AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verduistering van gehuurde aanhangwagen en steigermaterialen door verdachte
De verdachte huurde op 4 oktober 2018 een aanhangwagen en steigermaterialen van een bedrijf. Na afloop van de huurperiode bracht hij deze niet terug en hield zich onbereikbaar voor de verhuurder. De verdachte verklaarde dat de goederen in Duitsland waren gestolen, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens en het uitblijven van aangifte.
Het hof concludeerde dat de verdachte zich de goederen wederrechtelijk had toegeëigend, omdat hij als heer en meester over de goederen beschikte zonder daartoe gerechtigd te zijn. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van veertig uur.
In cassatie voerde de verdachte aan dat het wederrechtelijk toe-eigenen niet uit de bewijsmiddelen bleek. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het cassatiemiddel faalde. Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar zag geen aanleiding tot andere rechtsgevolgen gezien de lichte straf.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van veertig uur wegens verduistering van gehuurde goederen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00797
Zitting21 juni 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 februari 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “verduistering” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslissingen genomen over de vordering van de benadeelde partij, de schadevergoedingsmaatregel en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte heeft C.H.W. Janssen, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het wederrechtelijk toe-eigenen niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 4 oktober 2018 tot en met 2 november 2018 te in Nederland, opzettelijk een aanhangwagen en steigermateriaal toebehorende aan [aangever], welk goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”
5. Het hof heeft voor het bewijs van dit feit de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2018, met bijlagen, dossierpagina’s 3-7, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever]:
(dossierpagina 3)
Ik doe aangifte van verduistering. Ik woon op de [a-straat 1] te [plaats]. Ik verhuur steigers aan particulieren onder de naam ‘[A]’. Op 4 oktober 2018 omstreeks 10:00 uur verscheen er een man die steigermateriaal wilde huren. We hebben een standaardovereenkomst ingevuld, waarop ik zijn identiteitsbewijs heb gekopieerd. De man heet volgens zijn Nederlandse identiteitsbewijs: [verdachte], wonende aan de [b-straat 1] te [plaats], We kwamen overeen dat hij een aanhangwagen zonder kenteken voor de duur van 1 dag huurde en dat hij steigermateriaal voor de duur van 1 week huurde.
(dossierpagina 4)
[verdachte] gaf aan dat hij nog een keer langs zou komen daar hij meerdere steigers nodig had. Op 4 oktober 2018, omstreeks 11.30 uur, kwam nogmaals [verdachte] bij mij. Hij verscheen nu met zijn eigen aanhangwagen. [verdachte] heeft wederom een borg betaald van € 250,- voor 10 meter Layher steiger.
Op 5 oktober 2018 is mijn aanhangwagen niet terug bezorgd door [verdachte]. Ik heb [verdachte] op 5 oktober gebeld, maar ik kreeg hem niet te pakken. Ik ben vervolgens op 5 oktober 2018 omstreeks 11.30/12.00 uur naar zijn woonadres te [plaats] gereden. [verdachte] was niet aanwezig. Op 5 oktober 2018 omstreeks 17.00 uur ben ik nogmaals naar het woonadres gegaan en heb zijn vriendin gesproken. Zij vertelde dat [verdachte] op donderdag 4 oktober 2018, door de politie was meegenomen voor een eerder vergrijp. Op 16 oktober 2018 heb ik de vriendin en [verdachte] gemaild, waarop ik geen antwoord heb gekregen.
2. Als Opmerkingen/relaas van [verbalisant], dossierpagina 2:
[verdachte] is na uitnodiging voor verhoor op 4 februari 2019 verschenen op het politiebureau te cuijk. [verdachte] zat tot 22 december 2018 in detentie, vandaar dat het verdachteverhoor op een later tijdstip plaatsvond.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 februari 2019, dossierpagina’s 8-11, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte]:
(dossierpagina 9)
V: De aangever in deze zaak, [aangever], van het bedrijf [A], heeft verklaard dat jij bij hem materiaal gehuurd hebt in oktober 2018. Welk materiaal heb jij bij [A] gehuurd?
A: Tweetal steigers en een steigeraanhangwagen.
V: Vanaf welke datum heb je dit materiaal gehuurd?
A: 4 oktober 2018.
V: Op 5 oktober 2018 omstreeks 17:00 uur sprak [aangever] jouw vriendin, die aangaf dat jij op 4 oktober was meegenomen door de politie en daardoor de spullen niet terug had kunnen geven. Uit onze systemen blijkt echter dat jij pas op 2 november bent aangehouden en dat jij in de tijd tussen 4 oktober en 2 november niet aangehouden bent geweest.
A: Ik was 4 oktober niet bij de politie geweest. Ik stond vanaf juli 2018 gesignaleerd voor twee weken hechtenis. 2 november 2018 heb ik mij gemeld aan het politiebureau te Nijmegen om mijn straf uit te zitten.
4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor zover inhoudend:
Ik heb [aangever] niet gebeld. Aangifte doen had geen nut.
5. Twee geschriften als bedoeld in art 344.1.5° WvSv, die alleen in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen worden gebruikt, te weten
een verzoek tot schadevergoeding ingekomen 13 maart 2019 dat als slachtoffer vermeldt [aangever], als parketnummer 01.049536.19 en als materiele schade:
(...) aanhanger (...) steiger (...) steiger
en
een wensenformulier, ingekomen 13 november 2019 ondertekend door [aangever] op 9 november 2019, inhoudend: lk wens mijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te handhaven.”
6. De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in:
“De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat, zoals is vereist voor verduistering, verdachte zich de aanhangwagen en/of het steigermateriaal wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
A.
In de tenlastelegging is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 SrPro toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.
B.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende gang van zaken.
De verdachte heeft op 4 oktober 2018 een huurovereenkomst gesloten met [aangever], eigenaar van [A] te [plaats]. De verdachte en [aangever] zijn overeengekomen dat de verdachte voor de duur van 1 week, ingaande op 4 oktober 2018, diverse steigermaterialen huurt. Verder heeft de verdachte per 4 oktober 2018 ook een aanhangwagen gehuurd, volgens [aangever], voor de duur van 1 dag. De verdachte heeft de aanhanger noch de steigermaterialen na afloop van de respectievelijke huurperiodes geretourneerd.
C. 1.
Verdachte heeft op 4 februari 2019 bij de politie verklaard dat hij de goederen niet heeft geretourneerd, omdat die goederen zouden zijn gestolen. Verdachte stelt dat hij de goederen nodig had voor een klus te [plaats], [c-straat 1] (Duitsland), die hij deed voor oude bekende van hem, ene [betrokkene 1]. Verdachte zou de goederen op 4 oktober 2018 nabij dat adres hebben neergezet. Toen hij op 5 oktober 2019 weer aldaar arriveerde om de steigers op te zetten bleken de goederen gestolen, aldus de verdachte.
C.2.
Het hof stelt in de eerste plaats vast dat verdachte geen verifieerbare gegevens, zoals telefoonnummer of adres van zijn beweerde opdrachtgever, [betrokkene 1], heeft medegedeeld. Een kaartje met daarop gegevens van [betrokkene 1] zou verdachte zijn kwijt geraakt.
Verder constateert het hof dat verdachte op 5 oktober 2018 noch in de periode nadien contact heeft gezocht met [aangever] om hem de diefstal van diens eigendommen te melden, terwijl dat wel in de rede had gelegen.
Van zijn kant heeft [aangever] direct op 5 oktober 2018, na de constatering dat verdachte de aanhangwagen niet had geretourneerd, zonder succes telefonisch contact gezocht met de verdachte. Ook is [aangever] die dag tot tweemaal toe langs gegaan bij de woning van de verdachte tijdens het tweede bezoek aan [aangever] verteld dat verdachte die dag was meegenomen door de politie voor een vergrijp, terwijl uit het dossier volgt dat de verdachte die dag en de periode tot de aangifte op vrije voeten was.
Ten slotte heeft [aangever] op 16 oktober 2018 nog een e-mail gestuurd naar verdachte waarop geen reactie is gekomen.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij van 5 oktober 2018 tot 2 november 2018, toen verdachte i.v.m. een andere zaak vast kwam te zitten, geen contact heeft gezocht met [aangever].
Het hof concludeert uit het voorgaande dan ook dat verdachte zich voor [aangever], zonder aannemelijke verklaring, onbereikbaar heeft gehouden.
Ten slotte is het hof van oordeel dat in de rede had gelegen dat de verdachte aangifte had gedaan, wanneer het steigermateriaal hem – als huurder/houder – ontstolen zou zijn.
Echter: daarnaar gevraagd heeft de verdachte gezegd dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij, tot zijn aanhouding op 2 november 2016, de politie ontliep. Dat acht het hof echter geen aannemelijke verklaring voor het uitblijven van aangifte na die aanhouding.
Daarnaar gevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar meegedeeld dat hij na zijn vrijlating geprobeerd heeft aangifte te doen, maar dat het volgens de Nederlandse politie geen nut had en dat het in Duitsland niet meer kon. Dit acht het hof, zonder specificatie (verifieerbare gegevens over het bezoek aan de politie en/of stukken ter zake) evenzeer onaannemelijk.
C. 3.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de verklaring van verdachte dat de goederen te Duitsland zijn gestolen als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.
D.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte als heer en meester over de ten laste gelegde goederen heeft beschikt.
De verdachte heeft de steigers en aanhangwagen onder zich gekregen. Hij kon daar dus feitelijk over beschikken. Hij moest de aanhanger na een dag en de steigermaterialen na een week terugbrengen naar [aangever], maar heeft dit niet gedaan. Uit de feiten, te weten:
dat de verdachte elk contact met [aangever] heeft ontlopen ondanks diens pogingen tot contact;
dat de verdachte [aangever] in het geheel niets meer van zich heeft laten horen;
dat de verdachte toen hij vier maanden na de huurperiodevoor het eerst door de politie over deze zaak werd gehoord een verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van contact en teruggave van het materiaal die het hof hiervoor ongeloofwaardig heeft geoordeeld en dat het steigermateriaal ook nadien nooit aan [aangever] is geretourneerd;
leidt het hof af dat sprake is van meer dan een kleurloos niet (tijdig) voldoen aan de contractuele verplichting tot teruggave en dat de verdachte het oogmerk had om zich het steigermateriaal en de aanhanger toe te eigenen en daar ook uitvoering aan heeft gegeven.”
Verweer van de verdediging en verklaring van de verdachte
7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2020 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte onder meer het volgende heeft aangevoerd:
“Aan de orde is de vraag of cliënt als heer en meester over de ten laste gelegde goederen heeft beschikt. Hij heeft inderdaad een aanhangwagen en steigermateriaal gehuurd. Hij heeft borg betaald van € 500,-. Cliënt verklaart dat hij de aanhanger óók voor een week gehuurd heeft. Op de huurovereenkomst lees ik ook niets terug over een huurperiode van 1 dag. Misschien is daar een misverstand over ontstaan. Ik ben van mening dat we moeten uitgaan van een huurperiode van de aanhanger van 1 week.
Vervolgens heeft cliënt de goederen neergezet op de locatie waar hij de klus zou uitvoeren. Toen hij terugkwam, bleek de boel te zijn gestolen. Hij durfde geen aangifte van diefstal te doen, omdat hij gesignaleerd stond voor een openstaande gevangenisstraf. Dit blijkt ook uit het dossier. Hij heeft verklaard dat hij later bij de politie nog wel heeft geprobeerd om een en ander uit te zoeken. De politie deelde hem echter mede dat aangifte doen niet meer kon.
Ik verwijs naar bestendige jurisprudentie (HR 2018, 1765, zoals in eerste aanleg naar voren is gebracht). Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat cliënt de goederen niet tijdig heeft geretourneerd en dat hij onbereikbaar bleef. Dit is niet voldoende voor het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening. Daarvoor is meer nodig. Cliënt stelt dat de volgende dag de spullen gestolen zijn. Dat de goederen daarvóór of nadien wederrechtelijk zijn toegeëigend, kan niet worden bewezen. De politierechter heeft overwogen dat zij het niet aannemelijk acht dat de spullen zijn gestolen, omdat dit niet kan worden aangetoond. Als we de verklaring van cliënt wegdenken, blijft in het midden wat er met de spullen gebeurd is. Ik ben in elk geval van mening dat niet kan worden bewezen dat cliënt als heer en meester over de goederen heeft kunnen beschikken en dat sprake is van verduistering. Het was netjes geweest om [aangever] op de hoogte te stellen van de
diefstal van zijn goederen, maar dit is niet van belang voor het strafrecht.
Ik verzoek uw hof derhalve om cliënt van het ten laste gelegde vrij te spreken. Gelet op de verzochte vrijspraak, ben ik van mening dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.”
8. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat de verdachte ter terechtzitting onder meer het volgende heeft verklaard:
“Ik heb steigermateriaal gehuurd bij [aangever] vanwege een klus. De eerste keer heb ik steigermateriaal en een aanhanger meegenomen en een borg betaald. Later op de dag heb ik met mijn eigen aanhanger het resterende steigermateriaal meegenomen en wederom een borg betaald. Ik heb twee keer € 250,- aan borg betaald, dus totaal € 500,-. Ik zou de steigers en de aanhanger een week huren. Dat is ook op papier gezet. Ik huur vaker steigers, maar ik heb niet eerder bij [aangever] steigers gehuurd.
Nadat ik het steigermateriaal had opgehaald, heb ik het naar Duitsland vervoerd. Ik zou daar de steigers opbouwen, een week laten staan en afbreken. Ik heb daar het steigermateriaal en de aanhanger neergezet. Ik zit in de bouw, dus ik heb vaker steigers geplaatst. De klus die ik had, zou in Duitsland plaatsvinden. Het adres kreeg ik van mijn opdrachtgever.
Ik kwam op een dag een oud-collega in de steigerbouw tegen, genaamd [betrokkene 1]. Wij hebben lang samengewerkt in de steigerbouw bij een groot steigerbouwbedrijf. Dan heb ik het over ongeveer 15 jaar geleden. Ik gaf aan hem aan dat ik in geldnood zat. [betrokkene 1] gaf aan dat ik bij hem kon komen klussen. Ik zou de steigers opbouwen, deze op de locatie van de klus laten staan en uiteindelijk, nadat de klus was voltooid, weer afbreken. Ik zou daar € 1.000,- voor krijgen.
Op dat moment beunde ik een beetje bij in de bouw. Ik werkte voor mijzelf. [betrokkene 1] gaf mij zijn kaartje. Daar stond een Duits telefoonnummer op.
Echter ben ik dit kaartje kwijtgeraakt. U vraagt mij wat ik van [betrokkene 1] wist vóórdat ik de klus aannam. [betrokkene 1] vertelde mij dat hij aannemer was en veel in Duitsland werkte. Hij is Pools. Ik heb gehoord dat hij terug naar Polen is gegaan. Ik hoorde pas achteraf dat hij dergelijke streken vaker had gehad. Ik wist dat niet.
U vraagt mij hoe het ophalen van het steigermateriaal precies in zijn werk ging. Ik heb de aanhanger achter een appartementencomplex bij een garage geparkeerd, niet in het zicht. Ik heb de aanhanger op slot gezet met een kopslot. Ik heb daarna mijn eigen aanhanger opgehaald en later in de middag ben ik met mijn eigen aanhanger teruggekomen om het overige steigermateriaal op te halen. Ik had mijn eigen aanhanger op dezelfde plaats neergezet en met een ketting vastgezet. De volgende ochtend ben ik weer teruggekomen en lag er niets meer. Alles was weg. Er lagen ook geen sloten meer. Ik heb nog bij bewoners van het appartementencomplex rondgevraagd of iemand iets had gezien. Er was bijna niemand thuis. Niemand had iets gezien. Verder heb ik nog rondgevraagd in mijn omgeving, bij aannemers in [plaats]. Een aantal van deze aannemers gaf aan dat het verhaal van zulke oplichtingen hen bekend voor kwam. Ik hoorde toen pas dat [betrokkene 1] een oplichter was.
U vraagt mij of ik, nadat ik meerdere verhalen van zulke oplichtingen had gehoord, [aangever] heb gebeld dat ik een probleem had. Ik heb [aangever] niet gebeld. Ik heb dat niet gedaan omdat ik veel stress had. Ik kon geen aangifte doen van de diefstal van het steigermateriaal, omdat ik zelf nog een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken moest uitzitten. Ik stond op de telex. Het was mij op dat moment niet bekend dat hij, [aangever], met mijn vriendin had gesproken. Achteraf gezien is het stom geweest dat ik niet meteen contact heb opgenomen met [aangever]. Ik was hopeloos en
radeloos. En aangifte doen had geen nut.
[…]
Op 4 oktober 2018 heb ik het steigermateriaal gehuurd en op 5 oktober 2018 zou [aangever] contact hebben opgenomen met mijn vriendin. Ik zat toen nog niet vast. Ik weet niets van een e-mailbericht dat [aangever] naar mij zou hebben gestuurd. Ik ben later, toen ik vrij was gekomen, nog naar de politie in Cuijk geweest om aangifte te doen. Maar dat had volgens de politie geen zin meer omdat ik dat meteen in Duitsland moeten doen. Ik heb vervolgens ook geprobeerd om in Duitsland aangifte te doen, maar dat kon niet meer. Ik heb daar verder geen stukken van.”
Juridisch kader
9. Bij de bespreking van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. In de bewezenverklaring is het begrip “zich wederrechtelijk toe-eigenen” – overeenkomstig de tenlastelegging – gebezigd in de betekenis die aan dit begrip in art. 321 SrPro toekomt. Van zodanig toe-eigenen is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als ‘heer en meester’ beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. [1] Bij verduistering ontbreekt, anders dan bij diefstal, een daad van wegnemen die als objectieve maatstaf kan gelden. De verdachte heeft het goed dan immers rechtmatig onder zich, waardoor de wil tot toe-eigening ergens anders uit moet blijken. Als die intentie niet in de verklaring van de verdachte zelf wordt verwoord, dan zal uit de feiten en omstandigheden (met name het gedrag) moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte met een wil tot toe-eigening als ‘heer en meester’ over het goed is gaan beschikken. Dat is bijvoorbeeld het geval als deze zonder toestemming van de (onwetende) eigenaar of de rechthebbende het desbetreffende voorwerp probeert te vervreemden (verkopen), uitlenen, schenken, verbergen, vernietigen of voor zichzelf wil behouden en hij zich aldus als eigenaar gedraagt. [2] De enkele omstandigheid dat de verdachte een gehuurd, geleased of geleend goed niet heeft teruggebracht of de verschuldigde geldsom niet heeft betaald, is niet voldoende voor het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening. [3] Er zal van een bijkomende omstandigheid moeten blijken, wil verduistering in beeld komen. [4]
10. Voor de beoordeling van het middel heeft voorts het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1765 bijzonder belang. In die zaak komt de Hoge Raad conform de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Bleichrodt tot een vernietiging van de daar bestreden uitspraak. In die uitspraak heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 8 augustus 2012 diverse (gehuurde) steigermaterialen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewijsvoering waarop deze bewezenverklaring steunt, houdt in dat i) de verdachte de gehuurde steigermaterialen niet heeft teruggebracht na afloop van de overeengekomen huurperiode van 19 juni 2012 tot 1 augustus 2012, ondanks herhaalde telefonische en schriftelijke verzoeken daartoe, en ii) hij na de aanbetaling van € 1550,- niet, zoals was afgesproken, het resterende deel van het totaal overeengekomen huurbedrag van € 3099,64 (op 5 juni 2012) heeft voldaan. Het hof heeft in deze zaak ook tot het bewijs gebezigd de – door het hof niet als kennelijk leugenachtige aangemerkte – verklaring van de verdachte, die inhoudt dat de gehuurde goederen in de nacht van 19 op 20 juni 2012 zijn gestolen. Ten aanzien van die verklaring van de verdachte heeft het hof in de bewijsoverweging overwogen dat: a) het hof vaststelt dat de verdachte van de door hem genoemde diefstal geen aangifte heeft gedaan, terwijl dat wel in de rede had gelegen; b) de verdachte op geen enkel moment duidelijk heeft gemaakt waarom hij dat heeft nagelaten; en c) gesteld noch gebleken is dat er voor de verdachte in de periode na het aflopen van de huurovereenkomst enig serieus te nemen beletsel bestond om contact op te nemen met de verhuurder om de diefstal van de gehuurde steigermaterialen te melden. De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd en overweegt daartoe in rechtsoverweging 2.4:
“Uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering kan - mede in aanmerking genomen de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, inhoudende dat de in de bewezenverklaring bedoelde goederen werden gestolen, zodat hij deze goederen kwijt was - niet zonder meer volgen dat de verdachte zich deze goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend in de hiervoor bedoelde zin. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.”
Bespreking van het middel
11. Blijkens de bewijsvoering in de onderhavige zaak heeft het hof het volgende vastgesteld. De verdachte heeft op 4 oktober 2018 een aanhangwagen voor de duur van één dag en steigermateriaal voor de duur van één week gehuurd van het bedrijf [A], waarvan [aangever] eigenaar is. Ten behoeve van de huur van deze goederen door de verdachte hebben de verdachte en de aangever een standaardovereenkomst ingevuld en heeft de verdachte een borg betaald. De door de verdachte gehuurde aanhangwagen en de steigermaterialen zijn nooit aan (het bedrijf van) de [aangever] terugbezorgd. De verdachte heeft zich vanaf 5 oktober 2018 – de dag waarop de aanhangwagen moest worden teruggebracht – onbereikbaar gehouden voor [aangever]. Anders dan op 5 oktober 2018 door de vriendin van de verdachte aan [aangever] wordt medegedeeld, is de verdachte niet op 4 oktober door de politie meegenomen voor een eerder vergrijp. De verdachte heeft zich op 2 november 2018 – dat is de laatste dag van de bewezenverklaarde periode in de onderhavige zaak – bij het politiebureau gemeld om een straf uit te zitten. De verdachte heeft tot 22 december 2018 in detentie gezeten. Deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden worden in cassatie niet bestreden.
11. In de bewijsvoering heeft het hof verder overwegingen gewijd aan de door de verdachte bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaring over het tenlastegelegde. Het hof heeft geoordeeld, dat de door de verdachte afgelegde verklaring, die inhoudt dat hij de gehuurde goederen niet heeft teruggebracht omdat deze in Duitsland zijn gestolen, als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Het hof heeft dat oordeel nader gemotiveerd door te wijzen op i) de vaststelling dat de verdachte geen verifieerbare gegevens, zoals een telefoonnummer of adres van zijn beweerde opdrachtgever, [betrokkene 1], heeft medegedeeld, ii) de constatering dat de verdachte noch op 5 oktober 2018 noch in de periode nadien contact heeft gezocht met [aangever] om hem de diefstal van diens eigendommen te melden, terwijl dat wel in de rede had gelegen, en iii) de vaststelling dat de verdachte zich voor [aangever], zonder aannemelijke verklaring, onbereikbaar heeft gehouden in de periode van 5 oktober 2018 tot 2 november 2018. Hoewel in cassatie niet specifiek wordt geklaagd over (de begrijpelijkheid of de motivering van) het oordeel van het hof dat de door de verdachte gegeven verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld, benadruk ik hier dat dit oordeel van het hof naar mijn inzicht de cassatietoets kan doorstaan. Gelet op wat het hof bij zijn feitelijke oordeel in aanmerking heeft genomen, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd dat het hof de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt.
11. In aanmerking genomen wat uit de bewijsvoering blijkt met betrekking tot het niet-retourneren van de gehuurde goederen en het onbereikbaar houden van de verdachte voor de eigenaar van deze goederen aan de ene kant, en hetgeen het hof heeft overwogen over de als ongeloofwaardig terzijde gestelde verklaring van de verdachte aan de andere kant, acht ik niet onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester heeft beschikt over de aanhangwagen en de steigermaterialen. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is hier niet sprake van een geval waarin enkel is vastgesteld dat iemand de goederen na afloop van de huurtermijn niet terugbrengt en onbereikbaar is. Het hof heeft in de bewijsvoering immers ook tot uitdrukking gebracht dat en waarom hetgeen de verdachte heeft verklaard als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld en, naar mijn inzicht, heeft het daarin grond kunnen zien voor zijn kennelijke oordeel dat, bij gebreke van een geloofwaardige verklaring voor het gebeurde, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode over de niet-teruggebrachte goederen als heer en meester heeft beschikt.
11. De omstandigheid dat het hof de door de verdachte gegeven verklaring over de diefstal van de gehuurde goederen als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld, is volgens mij ook van belang wanneer de voorliggende zaak wordt vergeleken met de zaak die heeft geleid tot het hierboven in het juridisch kader besproken arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1765. Hoewel de zaken opvallende overeenkomsten vertonen – in beide zaken is aan de orde: het niet-terugbrengen van gehuurde steigermaterialen, het onbereikbaar houden door de verdachte voor de eigenaar van de goederen, de verklaring van de verdachte dat de goederen waren gestolen, het niet-doen van aangifte door de verdachte van de door hem gestelde diefstal terwijl daarvoor door de verdachte geen (door het hof aannemelijk geachte) reden is gegeven – is er ook een belangrijk verschil. In tegenstelling tot het hof in de zaak die leidde tot het arrest uit 2018, heeft het hof in de onderhavige zaak de door de verdachte gegeven verklaring over de diefstal als ongeloofwaardig (en niet als kennelijk leugenachtig) aangemerkt en deze daarom niettot het bewijs gebezigd. Dat maakt dat in de voorliggende zaak niet, zoals wel het geval was in de zaak die leidde tot HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1765, gesteld kan worden dat het hof de met de bewezenverklaring onbestaanbare mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte niet als heer en meester over de goederen heeft beschikt omdat deze daadwerkelijk, conform de door de verdachte gegeven verklaring, op enig moment gestolen waren.
11. Het vorenstaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
III. Slotsom
16. Het middel faalt en leent zich mijns inziens voor afdoening met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
17. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 3 maart 2020. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en de taakstraf van veertig uren kan de Hoge Raad mijns inziens volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [5]
18. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik evenmin aangetroffen. [6]
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
6.Ik merk hier op dat in het dictum van het hof onder meer het volgende staat vermeld: “Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee).” Gesteld kan worden dat bij enkele lezing van dit dictum niet duidelijk is welke duur de gevangenisstraf heeft die aan de verdachte is opgelegd. Bezien in samenhang met de strafmotivering bestaat echter geen twijfel dat het hof aan de verdachte een (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van twee weken heeft opgelegd. De strafmotivering houdt immers onder meer het volgende in: “Alles overziende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 40 uren passend en geboden.” Tegen de achtergrond van de strafmotivering bestaat volgens mij geen noodzaak voor de Hoge Raad om ambtshalve uitdrukkelijk te overwegen dat hij het dictum van het hof zo leest dat daarin staat opgenomen dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Het kan evenwel zijn dat de Hoge Raad dit toch nuttig of nodig oordeelt met het oog op de (fase van) executie van deze straf. Vgl. voor een recent geval waarin de Hoge Raad in een uitdrukkelijke overweging aangeeft hoe hij de strafoplegging in het bestreden arrest moet worden verstaan: HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:577. In die zaak werd namens de verdachte geklaagd dat in het arrest van het hof een discrepantie bestaat tussen de in de strafmotivering genoemde straf en de straf die in het dictum is vermeld.