ECLI:NL:PHR:2022:59

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
20/03317
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 23 SvArt. 94 SvArt. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking over beslaglegging en beveelt herbehandeling klaagschrift

In deze zaak gaat het om een klaagschrift van een verdachte tegen de beslaglegging op diverse goederen, waaronder een auto, sieraden en merkkleding, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het klaagschrift deels gegrond en deels ongegrond, waarbij zij bepaalde voorwerpen teruggaf vanwege onduidelijkheid over de beslaggrondslag, terwijl andere voorwerpen werden behouden wegens verdenking van witwassen en conservatoir beslag.

Het openbaar ministerie en de klaagster stelden cassatieberoep in tegen deze beschikking. De advocaat-generaal (AG) concludeerde dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had waarom het aanhoudingsverzoek van het OM om het dossier aan te vullen was afgewezen, terwijl het OM niet duidelijkheid kon verschaffen over de omvang en titel van het beslag. Tevens was de motivering van de gedeeltelijke ongegrondverklaring onvoldoende, omdat de rechtbank niet duidelijk had vastgesteld welke strafvorderlijke bepalingen aan het beslag ten grondslag lagen.

De AG verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is gesteld dat de beklagrechter verantwoordelijk is voor een deugdelijk onderzoek en zo nodig het OM moet bevelen ontbrekende stukken te overleggen. In dit geval had de rechtbank het verzoek tot aanhouding te snel afgewezen, terwijl nog geen volledige dossierstukken waren overgelegd. De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt de beschikking, wijzend de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland voor een volledige en zorgvuldige herbehandeling van het klaagschrift.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift.

Conclusie

,
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03317 B
Zitting25 januari 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klaagster.

1.De cassatieberoepen

1.1.
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 10 september 2020 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de daarin genoemde op 18 september 2018 in beslag genomen voorwerpen, deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
1.2.
Tegen deze beschikking hebben zowel het openbaar ministerie als de klaagster cassatieberoep ingesteld.
Het cassatieberoep van het openbaar ministerie
1.3.
Mr. W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de rechtbank – voor zover het klaagschrift gegrond is verklaard – een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beslissing tot gegrondverklaring onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom aan het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie geen gevolg kon worden gegeven en wel heeft overwogen dat bij gebrek aan nadere onderbouwing de titel en wettelijke grondslag voor het beslag onduidelijk zijn.
Het cassatieberoep van de klaagster
1.4.
Mr. W.S. de Zanger, advocaat te Amsterdam, heeft namens de klaagster één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de beslissing tot de gedeeltelijke ongegrondverklaring van het klaagschrift, mede gelet op de namens de klaagster ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.

2.Waar het in deze zaak om gaat

2.1.
Op grond van de kernstukken kan in deze zaak – voor zover van belang – de procesgang als volgt worden samengevat.
(i) Op 18 september 2018 heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat initieel tegen de partner van de klaagster liep, een doorzoeking plaatsgevonden op het verblijfadres van de klaagster. Bij deze doorzoeking is een aantal goederen in beslag genomen, waaronder een auto, geld, diverse sieraden en merkkleding en -schoenen. Naar aanleiding van deze doorzoeking is de klaagster aangemerkt als verdachte van witwassen.
(ii) Op 26 maart 2020 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend met het verzoek tot opheffing van het beslag op en last tot teruggave van de daarin genoemde (kennelijk) in beslag genomen goederen.
(iii) Op 20 augustus 2020 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting maak ik op dat de raadsvrouw van de klaagster voorafgaand aan de zitting meermalen aan het openbaar ministerie heeft verzocht om kenbaar te maken op welke voorwerpen precies beslag is gelegd en onder welke titel en dat de verdediging beschikte over verschillende beslaglijsten, maar dat de rechtbank over slechts één beslaglijst beschikte waarop niet alle voorwerpen stonden die in het klaagschrift waren genoemd. De voorzitter heeft daarom aan de officier van justitie gevraagd duidelijkheid te verschaffen over de omvang, de titel en de status van het beslag. De officier van justitie heeft contact gezocht met de zaaksofficier van justitie, maar deze kon op dat moment geen antwoorden verschaffen. De officier van justitie heeft toen verzocht om aanhouding van de behandeling om meer helderheid te verschaffen over welke voorwerpen in beslag zijn genomen en wat de titels daarvan zijn. De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek ‘als tardief’ afgewezen, gelet op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en sinds het indienen van het klaagschrift en de herhaaldelijke pogingen van de verdediging om meer duidelijkheid te verkrijgen van het openbaar ministerie omtrent het beslag. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.
(iv) De rechtbank heeft vervolgens in haar beschikking beslist dat de in het klaagschrift genoemde voorwerpen die niet op de zich in het dossier van de rechtbank bevindende beslaglijst of beslagformulier voorkomen, dienen te worden teruggegeven aan de klaagster (voor zover er beslag op rust) en dat een aantal voorwerpen die wel op de beslaglijst voorkomen niet worden teruggegeven, ‘in verband met de verdenking van witwassen en het (kenbare) geldende conservatoir beslag met het oog op een eventuele ontnemingsvordering’.

3.Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel

3.1.
Het middel houdt als gezegd in dat de rechtbank – voor zover het klaagschrift gegrond is verklaard – een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beslissing tot gegrondverklaring onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom aan het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie geen gevolg kon worden gegeven en wel heeft overwogen dat bij gebrek aan nadere onderbouwing de titel en wettelijke grondslag voor het beslag onduidelijk zijn.
4. Het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 20 augustus 2020 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de inhoud van een als bijlage [I] aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.
De raadsvrouw voegt daaraan toe dat zij al meermalen met het OM heeft gecorrespondeerd over het beslag. Onduidelijk is op welke voorwerpen precies beslag is gelegd en onder welke titel. Er zijn verschillende beslaglijsten en niet duidelijk wat de status en de waarde is van het beslag. Ondanks herhaalde verzoeken heeft het OM daar geen duidelijkheid over gegeven en daarom heeft de verdediging al eerder verzocht om een standpunt van het OM en een overzicht van het beslag. In reactie op het klaagschrift is op 10 maart 2020 weer een andere beslaglijst ontvangen.
De officier van justitie voert als volgt het woord:
Ik verwijs naar het eerder ingenomen schriftelijke standpunt en verzet mij vanwege de daarin genoemde redenen tegen teruggave van de in het klaagschrift genoemde goederen.
De voorzitter merkt op dat in het DIVOS dossier uitsluitend genoemde beslaglijst van 10 maart 2020 te zien is en merkt op daar niet alle voorwerpen op staan die volgens de raadsvrouw onder beslag zouden zijn. Verder volgt uit het mailbericht van 18 augustus 2020 dat er kennelijk een machtiging conservatoir beslag is afgegeven, maar niet duidelijk is op welke voorwerpen dit betrekking heeft. De tenlastelegging maakt melding van een verdenking van het witwassen van euro’s, dollars en Zwitserse franken en van merkschoenen en -tassen. De voorzitter vraagt of het mogelijk is om duidelijkheid te verschaffen over de omvang, de titel en de status van het beslag.
De officier van justitie voert als volgt het woord:
Het is lastig hier een antwoord op te geven. Ik wist niet dat er nog meer aan de orde zou komen, dan alleen de spullen die op de beslaglijst staan.
De raadsvrouw merkt op dat zij al heel vaak gevraagd heeft om een overzicht van het beslag en dat zij de daartoe gevoerde correspondentie eventueel kan overleggen.
De officier van justitie verzoekt om een korte onderbreking zodat zij de gelegenheid heeft om de zaaksofficier van justitie te raadplegen.
De voorzitter onderbreekt desgevraagd het onderzoek in raadkamer. Na de onderbreking hervat de voorzitter het onderzoek in raadkamer.
De officier van justitie geeft aan dat zij op dit moment geen antwoord heeft op de vragen van de raadsvrouw en de rechtbank. Om die reden verzoekt zij om aanhouding van behandeling van de zaak. Dit teneinde de zaaksofficier van justitie alsnog in de gelegenheid te stellen, meer helderheid te verschaffen omtrent hetgeen in beslag is genomen en de titel van die beslagen.
De raadsvrouw reageert op het aanhoudingsverzoek als volgt:
Ik heb moeite met dit verzoek, omdat het openbaar ministerie de hand niet in eigen boezem steekt. Ik heb duizend keer gezegd, hoe kan ik een raadkamerzitting als deze doen, als het dossier een zooitje is. Derhalve persisteer ik bij mijn primaire verzoek tot teruggave. Subsidiair sluit ik aan bij het aanhoudingsverzoek, teneinde alsnog de mogelijkheid te bieden aan de officier van justitie om duidelijkheid te verschaffen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek in raadkamer voor beraad. Na de onderbreking hervat de voorzitter het onderzoek in raadkamer.
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek als tardief af, gelet op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en de sindsdien gevoerde correspondentie tussen de verdediging en het openbaar ministerie over het beslag en ook gezien de datum waarop het rekest is ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.”
4.1.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het klaagschrift aan een motiveringsgebrek lijdt. De overwegingen van de rechtbank komen erop neer dat een deugdelijk overzicht van inbeslaggenomen voorwerpen ontbreekt, dat niet duidelijk is wat de titel en de wettelijke grondslag van het beslag zijn en dat het openbaar ministerie deze niet nader heeft onderbouwd. Dat heeft de rechtbank volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd. Hij beroept zich daarbij op jurisprudentie over de eigen verantwoordelijkheid van de beklagrechter voor de deugdelijkheid en volledigheid van het onderzoek in raadkamer en de verplichting te (doen) onderzoeken welke strafvorderlijke bepaling aan het beslag ten grondslag ligt. Gesteld wordt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie vanwege het tijdsverloop onvoldoende is gemotiveerd.
4.2.
Mijn voormalig ambtgenoot Knigge heeft in een conclusie van 28 augustus 2012 [1] over de vraag hoe de rechter in een beklagprocedure dient om te gaan met het ontbreken van relevante stukken het volgende opgemerkt:
“4.7. Ik stel voorop dat - zoals uit art. 23 lid 1 Sv Pro blijkt - aan de beslissing van de beklagrechter een onderzoek vooraf dient te gaan. Voor de deugdelijkheid van dat onderzoek is de beklagrechter verantwoordelijk. Dat wordt onderstreept door het genoemde artikellid, dat bepaalt dat de rechter bevoegd is de nodige bevelen te geven dat het onderzoek "overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden". Tot die bepalingen behoort hetgeen art. 23 lid Pro 4
(thans lid 5, AG TS)Sv in zijn eerste volzin voorschrijft, namelijk dat het openbaar ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer overlegt. Met die overlegging wordt de rechterlijke oordeelsvorming gediend. Zonder de relevante stukken is de rechter immers niet goed in staat zich een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het beklag en over de rechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag. Dat betekent dat de beklagrechter gezien zijn verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek ambtshalve op de naleving van het voorschrift moet toezien. Met incomplete stukken kan hij geen genoegen nemen om de eenvoudige reden dat hij anders zijn taak niet kan vervullen. Hij zal dus zo nodig op grond van art. 23 lid 1 Sv Pro de overlegging van de ontbrekende stukken moeten bevelen. Het kan daarbij ook gaan om stukken waarover het openbaar ministerie op dat moment ook niet beschikt. Het aan de beklagrechter opgedragen onderzoek vertaalt zich in de praktijk dan ook niet zelden in een aan het openbaar ministerie verstrekte onderzoeksopdracht. [2]
4.8. De beklagrechter is voor een behoorlijke taakuitoefening dus tot op zekere hoogte afhankelijk van de medewerking van het openbaar ministerie. De beklagrechter heeft echter een stok achter de deur. Als het openbaar ministerie in gebreke blijft de verlangde stukken over te leggen, kan de beklagrechter daarin reden vinden het beklag gegrond te verklaren. Dat blijkt uit HR 24 november 1998, LJN ZD1433, NJ 1999/153. In deze zaak was de behandeling al twee keer tevergeefs aangehouden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om door middel van het overleggen van stukken opheldering te verschaffen. De Rechtbank vond het toen welletjes, weigerde de zaak een derde keer aan te houden en verklaarde het beklag gegrond omdat zij op basis van de voorhanden stukken niet kon beoordelen of het beslag rechtmatig was gelegd en rechtmatig voortduurde. De Hoge Raad ging daarmee akkoord. Hij overwoog dat de Rechtbank "kennelijk [heeft] geoordeeld dat het niet langer strookte met beginselen van een goede procesorde als een beslissing op het beklag nog langer zou uitblijven (...)". Volgens de Hoge Raad gaf "dit zowel op het belang van een goede strafvordering als op dat van klaagster afgestemde oordeel, de weging en waardering van welke belangen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt", geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dat oordeel "in het licht van de vorenweergegeven feiten en omstandigheden" niet onbegrijpelijk.
4.9. De conclusie die uit het voorgaande kan worden getrokken, is dat het enkele feit dat een beoordeling van het beklag op grond van de voorhanden stukken niet goed mogelijk is, geen reden oplevert om het beklag gegrond te verklaren. De onderzoekstaak van de beklagrechter brengt in een dergelijk geval mee dat hij zich aanvullend laat informeren, in het bijzonder door het geven van een bevel aan het openbaar ministerie om stukken over te leggen. Pas als dat geen resultaat heeft, komt er een moment waarop op grond van een afweging van belangen kan worden geoordeeld dat verder uitstel zich niet verdraagt met beginselen van een goede procesorde.”
4.3.
Aan deze beschouwingen van Knigge, die ik (nog steeds [4] ) graag onderschrijf, kan nog worden toegevoegd dat uit rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in het geval de officier van justitie verzoekt de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde het dossier te kunnen aanvullen met ontbrekende informatie, de rechter er bij de beoordeling van het beklag blijk van zal moeten geven bij dat oordeel te hebben betrokken dat en waarom die gelegenheid aan de officier van justitie niet kon worden geboden. [5] Bovendien heeft de beklagrechter een eigen verantwoordelijkheid te (doen) onderzoeken welke strafvorderlijke bepaling aan het betreffende beklag ten grondslag ligt. [6]
4.4.
In het onderhavige geval heeft de rechtbank de afwijzing van het verzoek om de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde meer informatie te verschaffen wel gemotiveerd. De rechtbank heeft verwezen naar het tijdsverloop sinds de inbeslagneming, de gevoerde correspondentie tussen de verdediging en het openbaar ministerie over het beslag (die zich niet in het dossier bevindt, maar die de rechtbank kennelijk heeft aangenomen op grond van de mededelingen van de raadsvrouw in raadkamer) en naar de datum waarop het klaagschrift is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank was er daarom reeds voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.
4.5.
Het is de vraag of de rechtbank de afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend heeft gemotiveerd en gelet op het ontbreken van een deugdelijk overzicht en/of nadere onderbouwing door het openbaar ministerie van de titel en wettelijke grondslag voor (voortduring van) het beslag (zie 5.2 hierna), kon bevelen dat een aantal niet op de beslaglijst van de rechtbank voorkomende voorwerpen teruggegeven dienen te worden aan de klaagster.
4.6.
Ik heb hierover geaarzeld omdat ten tijde van de behandeling van het klaagschrift reeds twee jaren waren verstreken sinds de inbeslagneming en tussen de indiening van het klaagschrift en de behandeling ervan ook nog eens vijf maanden waren verlopen. In die periode heeft de raadsvrouw kennelijk meermalen gerappelleerd om duidelijkheid te verkrijgen. Daar komt bij dat in het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie van 8 juni 2020 niet is gereageerd op de in het klaagschrift genoemde onduidelijkheid over de status van het beslag. Toch meen ik dat de rechtbank het verzoek om aanhouding van de officier van justitie had moeten honoreren. Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank, zoals hiervoor in de conclusie van AG Knigge is uiteengezet, een zelfstandige verantwoordelijkheid draagt voor de volledigheid en deugdelijkheid van het onderzoek en zich er ambtshalve van moet vergewissen waar het beslag op is gebaseerd.
4.7.
Een van de middelen die de beklagrechter tot zijn beschikking heeft als het openbaar ministerie in gebreke blijft in dergelijke informatie te voorzien, is het bevelen de benodigde stukken boven water te halen. Pas als een bevel tot het overleggen van stukken geen resultaat heeft, komt er mijns inziens een moment waarop op grond van een afweging van belangen (dat van een goede strafvordering enerzijds en dat van de klaagster anderzijds) kan worden geoordeeld dat verder uitstel van een beslissing op het beklag zich niet langer verdraagt met beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De zaak werd voor het eerst in raadkamer behandeld. Dat de rechtbank het in dit geval, gelet op de veronderstelde correspondentie tussen het openbaar ministerie en de raadsvrouw, het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en de indiening van het klaagschrift, welletjes vond, is zeker invoelbaar. Maar gelet op de omstandigheid dat de behandeling van het klaagschrift nog niet eerder was aangehouden en de beklagrechter nog had kunnen (of eigenlijk moeten) bevelen tot de overlegging van de benodigde stukken, ben ik van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om aanhouding ontoereikend is gemotiveerd.
4.8.
Tot slot merk ik op dat de klacht van het openbaar ministerie zich blijkens het middel beperkt tot de beslissing van de rechtbank tot gegrondverklaring van het beklag en niet is gericht tegen de gedeeltelijke ongegrondverklaring van het klaagschrift. Ik meen dat de ontoereikend gemotiveerde afwijzing van het aanhoudingsverzoek het gehele oordeel van de rechtbank over het klaagschrift raakt, zodat de gehele beschikking dient te worden vernietigd en het klaagschrift in zijn geheel opnieuw moet worden behandeld in raadkamer.
4.9.
Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel slaagt.

5.Het namens de klaagster ingediende middel

5.1.
Het middel klaagt als gezegd dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift deels ongegrond is, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, mede gelet op de namens de klaagster ingenomen (uitdrukkelijk) onderbouwde standpunten in de beklagprocedure.
5.2.
De beschikking van de rechtbank houdt – voor zover van belang – het volgende in:

Standpunt klaagsterNamens klaagster is door de raadsvrouw - kort samengevat - onder meer het volgende aangevoerd. Cliënte stelt zich op het standpunt dat het beslag onrechtmatig is, reeds omdat er geen sprake zal kunnen zijn van een veroordeling voor witwassen, een feit dat wordt bedreigd met een boete van de vijfde categorie. Bij cliënte was geen sprake van (bewijs van) opzet en bovendien zijn de beslagen voorwerpen waarvan teruggave wordt verzocht niet van misdrijf afkomstig. De verdenking van witwassen ziet bovendien concreet op de verhulling van de herkomst van Euro 8750,3200 USD en 1200 Zwitserse Franken, 25 paar (merk)schoenen en/of 5 (merk)tassen. Er is dus ook om die reden geen wettelijke grondslag voor voortduring van de beslaglegging op de auto, de sieraden en de spaarbankboekjes van de kinderen. Tijdens haar verhoren heeft cliënte het witwassen ook concreet ontkend ten aanzien van een groot aantal van de in beslag genomen voorwerpen. De sieraden, het buitenlandse geld en de spaarbankboekjes, waarvan teruggave wordt verzocht, bevonden zich in een tasje dat cliënte achter de kledingkast in haar slaapkamer had verstopt tegen inbraak. Al deze voorwerpen zijn door anderen aan haar en/of haar kinderen gegeven als cadeau(geld) en zijn dus niet van de vader van haar kinderen en niet van criminele herkomst afkomstig. Cliënte, haar man en de kinderen hebben deze gekregen ter gelegenheid van hun Roma huwelijk, de geboorten en de verjaardagen van de kinderen. Ook over de beslagen kleding heeft zij verklaard. Cliënte was verder te goeder trouw toen zij de in beslag genomen personenauto, een VW Golf met kenteken [kenteken] , kreeg ten behoeve van de verzorging van haar kinderen en het voeren van de huishouding. Cliënte heeft dan ook geen afstandsverklaring getekend voor de auto en verzoekt om teruggave ervan dan wel om de waarde die de auto vertegenwoordigt.
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw er (onder meer) nog uitdrukkelijk op gewezen dat zij de afgelopen tijd het openbaar ministerie meermaals heeft verzocht om een duidelijk overzicht van de in beslag genomen voorwerpen, de waarde van de in beslag genomen voorwerpen, de titel van het beslag, de naam van de persoon onder wie beslag is gelegd, en de waarde van eventuele vervreemding. Op 10 maart 2020 is de beslaglijst gemaild, die zich in het digitale dossier bevindt. Echter, uit de stukken die aan de raadsvrouw zijn verstrekt, blijkt dat er meerdere beslaglijsten zijn die van elkaar verschillen en die bovendien geen opgave doen van de titel van het beslag, van de persoon onder wie beslag is gelegd en (vrijwel) geen waarde noemen. Het is inmiddels bijna twee jaar geleden dat het beslag is gelegd en nog altijd bestaat daarover geen helderheid, aldus nog steeds de raadsvrouw.
Standpunt officier van justitieIn het schriftelijk standpunt van de officier van justitie is het volgende naar voren gebracht. Verdachte wordt (nog op basis van de summiere dagvaarding) vervolgd voor het witwassen van de inbeslaggenomen goederen. Zowel de rechter-commissaris, de raadkamer van de rechtbank, als het Hof (na appel tegen de gevangenhouding) hebben ernstige bezwaren aangenomen. Het is dus zeker niet, anders dan de raadsvrouw suggereert, hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de verzochte voorwerpen zal bevelen. Gezien de aangenomen ernstige bezwaren is het juist zeer waarschijnlijk dat de rechter dit zal bevelen.
Voorts is het gezien de vaststelling dat verdachte diverse uitgaven heeft gedaan en daarnaast ongeveer € 73.746,57 aan contante stortingen heeft verricht, zonder dat zij over relevante inkomsten beschikte, sprake van voldoende aanleiding om te vermoeden dat zij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het is dus ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De inbeslaggenomen goederen kunnen ter zekerheidsstelling van die betalingsverplichting dienen. Ter zitting heeft de officier van justitie, niet zijnde de zaaksofficier, ook na onderbreking van de behandeling desgevraagd geen antwoord kunnen geven op de vragen van de raadsvrouw en de raadkamer en daarom verzocht om aanhouding van behandeling van de zaak. Dit teneinde het openbaar ministerie alsnog in de gelegenheid te stellen meer helderheid te verschaffen omtrent hetgeen in beslag is genomen en de titels van die beslagen. De raadkamer heeft het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie als tardief afgewezen gelet op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming, de sindsdien gevoerde correspondentie tussen de verdediging over het beslag en de datum indiening van het rekest.
Overwegingen van de rechtbank.Inhoud van het beslagdossierDe rechtbank stelt vast dat zij beschikt over de volgende dossierstukken met betrekking tot het beslag. In het digitale dossier (DIVOS) in de map ‘beslag’ bevindt zich een beslaglijst van 10 maart 2020, alsmede twee brieven van het openbaar ministerie aan Domeinen met berichtgeving van de beslissing om de daarin genoemde voorwerpen te deponeren bij Domeinen. Verder is in de DIVOS map ‘conservatoir beslag’ aangetroffen een formulier “Kennisgeving” C8 model E”.
Per mail van 18 augustus 2020 is door de rechtbank voorts ontvangen een vordering machtiging conservatoir beslag van 11 juli 2019 van de officier van justitie, alsmede een machtiging conservatoir beslag van de rechter-commissaris d.d. 11 juli 2019, waaruit volgt dat er conservatoir beslag gelegd mag worden tot een bedrag van € 75.501,73.
Beslaglijst 10 maart 2020 (in DIVOS)Op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel van 10 maart 2020 met parketnummer 15-186684-18 op naam van verdachte [betrokkene 1] , staan de voorwerpen met de volgende nummers:
• 2 tot en met 5
• 9 en 10
• 15 en 16
• 18 tot en met 25
• 29 tot en met 31
• 33
• 40
• 42 tot en met 44
• 51 tot en met 57
• 60 tot en met 79
• en 87.
Ten aanzien van alle voornoemde nummers op de beslaglijst is volgens deze lijst beslist dat die moeten worden gedeponeerd, met uitzondering van de nummers 2 en 3 (bankboekjes Caixa-bank): geen beslissing bekend. Met betrekking tot de nummers 43 en 44 is de beslissing dat die vernietigd moeten worden (wapens).
Verder is er een beslaglijst d.d. 21 november 2019, overgelegd door de verdediging als bijlage bij het rekest. Deze is niet in het digitale dossier opgenomen en vermeldt in afwijking van de beslaglijst van 10 maart 2020 de navolgende nummers met als beslissing:
Vervreemden:• Nummer 1 1 STK personenauto (18-079944-87) (waarde ruim 11000 euro)
Deponeren:• Nummer 6 1 STK Ring (18-079944-62) Goud
• Nummer 7 2 STK Oorbel (18-079944-63) Zizov diamonds
• Nummer 8 2 STK Oorbel (18-079944-64) Zilver
• Nummer 11 1 Horloge ( 18-079944-67) Cartier
• Nummer 12 1 STK Horloge (18-079944-68) Cartier
• Nummer 13 1 STK Horloge (18-079944-69) Cartier
• Nummer 14 5 STK Sieraad ( 18-079944-70) Zilver
• Nummer 17 1 PR Schoenen (18-079944-23) Bruin, Merk: L.K. Benett
• Nummer 26 1 PR Schoenen (18-079944-38) Zwart, Merk: Louis Vuitton
• Nummer 27 1 PR Schoenen (18-079944-39) Bruin, Merk: Gucci
• Nummer 28 1 PR Schoenen (18-079944-40) Zwart, Merk: Hermes Paris
• Nummer 32 1 PR Schoenen (18-079944-44) Creme, Merk: Louis Vuitton
• Nummer 34 1 PR Schoenen (18-079944-78) Christian Louboutin
• Nummer 35 1 PR Schoenen (18-07944-79) Louis Vuitton
• Nummer 36 1 PR Schoenen ( 18-079944-80) Christian Louboutin
• Nummer 37 1 PR Schoenen (18-079944-81) Blauw, Merk: Louis Christian
• Nummer 38 1 PR Schoenen (18-079444-82) Jimmy Choo
• Nummer 39 1 PR Schoenen (18-079944-83 Moresschi
• Nummer 41 1 PR Schoenen (18-079944-85) Zwart, Merk: Gucci
• Nummer 45 1 STK Tas (18-079944-24) Bruin, merk Louis Vuitton
• Nummer 46 1 STK Tas (18-079944-25) Meerkleurig, merk Louis Vuitton
• Nummer 47 1 STK Tas (18-079944-26) Meerkleurig, merk Louboutin
• Nummer 48 1 STK Tas (18-079944-27) Zwart, merk Gucci
• Nummer 49 1 STK Tas (18-079944-28) bruin, merk Gucci
• Nummer 50 1 STK Tas (18-079944-29) onbekend, merk Gucci
• Nummer 58 1 STK Tas ( 18-079944-97) Louis Vuitton
• Nummer 59 1 STK Portemonnee (18-079944-98) Louis Vuitton
Uit de brieven van 10 december 2020 volgt dat het openbaar ministerie aan Domeinen heeft bericht over de beslissing om de navolgende goederen te deponeren bij Domeinen:
• 18-079944 17 1 PR Schoenen (18-079944-23) Bruin, Merk: L.K. Benett
• 18-079944 18 1 PR Schoenen (18-079944-30 Zwart, Merk: Dolce & Gabbana
• 18-079944 19 1 PR Schoenen (18-079944-31) Bruin, Merk: Santoni
• 18-079944 20 1 PR Schoenen ( 18-079944-32) Bruin, Merk: Brioni
• 18-079944 21 1 PR Schoenen (18-079944-33) Zwart, Merk: Gucci
• 18-079944 22 1 PR Schoenen (18-079944-34) Grijs, Merk: Borgioli
• 18-079944 23 1 PR Schoenen ((18-079944-35) Bruin, Merk: Suitsupply
• 18-079944 24 1 PR Schoenen (18-079944-36) Zwart, Merk: Santoni
• 18-079944 25 1 PR Schoenen (18-079944-37) Bruin, Merk: Santoni
• 18-079944 26 1 PR Schoenen (18-079944-38) Zwart, Merk: Louis Vuitton
• 18-079944 27 1 PR Schoenen (18-079944-39) Bruin, Merk: Gucci
• 18-079944 28 1 PR Schoenen (18-079944-40) Zwart, Merk: Hermes Paris
• 18-079944 29 1 PR Schoenen (18-079944-41) Meerkleurig, Merk; Guess
• 18-079944 30 1 PR Schoenen (18-079944-42) Zwart, Merk: Louis Vuitton
• 18-079944 31 1 PR Schoenen (18-079944-43 Zwart, Merk: Onbekend
• 18-079944 32 1 PR Schoenen (18-079944-44) Creme, Merk: Louis Vuitton
• 18-079944 33 1 STK Schoenen (linker) Bruin, Merk: Onbekend
• 18-079944 34 1 PR Schoenen ( 18-079944-78) Christian Louboutin
• 18-079944 35 1 PR Schoenen (18-07944-79) Louis Vuitton
• 18-079944 36 1 PR Schoenen (18-079944-80) Christian Louboutin
• 18-079944 37 1 PR Schoenen ( 18-079944-81 ) Blauw, Merk: Louis Christian
• 18-079944 38 1 PR Schoenen (18-079444-82) Jimmy Choo
• 18-079944 39 1 PR Schoenen ( 18-079944-83 Moresschi
• 18-079944 40 1 PR Schoenen (18-079944-84 Zwart, Merk: Louis Vuitton
• 18-079944 41 1 PR Schoenen (18-079944-85) Zwart, Merk: Gucci
• 18-079944 42 1 PR Schoenen (18-079944-86) Bruin, Merk: Louis Vuitton
• 18-079944 66 1 STK betaalbon Media Markt (18-079944-19)
• 18-079944 67 1 STK Factuur (18-079944-54)
• 18-079944 72 1 STK Factuur Louis Vuitton (18-079944-59)
• 18-079944 65 1 STK 1D kaart cash paspoort Caixa bank( 18-079944-18)
• 18-079944 68 2 STK notities (18-079944-55)
• 18-079944 69 4 STK Visitekaartje (18-079944-56)
• 18-079944 70 1 STK Gold Card (18-079944-57) (Omschrijving: Western Union)
• 18-079944 71 1 STK ID kaart cash paspoort Caixa bank (18-079944-58)
• 18-079944 73 1 STK bankboek La Caixa (18-079944-60)
• 18-079944 74 1 STK Niet te definieren goederen
• 18-079944 75 1 STK griekse cheque (18-079944-73)
Op formulier C8 model E (in depot bij Domeinen) staan vermeld de nummers:
• Nummer 35 Schoenen 1 Paar schoenen, merk Louis Vuitton
• Nummer 58 Tas 1 Tas, merk Louis Vuitton
• Nummer 59 Portemonnee 1 portemonnee, merk Louis Vuitton.
Oordeel van de rechtbankDe rechtbank heeft de voorwerpen waarvan teruggave wordt verzocht, vergeleken met de beslaglijsten. Dit leidt tot de conclusie dat de volgende voorwerpen voor zover de rechtbank bekend, niet op enige beslaglijst voorkomen en de status van deze voorwerpen thans onbekend is. De verdediging heeft gesteld dat deze voorwerpen ter gelegenheid van huwelijk, geboorte en/of verjaardagen als cadeau zijn ontvangen en (deels) aan de kinderen toebehoren en daarom om teruggave verzocht. Bij gebrek aan een deugdelijk overzicht en/of een nadere onderbouwing door het openbaar ministerie van de titel en wettelijke grondslag voor (voortduring van) het beslag dienen na te noemen voorwerpen derhalve geretourneerd dienen te worden:
• Witgouden ring, (taxatierapport Silberman p. 3),
• Twee gouden tennisarmbanden, (taxatierapport Silberman p. 4)
• Een witgouden tennisarmband, taxatierapport Silberman p. 5)
• Een witgouden choker ketting, taxatierapport Silberman p. 5)
• Alle Zwitserse Franken
• Alle Amerikaanse dollars.
Hoewel de (legale) herkomst van de kleding en een Cartier tas door de verdediging niet nader zijn geduid, zullen die bij het ontbreken van enige titel en of wettelijke grondslag voor (voortduring van) het beslag ook geretourneerd dienen te worden.
Ten aanzien van de navolgende schoenparen geldt dat deze weliswaar op de door de verdediging overgelegde beslaglijst van november 2019 staan vermeld, maar deze lijst maakt geen deel uit van het (digitale) strafdossier als bekend bij de rechtbank. Bij gebrek aan nadere onderbouwing is de titel en wettelijke grondslag voor de (voortduring van) het beslag derhalve onduidelijk en daarom dienen eveneens na te noemen goederen geretourneerd te worden:
• 18-079944 26 1 PR Schoenen (18-079944-38) Zwart, Merk: Louis Vuitton)
• 18-079944 27 1 PR Schoenen (18-079944-39) (Bruin, Merk: Gucci)
• 18-079944 28 1 PR Schoenen (18-079944-40 (Zwart, Merk: Hermes Paris)
• 18-079944 32 1 PR Schoenen (18-079944-44 (Crème, Merk: Louis Vuitton)
• 18-079944 34 1 PR Schoenen (18-079944-7 (Christian Louboutin)
• 18-079944 36 1 PR Schoenen (18-079944-80) (Christian Louboutin)
• 18-079944 37 1 PR Schoenen (18-079944-81)(Blauw, Merk: Louis Christian)
• 18-079944 38 1 PR Schoenen (18-07944-82) (Jimmy Choo)
• 18-079944 39 1 PR Schoenen (18-079944-83)(Omschrijving: Moresschi)
• 18-079944 41 1 PR Schoenen (18-079944-85) Zwart, Merk: Gucci
Daarnaast geldt ten aanzien van de navolgende goederen, die kennelijk wel op de door de verdediging overgelegde beslaglijst van november 2019 stonden dat niet uitgesloten is dat deze gedeponeerd dan wel vervreemd zijn in het kader van conservatoir beslag. Dit met het oog op een eventuele ontnemingsvordering. De voorwerpen komen echter niet voor op een (conservatoir) beslaglijst in het digitale strafdossier, zodat ook van na te noemen goederen de status thans onduidelijk is. De verdediging heeft gesteld dat deze voorwerpen ter gelegenheid van huwelijk, geboorte en/of verjaardagen als cadeau zijn ontvangen en (deels) aan de kinderen toebehoren en daarom om teruggave verzocht. Bij gebrek aan een deugdelijk overzicht en/of een nadere onderbouwing door het openbaar ministerie van de titel en wettelijke grondslag voor (voortduring van) het beslag dienen daarom ook de volgende voorwerpen geretourneerd te worden:
• de auto [kenteken] , waarde blijkens beslaglijst november 2019 euro 11.500
• een geelgouden ring (vermoedelijk nr 62 beslaglijst november 2019, (, )
• een paar witgouden creolen oorbellen ("‘Gouden oorstekers“) vermoedelijk nr 63, beslaglijst november 2019) een paar witgouden oorclips met stekers (vermoedelijk nr 64 (beslaglijst november 2019) een stalen herenhorloge Cartier Chronoscoph 21 met chronograaf, vermoedelijk nr. 67 (beslaglijst november 2019) een stalen herenhorloge Cartier Pasha vermoedelijk nr 68 (beslaglijst november 2019)
• Cartier Pasha, vermoedelijk nr 69, (beslaglijst november 2019).
Voortduring van het beslagDe volgende voorwerpen worden niet geretourneerd. Dit in verband met de verdenking van witwassen en het (kenbare) geldende conservatoir beslag met het oog op een eventuele ontnemingsvordering. Het betreft:
• Twee spaarbankboekjes tevens vorderingen op Caixabank tnv [naam 1] (491,57) en [naam 2] (492,58) (nummers 2 en 3 beslaglijst maart 2020)
• 13 paar schoenen (nummers 18-25 en 29-31 en 33 op de beslaglijst van 20 maart 2020)
• Een zonnebril (nummer 63 beslaglijst maart 2020)
• Nummer 35 Schoenen 1 Paar schoenen, merk Louis Vuitton
• Nummer 59 Portemonnee 1 portemonnee, merk Louis Vuitton
Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.
3. BeslissingDe rechtbank:
verklaart het klaagschrift
partieel gegrond, heft op het daarop gelegde beslag voor zover daarvan sprake is en gelast de teruggave aan klager van:
• witgouden ring,
• twee gouden tennisarmbanden, een witgouden tennisarmband, een witgouden choker ketting, alle Zwitserse Franken,
• alle Amerikaanse dollars,
• kleding,
• een Cartiertas,
• 18-079944 26 1 PR Schoenen (18-079944-38) Zwart, Merk: Louis Vuitton),
• 18-079944 27 1 PR Schoenen (18-079944-39)(Bruin, Merk: Gucci),
• 18-079944 28 1 PR Schoenen (18-079944-40 (Zwart, Merk: Hermes Paris),
• 18-079944 32 1 PR Schoenen (18-079944-44 (Crème, Merk: Louis, Vuitton)
• 18-079944 34 1 PR Schoenen (18-079944-7 (Christian Louboutin),
• 18-079944 36 1 PR Schoenen (18-079944-80) (Christian Louboutin),
• 18-079944 37 1 PR Schoenen (18-079944-81)(Blauw, Merk- Louis Christian),
• 18-079944 38 1 PR Schoenen (18-07944-82) (Jimmy Choo),
• 18-079944 39 1 PR Schoenen (18-079944-83)(Omschrijving: Moresschi),
• 18-079944 41 1 PR Schoenen (18-079944-85) Zwart, Merk: Gucci,
• de auto [kenteken] , waarde blijkens beslaglijst november 2019 euro 11.500,
• een geelgouden ring (vermoedelijk nr 62 beslaglijst november 2019),
• een paar witgouden creolen oorbellen ("Gouden oorstekers“) (vermoedelijk nr 63 beslaglijst november 2019),
• een paar witgouden oorclips met stekers (vermoedelijk nr 64 beslaglijst november 2019),
• een stalen herenhorloge Cartier Chronoscoph 21 met chronograaf, (vermoedelijk nr. 67 beslaglijst november 2019),
• een stalen herenhorloge Cartier Pasha (vermoedelijk nr 68 beslaglijst november 2019),
• Cartier Pasha, (vermoedelijk nr 69, beslaglijst november 2019),
verklaart het klaagschrift
ongegrondvoor zover het ziet op de teruggave van:
• Twee spaarbankboekjes tevens vorderingen op Caixabank tpv [naam 1] (491,57) en [naam 2] (492,58) (nummers 2 en 3 beslaglijst maart 2020), 13 paar schoenen (nummers 18-25 en 29-31 en 33 op de beslaglijst van 20 maart 2020,
• Een zonnebril (nummer 63 beslaglijst maart 2020),
• Nummer 35 Schoenen 1 Paar schoenen, merk Louis Vuitton,
• Nummer 59 Portemonnee 1 portemonnee, merk Louis Vuitton.”
5.3.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het beslag op de voorwerpen ten aanzien waarvan de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard, niet in het belang van de waarheidsvinding is en niet geschikt is om wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Daarnaast is verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer niet aan de orde omdat het buiten redelijke twijfel is dat de voorwerpen klaagster toebehoren en een bonafide herkomst hebben. Tevens is aangevoerd dat het beslag niet kan worden gebaseerd op art. 94a Sv, nu uit de beslaglijst(en) en de kennisgevingen blijkt dat behoudens een drietal uitzonderingen [7] beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro. Door enkel te overwegen dat de desbetreffende voorwerpen niet worden geretourneerd in verband met de verdenking van witwassen en het geldende conservatoir beslag met het oog op een eventuele ontnemingsvordering, heeft de rechtbank volgens de steller van het middel onvoldoende gereageerd op de ingenomen standpunten. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de rechtbank in het midden heeft gelaten welk toetsingskader zij heeft toegepast bij de beoordeling van dit deel van het klaagschrift. Ook daarom is het oordeel ontoereikend en onbegrijpelijk gemotiveerd.
5.4.
Ik stel voorop dat de dossiervorming in ieder geval voor de rechtbank in deze zaak klaarblijkelijk niet op de orde was en dat de rechtbank heeft getracht orde te scheppen in de wirwar van stukken. Dit heeft er ten aanzien van het ongegrond verklaarde gedeelte in geresulteerd dat de rechtbank twee spaarbankboekjes tevens vorderingen op een bank, 13 paar schoenen en een zonnebril die op de zich in het digitale DIVOS dossier bevindende beslaglijst stonden en een paar schoenen en een portemonnee die waren genoemd op een zich tevens in het digitale dossier bevindende ‘kennisgevingsformulier C8 model E’ in een map genaamd ‘conservatoir beslag’ niet heeft teruggegeven. De rechtbank heeft niet vastgesteld wat de grondslag is van dit beslag, noch de toepasselijke maatstaf daarvan weergegeven. De rechtbank heeft wel overwogen dat de voorwerpen niet worden teruggegeven ‘in verband met de verdenking van witwassen en het (kenbare) geldende conservatoir beslag met het oog op een eventuele ontnemingsvordering’. Ik leid hieruit af dat de rechtbank van oordeel was dat sprake was van art. 94a Sv beslag. Mogelijk heeft de rechtbank dit gebaseerd op de door haar genoemde vordering machtiging conservatoir beslag van de officier van justitie en de machtiging conservatoir beslag van de rechter-commissaris, waaruit volgde dat er conservatoir beslag mocht worden gelegd tot een bedrag van € 75.501,73. Ten aanzien van de voorwerpen die op het kennisgevingsformulier in de map ‘conservatoir beslag’ stonden, kan ik mij, in combinatie met deze machtiging, voorstellen dat de rechtbank daarom heeft geoordeeld dat sprake was van art. 94a Sv beslag. Ten aanzien van de andere voorwerpen is mij niet duidelijk geworden waaruit volgt dat precies op déze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd. Daar komt bij dat niet is uitgesloten dat op deze voorwerpen tevens art. 94 Sv Pro beslag rustte.
5.5.
Het voert mijns inziens te ver om de toepasselijke maatstaf van art. 94a Sv in de betreffende overwegingen van de rechtbank in te lezen. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter immers te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. [8] De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat er sprake was van een verdenking van witwassen, maar niet met zoveel woorden geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan de verdachte een ontnemingsverplichting zal opleggen. Nu de rechtbank daarnaast ook niet de grondslag van het beslag heeft vastgesteld en er mogelijk nog steeds beslag ligt ex art. 94 Sv Pro, klaagt het middel terecht dat de beschikking onvoldoende gemotiveerd is.
5.6.
Het namens de klaagster voorgestelde middel slaagt.

6.Conclusie

6.1.
Zowel het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel als het namens de klaagster voorgesteld middel slagen.
6.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.
6.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Conclusie van AG Knigge, 28 augustus 2012 (ECLI:NL:PHR:2012:BX6930), voorafgaand aan HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930. De nummering van voetnoten in dit citaat lopen door in de nummering van de voetnoten van deze conclusie en komen dus niet overeen met de originele nummering (originele voetnoten 8 en 9).
2.Zie bijvoorbeeld HR 28 juni 2011, LJN BQ4663, NJ 2011/321. Uit de gedingstukken rees, zoals mijn ambtgenoot Machielse concludeerde, het beeld op "dat niemand echt de moeite heeft genomen om uit te zoeken om wat voor beslag het gaat". De Rechtbank had desondanks geoordeeld dat van beslag in de zin van art. 552a Sv geen sprake was en had de klager daarom niet ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad casseerde en overwoog daarbij dat de Rechtbank "na terugwijzing van de zaak [zal] moeten onderzoeken wat de grondslag is geweest van de 'inneming' van de auto en op basis van die bevindingen dienen te beoordelen welke rechtsgang voor de klager openstond". Duidelijk zal zijn dat de Rechtbank dit onderzoek niet zal kunnen verrichten op basis van de stukken die in het dossier zaten. Zij zal het openbaar ministerie dus moeten bevelen de zaak uit te zoeken en de desbetreffende stukken boven water te halen.
3.Vgl. HR 4 september 2007, LJN BA5840, NJ 2007/493.
4.Zie in dit verband mijn eerdere conclusie ECLI:NL:PHR:2019:334 waarin ik op dezelfde wijze heb geciteerd uit de conclusie van AG Knigge.
5.Vgl. o.m. HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930,
6.Vgl. in algemene zin HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
7.Deze uitzonderingen houden in beslagnummer 35 (schoenen Louis Vuitton), beslagnummer 58 (tas Louis Vuitton) en beslagnummer 59 (portemonnee Louis Vuitton).
8.Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,