk ernstig verwijt-oordeel heeft laten meewegen.
ten tijde vande transacties op 9 augustus 2005 had behoren te voorzien dat de transacties tot benadeling van M.E. Beheer zouden leiden en dat betere oplossingen denkbaar waren.
Onder Bbetogen [eisers] dat het oordeel van het hof onjuist of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid heeft miskend of onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom deze drempel in dit geval zou zijn gehaald.
achteraf gezienwellicht betere oplossingen mogelijk waren. Het hof heeft [eiser 1] verweten drie maanden na het overlijden van [betrokkene 1] twee ingrijpende overeenkomsten te hebben gesloten, zonder eerst voldoende onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven en zonder voldoende overleg te plegen met de erven/certificaathouders en overige betrokkenen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke handelwijze tot benadeling van M.E. Beheer zou kunnen leiden; dat heeft ook [eiser 1] in de zomer van 2005 kunnen en moeten voorzien.
thema 2.1: het hof is met zijn oordeel buiten de rechtsstrijd getreden; en
thema 2.2: het oordeel van het hof is onjuist of onvoldoende gemotiveerd.
nietomdat [eiser 2] volgens het hof inderdaad met [eiser 1] heeft samengespannen. Naar het oordeel van het hof Arnhem heeft [eiser 2] onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. gehandeld, omdat (i) [eiser 1] – door het bestaan van een tegenstrijdig belang – M.E. Beheer c.s. niet rechtsgeldig heeft vertegenwoordigd bij het sluiten van de overeenkomsten van 9 augustus 2005, (ii) M.E. Beheer c.s. dus (ondanks de IJsselinvest-transactie) eigenaren zijn gebleven van de aandelen in het kapitaal van IJsselinvest en (iii) [eiser 2] inbreuk heeft gemaakt op dit eigendomsrecht – en dus onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. heeft gehandeld – door zich de aan hen toebehorende aandelen in het kapitaal van IJsselinvest te doen overdragen en de feitelijke zeggenschap daarover aan M.E. Beheer c.s. te onttrekken. Het hof heeft het als volgt geformuleerd: [36]
13. De beslissing
Onder Bbetogen [eisers] dat het oordeel van het hof ook onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat de vereiste relativiteit (art. 6:163 BW Pro) daarin niet terugkomt. In de randnummers 3.3, 3.4 en 3.5 van de procesinleiding voegen [eisers] daaraan toe dat ook het vereiste causale verband ontbreekt en niet aan het schadevereiste is voldaan, waardoor volgens [eisers] ook rov. 25.30. en 25.31. niet in stand kunnen blijven.
thema 1: schadevergoeding in natura;
thema 2: overige schadevergoeding; en
thema 3: schade voortvloeiende uit de Robex-transactie.
de rechtsklacht in het kader van thema 2.1, onder A, gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 25.29. dat [eiser 2] onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. heeft gehandeld door, zonder het vereiste onderzoek te doen en zonder het vereiste overleg te voeren, de transacties van 9 augustus 2005 uit te voeren (randnummers 3.46 e.v. hiervoor);
de voortbouwklacht in het kader van thema 3.1, onder A, gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 25.30. dat de vordering tot vergoeding van schade in natura gegrond is (randnummer 3.59 hiervoor); en
de voortbouwklacht in het kader van thema 3.2, onder A, voor zover gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 25.31. dat de vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, ten opzichte van [eiser 2] kan worden toegewezen (randnummer 3.63 hiervoor).
4.Beoordeling van het middel in het incidentele cassatieberoep
onderdeel 1bestrijdt het oordeel dat onvoldoende vaststaat dat [betrokkene 1] op 24 december 2002 géén aandeelhoudersbesluit heeft genomen waarbij [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer is benoemd in geval van overlijden van [betrokkene 1] ;
onderdeel 2komt op tegen het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat sprake was van een tegenstrijdig belang bij [eiser 1] bij de transacties van 9 augustus 2005;
onderdeel 3ziet op het oordeel dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat op 14 april 2005 géén aanbiedingsplicht is overeengekomen ten aanzien van de aandelen in het kapitaal van IJsselinvest (verkoop voor een vaste prijs van € 400.000);
onderdeel 4bestrijdt het oordeel dat [eiser 1] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt door in het kader van de IJsselinvest-transactie te erkennen dat [eiser 2] , wegens de verkoop van een woonboulevard in Zwolle, een vordering op M.E. Beheer had van € 555.881 (zijnde 5% van de projectwinst); en
onderdeel 5bevat een aantal klachten tegen diverse oordelen van het hof.
randnummer 1.1betogen M.E. Beheer c.s. dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast op hen rust. Volgens M.E. Beheer c.s. is het uitgangspunt dat een persoon niet bevoegd is een ander te vertegenwoordigen, waardoor op de vertegenwoordiger (in dit geval [eiser 1] ) de bewijslast rust dat hij wél bevoegd was om M.E. Beheer te vertegenwoordigen.
randnummer 1.2klagen M.E. Beheer c.s. dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen van de partijen voldoende doorslaggevende argumenten van feitelijke aard heeft aangevoerd om de vraag te kunnen beantwoorden of [betrokkene 1] het aandeelhoudersbesluit al dan niet heeft genomen. Het hof heeft immers nagelaten om (kenbaar) een zevental essentiële stellingen van M.E. Beheer c.s., weergegeven onder (i) tot en met (vii), mee te wegen.
onder andere” door de [schriftdeskundige] gedane onderzoek heeft genoemd. Ook dit is niet onbegrijpelijk. Ook de stelling onder (vii) – over artikel 22 van Pro de statuten van M.E. Beheer – heeft het hof niet kenbaar in zijn behoordeling hoeven betrekken (zie de beoordeling van de klacht in randnummer 1.3 hierna).
randnummer 1.3voeren M.E. Beheer c.s. aan dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft overwogen dat niet voldoende vaststaat dat [betrokkene 1] op 24 december 2002 géén besluit heeft genomen, waarbij [eiser 1] in geval van overlijden van [betrokkene 1] is benoemd. M.E. Beheer c.s. hebben immers betoogd dat, kort gezegd, het beweerdelijke aandeelhoudersbesluit van 24 december 2002 is genomen nádat certificering van de aandelen in het kapitaal van M.E. Beheer plaatsvond (randnummer 1.2 hiervoor) en besluiten buiten vergadering op grond van artikel 22 van Pro de statuten van M.E. Beheer niet zijn toegestaan in het geval er certificaathouders zijn. Hierdoor is het besluit volgens M.E. Beheer c.s. nietig.
deze vereisten” niet is voldaan, maar de connectie met de eerdere certificering van de aandelen in het kapitaal van M.E. Beheer wordt niet gelegd. Het is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof hierop niet kenbaar is ingegaan.
randnummer 1.4voeren M.E. Beheer c.s. aan dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat zij slechts hebben betwist dat het aandeelhoudersbesluit is genomen en dat zij geen concreet bewijsaanbod (met namen van getuigen) hebben gedaan. M.E. Beheer c.s. hebben wel een dergelijk bewijsaanbod gedaan in de inleidende dagvaarding (randnummer 98.) en de memorie van grieven (randnummers 213. en 68.).
eisers[bieden]
aan hun stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van getuigen(…).” In randnummer 68. van de memorie van grieven hebben M.E. Beheer c.s. (slechts) aangeboden dat [betrokkene 2] onder ede verklaart wat hij weet over de al dan niet door [betrokkene 1] ondertekende notulen van de vergadering op 24 december 2002. M.E. Beheer c.s. hadden echter reeds een door [betrokkene 2] opgestelde en ondertekende verklaring overgelegd (productie 7 bij de memorie van grieven) en zij hebben nagelaten uiteen te zetten wat [betrokkene 2] in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring kan verklaren. Het hof heeft derhalve aan dit bewijsaanbod mogen voorbijgaan. In randnummer 213. van de memorie van grieven hebben M.E. Beheer c.s. nog een algemeen bewijsaanbod gedaan, in aanvulling op hun specifieke bewijsaanbod in onder meer randnummer 68. van de memorie van grieven. Bij deze stand van zaken heeft het hof niet onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat M.E. Beheer c.s. geen concreet bewijsaanbod hebben gedaan ten aanzien van hun stelling dat [eiser 1] niet door [betrokkene 1] bij zijn overlijden tot directeur van M.E. Beheer is benoemd.
voldoende zwaar van gewicht” zijn “
om in de weg te staan aan de conclusie dat sprake was van een tegenstrijdig belang”, waarbij het hof erop heeft gewezen dat, kort gezegd, (a) de liquiditeitspositie van M.E. Beheer slecht was, (c) de koopprijs reëel was en (d) de Belgische vennootschappen alleen aan [eiser 2] konden worden verkocht voor een vaste prijs van € 400.000. Volgens het hof brengt dit mee dat “
de vraag moet worden beantwoord of die feiten voldoende vast staan.” Naar het oordeel van het hof vormen de door [eisers] naar voren gebrachte gegevens over de liquiditeitspositie van M.E. Beheer, indien ze juist zijn, in beginsel voldoende grond voor het sluiten van de overeenkomsten van 9 augustus 2005, mits tenminste geen andere oplossingen voldoende duidelijk meer voor de hand zouden hebben gelegen en de prijs te billijken is. Het hof heeft daarom een onderzoek naar de liquiditeitspositie van M.E. Beheer geraden geacht. Dit alles heeft het hof als volgt geformuleerd:
randnummer 2.1klagen M.E. Beheer c.s. dat het oordeel van het hof onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof in rov. 4.7.5 heeft geoordeeld dat sprake is van een tegenstrijdig belang,
tenzijde door [eiser 1] gestelde feiten voldoende vast komen te staan. Uit de deskundigenrapporten, waarbij het hof zich heeft aangesloten (rov. 25.9.), blijkt dat de stellingen van [eiser 1] over de slechte liquiditeitspositie van M.E. Beheer
nietvoldoende zijn vast komen te staan. Het hof had daarom moeten oordelen dat sprake was van een tegenstrijdig belang.
tenzijde door [eiser 1] gestelde feiten voldoende vast komen te staan. Het hof heeft geoordeeld dat M.E. Beheer c.s. hun stelling dat sprake is geweest van een tegenstrijdig belang weliswaar voldoende hebben geconcretiseerd, maar dat nog de vraag moet worden beantwoord of de door M.E. Beheer c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden “
zodanig van gewicht zijn” dat tot de conclusie kan worden gekomen dat sprake was van een tegenstrijdig belang en dat in elk geval enkele door [eiser 1] aangevoerde feiten aan die conclusie in de weg staan (rov. 4.7.5, randnummer 4.20 hiervoor). Los van de door [eiser 1] aangevoerde feiten, diende het hof dus (ook) nog te beoordelen of de door M.E. Beheer c.s. gestelde feiten de conclusie van een tegenstrijdig belang konden dragen.
randnummer 2.2betogen M.E. Beheer c.s. dat het oordeel van het hof ook onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof enkele feiten niet (voldoende kenbaar) in zijn oordeel in rov. 25.35. heeft meegewogen. In
randnummer 2.3voeren M.E. Beheer c.s. aan dat het onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat het niet voldoende is om een tegenstrijdig belang aan te nemen dat [eiser 1] via de transacties in functie kon blijven tegen ongeveer dezelfde vergoeding. In
randnummer 2.4klagen M.E. Beheer c.s. dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het ging om het ontbreken van voldoende onderzoek en overleg en dat niets is gesteld waaruit volgt dat [eiser 1] het vereiste onderzoek en overleg niet had kunnen (uit)voeren. Volgens M.E. Beheer c.s. zorgt een tegenstrijdig belang er júist voor dat onderzoek en overleg niet (voldoende) worden gepleegd, waardoor het ontbreken van voldoende onderzoek en overleg juist een aanwijzing is dat [eiser 1] wél te maken had met een tegenstrijdig belang.
kunnen(laten) uitvoeren en het overleg had
kunnenvoeren, maar dat desondanks niet heeft gedaan, althans niet heeft
willendoen – ook al vroegen de erven/certificaathouders daar wel om – eerder een aanwijzing dat mogelijk een persoonlijk belang van invloed is geweest op de besluitvorming van [eiser 1] dan dat het wijst op het afwezig zijn van een tegenstrijdig belang. Ook de overwegingen van het hof dat de breuk in de vertrouwensrelatie tussen [eiser 1] en de erven/certificaathouders en de mogelijkheid voor [eiser 1] om via de transacties in functie te blijven tegen ongeveer dezelfde beloning onvoldoende zijn om het vereiste tegenstrijdig belang aan te nemen, zijn onvoldoende (want niet) gemotiveerd. Het hof had moeten motiveren wáárom de breuk in de vertrouwensrelatie met de erven/certificaathouders en de snel daarop volgende ‘doorstart’ van [eiser 1] met [eiser 2] – zonder voorafgaand aan die ‘doorstart’ voldoende onderzoek en overleg te plegen – van onvoldoende gewicht zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake was van een tegenstrijdig belang bij [eiser 1] . De overweging van het hof dat een aanmerkelijke, invloedrijke extra beloning als gevolg van de transacties, in welke vorm dan ook, niet is komen vast te staan, is in dit kader niet doorslaggevend. Ook zonder extra beloning stond er voldoende op het spel voor [eiser 1] , die – zoals de M.E. Beheer c.s. hebben aangevoerd – op het punt stond zijn (nagenoeg) enige inkomstenbron te verliezen toen zijn positie binnen M.E. Beheer onhoudbaar was geworden (rov. 4.7.1, onder iii).
randnummer 3.1klagen M.E. Beheer c.s. dat het hof met zijn oordeel art. 149 en Pro art. 150 Rv Pro heeft miskend, dan wel een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, omdat [eisers] zich op de aanbiedingsplicht hebben beroepen waardoor op hen de stelplicht en bewijslast rust.
randnummer 3.2betogen M.E. Beheer c.s. dat het onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] de argumenten van M.E. Beheer c.s. “
min of meer met gelijke munt” hebben weerlegd, waarbij het hof heeft verwezen naar stellingen van [eisers] inhoudende, kort gezegd, dat zij niet hebben vervalst en samengespannen en dat [betrokkene 1] kennelijk niet goed archiveerde.
geen doorslaggevende argumenten” zijn “
op grond waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat geen aanbiedingsplicht is overeengekomen.” Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat de twee stellingen van M.E. Beheer c.s. inderdaad “
op logica gebaseerde stellingen” zijn, die geen uitsluitsel geven over de vraag of op 14 april 2005 een aanbiedingsplicht is overeengekomen of niet.
randnummer 3.3voeren M.E. Beheer c.s. aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat zij hebben aangevoerd dat – ook als wél een aanbiedingsplicht voor de vaste prijs van € 400.000 is overeengekomen – de prijs te laag was en het hof niet op deze stelling is ingegaan.
voor zover inhoudende dat een verkoopprijs van € 400.000,- voor de Belgische vennootschappen een te lage prijs was.” Hieruit blijkt dat het hof het betoog van M.E. Beheer c.s., dat met € 400.000 een te laag bedrag was overeengekomen, heeft verworpen. Anders dan M.E. Beheer c.s. betogen, heeft het hof niet uitgebreider op het betoog van M.E. Beheer c.s. in dit kader hoeven ingaan. M.E. Beheer c.s. hebben kort gezegd betoogd dat de prijs te laag, willekeurig en dus onzorgvuldig was, [43] maar die stellingen zijn onvoldoende om een overeengekomen aanbiedingsplicht voor € 400.000 terzijde te schuiven. M.E. Beheer c.s. hadden op zijn minst moeten toelichten waarom de overeengekomen prijs van € 400.000 dusdanig laag was dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om M.E. Beheer c.s. aan die aanbiedingsplicht te houden. M.E. Beheer c.s. hebben dat niet gedaan. Het hof heeft dan ook aan het betoog van M.E. Beheer c.s. voorbij mogen gaan.
randnummer 4.1betogen M.E. Beheer c.s. dat het onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof in rov. 4.11.1 heeft geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat [eiser 2] de verrekening door M.E. Beheer heeft geaccepteerd. Voor verrekening is namelijk geen acceptatie nodig, maar slechts een verrekeningsverklaring. Die verklaring is aan de raadsman van [eiser 2] verzonden en [eiser 2] heeft met deze wijze van verrekenen ingestemd.
randnummer 4.2klagen M.E. Beheer c.s. dat het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat de verkoop in 1990 niet kan worden beschouwd als een verkoop in de zin van de overeenkomst van 28 februari 1989, omdat in 1990 slechts het project is verkocht en niet de gerealiseerde meubelboulevard. De winstfee is immers verschuldigd bij
realiseringvan de winst of bij
verkoopvan het project en niet bij
realisatievan het
project, zoals het hof ook in rov. 4.11.1 heeft overwogen. In
randnummer 4.3voegen M.E. Beheer c.s. hieraan toe dat het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat, kort gezegd, bij de verkoop in 1990 geen einde is gekomen aan de overeenkomst van 28 februari 1989 en dat de betalingsverplichting van M.E. Beheer nog bestaat en niet is verjaard. Volgens M.E. Beheer c.s. is het project, en daarmee het recht op de winstfee, immers wel met de verkoop in 1990 geëindigd.
randnummer 4.3dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dan wel een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de winstfee twee keer moest worden afgerekend.
randnummer 4.3aan dat het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat M.E. Beheer in 1993 de meubelboulevard heeft teruggekocht. M.E. Beheer c.s. hebben immers onbetwist gesteld dat Jamaica Onroerend Goed B.V. de boulevard in 1993 heeft gekocht, zodat niet valt in te zien waarom de winstfee ziet op de winst die Jamaica Onroerend Goed B.V. in het kader van de meubelboulevard heeft gemaakt.
randnummer 4.4klagen M.E. Beheer c.s. dat het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof in rov. 4.11.2 heeft geoordeeld dat de vordering niet binnen het bereik van de (vaststellings)overeenkomst van 13 juli 2001 valt. [47] Die overeenkomst ziet immers, gelet op artikel 3, op alles en hoeft dus niet specifiek de overeenkomst van 28 februari 1989 te benoemen.
randnummer 4.4dat het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [eiser 2] op enig moment betaling van M.E. Beheer heeft verlangd. Hij heeft dat immers reeds in 1999 gedaan. Om dezelfde reden is het ook onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd dat het hof heeft geoordeeld dat er in 1999 nog geen sprake was van een
opeisbarevordering. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat alleen opeisbare vorderingen onderwerp kunnen zijn van een vaststellingsovereenkomst, is dat oordeel volgens M.E. Beheer c.s. onjuist. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de (vaststellings)overeenkomst van 13 juli 2001 alleen op opeisbare vorderingen ziet, is dat oordeel, gelet op de tekst van de overeenkomst, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
randnummer 4.5betogen M.E. Beheer c.s. dat het onjuist en onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof in rov. 4.11.4 heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of het recht op de winstfee mocht worden gecedeerd. Van een cessie was immers geen sprake. In
randnummer 4.6voeren M.E. Beheer c.s. aan dat het onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een cessieverbod. Het hof had hoofdstuk 7 (“
Inspanning”) aan de hand van het
Haviltex-criterium moeten uitleggen en niet taalkundig.
de verbintenis tot betaling van de winstfeeniet mocht worden gecedeerd. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk; ik lees een dergelijk cessieverbod ook niet in de overeenkomst. Het hof heeft verder terecht overwogen dat artikel 7 van Pro de overeenkomst weliswaar een (gedeeltelijk) cessieverbod inhoudt, maar dat dit verbod slechts ziet op de bijzondere inspanningsverplichting van Robex om de werkzaamheden nog in 1989 te laten starten en (dus) niet op de verbintenis tot betaling van de winstfee. Anders dan M.E. Beheer c.s. betogen, wordt wel degelijk tot deze uitleg gekomen als de
Haviltex-maatstaf wordt gehanteerd. Nu de klachten in randnummer 4.6 falen – en dus vast staat dat de overeenkomst géén cessieverbod ten aanzien van de winstfee bevat – behoeven de klachten in randnummer 4.5 geen beoordeling.
randnummer 4.7klagen M.E. Beheer c.s. dat het hof in het kader van de beoordeling van grief X niet is ingegaan op essentiële stellingen van M.E. Beheer c.s., kort gezegd inhoudende dat [eiser 1] met de overeenkomsten van 9 augustus 2005 een betwiste vordering heeft erkend en verrekend, waardoor hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
de motiveringsklachten in de randnummers 2.2, 2.3 en 2.4, gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 25.35. dat de vorderingen van M.E. Beheer c.s. met betrekking tot vernietiging op de grondslag ‘tegenstrijdig belang’ moeten worden afgewezen (randnummers 4.24 e.v. hiervoor).