ECLI:NL:PHR:2022:599

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
21/04394
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:259 jo. 1:119 WvSr Sint MaartenArt. 3 lid 1 VuurwapenverordeningArt. 359 lid 2 SvArt. 402 lid 1 en 2 Sv Sint MaartenArt. 406 Sv Sint Maarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging tot doodslag en vuurwapenbezit Sint Maarten

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en het meermalen overtreden van een vuurwapenverbod op Sint Maarten. De veroordeling berustte voornamelijk op herkenningen door twee verbalisanten aan de hand van camerabeelden van het schietincident.

De verdediging voerde aan dat de herkenningen onvoldoende betrouwbaar waren vanwege het ontbreken van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken en de omstandigheden waaronder de herkenningen plaatsvonden. Het hof achtte de herkenningen echter betrouwbaar, mede omdat de verbalisanten de verdachte persoonlijk kenden en de beelden voldoende duidelijk waren. Verder werd het bevel tot gevangenneming door het hof bekritiseerd, maar deze klacht werd niet inhoudelijk behandeld vanwege de geldende wetgeving.

In cassatie werden vier middelen voorgesteld. De Hoge Raad verwierp de middelen over de motivering van de bewezenverklaring, het bevel tot gevangenneming en het ontbreken van bewijsmiddelen in het vonnis. Wel werd het middel over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gegrond verklaard, omdat de stukken te laat bij de Hoge Raad waren ingediend. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf. De rest van het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, het cassatieberoep werd verder verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04394 C
Zitting21 juni 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij vonnis van 25 februari 2021 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens onder 1 impliciet subsidiair “poging tot doodslag” en onder 2 “overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft het Gemeenschappelijk Hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/04392. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.4.
De middelen klagen over (1) de begrijpelijkheid c.q. motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder over de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door twee verbalisanten op basis van camerabeelden (2) het bevel tot gevangenneming door het hof (3) het ontbreken dan wel tijdig aanvullen van de bewijsmiddelen bij het vonnis van het hof en (4) overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

2.Het procesverloop

2.1.
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2. Namens het Openbaar Ministerie is op 3 januari 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint-Maarten van 23 december 2019. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd en heeft de verdachte vervolgens veroordeeld voor poging tot doodslag en overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
2.2.
Door het hof is geoordeeld dat de verdachte op 18 november 2018 op de openbare weg in een druk uitgaansgebied van Sint Maarten, te midden van het uitgaanspubliek, heeft geschoten op [betrokkene 1] . Het bewijs berust mede op de herkenning van de verdachte door twee verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan de hand van camerabeelden die zijn gemaakt tijdens het schietincident.
2.3.
Ten aanzien van de herkenning van de verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is volgens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 februari 2021 gehechte pleitnotities het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):
“[…]
3. Vandaag is de vraag of op grond van de twee compilatiebeelden er tot een wettig en vooral overtuigende bewezenverklaring kan worden gekomen. De verdediging komt tot de conclusie dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De compilatiebeelden bestaan uit drie momenten, althans drie momenten zijn van belang in deze zaak. Op drie momenten is een persoon te zien die door de verbalisanten kennelijk wordt herkend als zijnde cliënt. Of de verbalisanten cliënt herkennen op alle drie momenten is niet geheel duidelijk. De vraag is of op grond van de beelden ten eerste kan worden vastgesteld dat op deze drie momenten het om een en dezelfde persoon gaat. Voorts is het de vraag of op de beelden te zien is dat de persoon cliënt betreft.
4. Het OM gaat alleen uit van deze beelden. Meer dan de beelden is er niet. De AG verwijst naar een aantal uitspraken c.q. arresten waarin het een en ander wordt gemotiveerd met betrekking tot herkeningen. Duidelijk vermeld in de door de AG aangehaalde uitspraken staat dat herkenningen gepaard gaan met ander bewijsmateriaal. In casu is er helemaal geen sprake van ander bewijsmateriaal. De verbalisanten hebben naar aanleiding van het bekijken van de beelden cliënt herkend. Is deze vermeende herkenning door een verbalisant voldoende om tot een bewezenverklaring te komen? Bij een kritische bestudering van het dossier inclusief compilatiebeelden komt de verdediging tot de conclusie dat deze geen veroordeling kunnen dragen. Terecht dan ook dat het gerecht in eerste aanleg cliënt heeft vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
5. Zoals reeds gezegd is het gehele dossier enkel en alleen gebaseerd op een vermeende herkenning van twee verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . In het onderhavige geval zijn buitengewone ernstige verdenkingen ten laste gelegd waarvoor hard bewijs nodig moet zijn voor een gerechtvaardigde veroordeling
6. De verdenking dat cliënt de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd is dus alleen gebaseerd op de door de verbalisanten gerelateerde herkenningen van cliënt bij het bekijken van camerabeelden. Er dient altijd behoedzaam te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel is die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. In tegenstelling tot hetgeen de AG heeft aangegeven is er geen ander bewijsmiddel voorhanden. Bij de beoordeling van het bewijs is van doorslaggevend belang of deze herkenningen voldoende betrouwbaar, specifiek en concreet zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnenkomen. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van (camera)afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Deze zijn, in ieder geval niet zichtbaar om 3:37:03.
7. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeeldingen. Bij gebrek aan op de afbeeldingen herkenbare, specifieke onderscheidende persoonskenmerken is echter niet met zekerheid vast te stellen dat het ook daadwerkelijk cliënt betreft. Het kenmerk qua postuur die wordt genoemd, is onvoldoende onderscheidend. Overigens wordt niet geverbaliseerd op welk moment zij cliënt herkennen aan het postuur. Voorts de omstandigheden waardoor de herkenningen hebben plaatsgevonden tasten de betrouwbaarheid aan.
8. Bij het bekijken van deze beelden heeft verbalisant [verbalisant 2] aangegeven dat hij cliënt heeft herkend vanwege zijn postuur, lichaamshouding, loopje en de vorm van zijn hoofd en aangezicht. Nogal algemene beschrijving c.q. omschrijving. Overigens ook knap dat de verbalisant dat allemaal kan waarnemen daar de beelden niet echt duidelijk zijn. [verbalisant 1] zegt dat hij een persoon ziet met donkere kleding een wit bekertje in zijn hand en kort haar. Opmerkelijk dat hij kort haar ziet terwijl de persoon een pet op heeft. Is het mogelijk kort haar waar te nemen als iemand een pet op heeft. Verbalisant [verbalisant 1] geeft eerst aan dat de persoon grote gelijkenis vertoont met cliënt. Later geeft hij aan dat hij cliënt zou herkennen vanwege zijn houding en manier van lopen. Het is niet echt duidelijk of verbalisant [verbalisant 1] nu cliënt daadwerkelijk zou hebben herkend of dat hij alleen stelt dat het mogelijk cliënt zou kunnen zijn. Er is nogal een groot verschil tussen het daadwerkelijk herkennen en zeer grote gelijkenis vertonen. Vele andere jonge mannen op Sint-Maarten kunnen ook grote gelijkenis vertonen. Zo ook geeft [verbalisant 1] niet aan op welke moment hij dan cliënt zou hebben herkend. Het gaat immers zoals ik reeds heb aangegeven om drie momenten.
9. Na het schietincident op 18 november 2018 komt op 26 november 2018 via een informant informatie binnen bij het CID. Deze informant zou kennelijk hebben medegedeeld dat [verdachte] een van de schutters is van het schietincident op 18 november 2018 te Simpson Bay. Naar aanleiding van de informatie van de informant is een proces-verbaal opgemaakt en deze is aan het dossier toegevoegd. Het proces-verbaal mag niet als bewijsmiddel worden gebruikt echter hebben de verbalisanten het reeds gelezen, althans er kan niet worden uitgesloten dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] deze informatie niet hebben ontvangen althans geen weet van hadden en of hebben. Na de binnengekomen informatie wordt wel heel toevallig op 30 januari 2019 en 13 februari 2019, cliënt door de verbalisanten herkend op enig moment.
10. Gezien het bovenvermelde stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de vermeende herkenning door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen waarde dient te worden gehecht. De herkenningen missen voldoende overtuiging. De herkenningen zijn onvoldoende objectief en betrouwbaar. Er worden ook geen specifieke onderscheidende lichaamskenmerken genoemd op basis waarvan verdachte wordt herkend. Bouw en loopje is onvoldoende en te algemeen. Gezien de beelden kan hooguit worden geconcludeerd dat een van de personen op de camerabeelden kenmerken bezit die zouden kunnen overeenkomen met cliënt en de vele andere jongemannen op Sint-Maarten. Dit is echter niet betrouwbaar genoeg om daadwerkelijk vast te kunnenstellen dat het cliënt is die op de beelden is te zien. De beelden zijn van te ver gefilmd om betrouwbare uitspraken over de identiteit te kunnen doen. De twee verbalisanten “vissen uit een vijver van mensen die zij kennen” er dient dus zoals reeds eerder aangegeven terughoudend te worden omgegaan met het gebruik van deze herkenning voor het bewijs.
11. De verdediging is ook de mening toegedaan dat op basis van de TCI-informatie [verbalisant 1] en [verbalisant 2] cliënt hebben herkend. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hadden weet van de TCI-informatie waardoor de oordeelsvorming van deze verbalisanten op zijn minst is beïnvloed door de informatie uit het proces-verbaal TCI-informatie. Het gaat hier puur om een kale herkenning. De kenmerken die zijn genoemd zijn niet onderscheidend genoeg. Nu de kenmerken genoemd niet onderscheidend genoeg zijn kan niet worden gesteld dat sprake is van wettig en overtuigend bewijsmateriaal.
[…]”
2.4.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“feit 1:
hij op 18 november 2018 te Sint Maarten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen in de richting van voornoemde [betrokkene 1] heeft geschoten, terwijl de verdere uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op 18 november 2018 te Sint Maarten, een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening voorhanden heeft gehad.”
2.5.
De bewezenverklaring steunt op de volgende, in een aanvulling van het op 25 februari 2021 gewezen vonnis opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Proces-verbaal van bevindingen, schietincident [a-straat] , opgemaakt op 18 november 2018 door verbalisant [verbalisant 3] voor zover inhoudende:
Op 18 november 2018 zat ik samen met politieambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op substation Simpson Bay toen ik ineens meerdere schoten hoorde. Ik zag dat er veel mensen op straat waren ter hoogte van [A ] . Ter hoogte van winkel [B] zag ik een lege huls op de rijstrook. Ongeveer 40 meter terug op de andere rijstrook zag ik eveneens een lege huls. Ik zag verse schade op twee voertuigen die geparkeerd stonden voor de winkels aan de zijde van [C ] . Zwarte Hyundai Sonata: twee hulsafdrukken op de motorkap; inschot rechter achter zijkant. Rode Hyundai: raam van bestuurder gesneuveld; raam achter bijrijderszijde gesneuveld.
2. Proces-verbaal Forensisch onderzoek, opgemaakt op 25 januari 2019 door verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende:
Conclusie:
- Gelet op de wijze hoe 4 hulzen met stempel "Homady 380 auto" op een afstand van 3 tot 10 meters werden aangetroffen op de Plaats Delict [a-straat] ter hoogte van de parkeerplaats [D] en [E ] , is aannemelijk dat de schutter(s) vanaf voornoemde positie minimaal 4 keren had(den) geschoten met een pistool(en) van kaliber .380 auto;
- Gezien de verspreiding van de aangetroffen 5 hulzen van kaliber .40 S&W, is aannemelijk dat de schutter(s) minimaal 5 keren had(den) geschoten met een pistool(en) van kaliber .40 S&W;
- Op de Plaats Delict werd minimaal 9 keren geschoten met tenminste twee verschillende pistolen.
3. Proces-verbaal van bevindingen - [verdachte] , opgemaakt op 30 januari 2019 door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:
Ik heb de camerabeelden van het onderzoek [naam] uitvoerig bekeken en onderzocht. Ik kan duidelijk zien dat een persoon zijn rechterhand voor zich uitstrekt en ergens op richt. Vervolgens zie ik een mondingsvuur wat er voor mij op duidt dat er een schot gelost wordt. Op de plek waar ik dit waarneem zijn later drie lege hulzen aangetroffen. Ik heb de camerabeelden vanaf dit moment teruggekeken en zie de bedoelde persoon voor het schietincident op straat staan. Ik zie dat deze persoon donker gekleed is, kort haar heeft en een bekertje vasthoudt. Hij draagt een donker petje. Ik zie dat deze persoon zeer grote gelijkenissen vertoont met een persoon die ik ken als [verdachte] . Ik zie dit omdat ik [verdachte] meerdere malen heb ontmoet tijdens mijn werk als politiefunctionaris. Ik herken hem aan zijn houding en manier van staan/lopen. Ook heeft hij niet zo’n groot gezicht. Tevens zie ik op de beelden dat deze persoon zich in de aanwezigheid bevindt van een andere persoon die ik herken als [betrokkene 2] . Ambtshalve weet ik dat [verdachte] en [betrokkene 2] veel met elkaar omgaan. Ik zie op de beelden dat er een moment is waarop iedereen wegvlucht van straat en dekking zoekt. Dit gebeurt op het moment dat ik zie dat er geschoten wordt. De persoon die ik mogelijk herken als [verdachte] rent op dit moment naar het 'incident' toe (de plek waar er wordt geschoten) en zie dat hij minimaal één schot lost. Ik heb mijn bevindingen gebaseerd op de bewegende beelden.
4. Proces-verbaal van bevindingen – herkenning [verdachte] , opgemaakt op 13 februari 2019 doorverbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende:
Ik heb de camerabeelden van het onderzoek [naam] uitvoerig bekeken en geanalyseerd. Aan het schietincident nemen tenminste drie personen deel. Ik zie op de camerabeelden van [C ] , gevestigd aan de [a-straat] te Simpson Bay, dat omstreeks 03:07:06 uur (tijd camera) een persoon zijn rechterarm voor zich uitstrekt en ergens op richt. Hierop volgt direct een lichtflits, hoogst waarschijnlijk betreft dit 'mondingsvuur'. Op de plek waar ik dit waarneem op de videobeelden zijn later drie lege hulzen aangetroffen.
Ik heb de camerabeelden vanaf dit moment achteruit afgespeeld. Ik zie dat voornoemde persoon met de uitgestrekte rechterarm, voor het schietincident ter hoogte van [C ] op de [a-straat] staat. Ik zie dat deze persoon een lange donkere broek draagt met een T-shirt en donkere schoenen. Ik zie dat deze persoon een donkerkleurige pet draagt met op de voorzijde een onbekend en niet te identificeren wit teken, logo of embleem. De persoon draagt de pet achterstevoren. Ik zie dat de persoon hoogstwaarschijnlijk aan de zijkanten en achterkant kort haar heeft en vermoedelijk een kort baardje. Ik zie dat deze persoon een lichtkleurig bekertje vasthoudt in zijn linkerhand. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid herken ik de beschreven persoon als de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik herken [verdachte] aan zijn postuur, lichaamshouding, 'loopje' en aan de vorm van zijn hoofd en aangezicht. Tevens weet ik ambtshalve dat [verdachte] bijna altijd een petje draagt en lichte tot middelmatige baardgroei heeft. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb [verdachte] meerdere malen persoonlijk ontmoet en gesproken in een ander onderzoek. Ik zie op de beelden dat er een moment is waarop iedereen wegvlucht van de straat en dekking zoekt. De persoon die ik herken als [verdachte] rent op dit moment naar het 'incident' toe op de plek waar er wordt geschoten. Ik zie dat hij tenminste één schot lost. Ik heb mijn bevindingen en herkenning gebaseerd op basis van bewegende videobeelden. Afbeelding 2 [verdachte] staat voor de club [F] gevestigd aan de [a-straat] en is in gesprek met [betrokkene 2]
5. Proces-verbaal van bevindingen – compilatie van camerabeelden, opgemaakt op 19 februari 2019 door verbalisant [verbalisant 7] , voor zover inhoudende:
In het onderzoek [naam] heeft een uitgebroeid camerabeelden-onderzoek plaatsgevonden. Alle relevante beelden zijn chronologisch achter elkaar gezet in een compilatievideo.
(
Op deze plek in de aanvulling van het op 25 februari 2021 gewezen vonnis is een tabel opgenomen met daarin vastgelegd een beschrijving van de camerabeelden, AG)
6. Proces-verbaal van bevindingen compilatie van camerabeelden (2), opgemaakt op 4 september 2020 door verbalisant 1103, voor zover inhoudende:
Moment 1 – Camera " Red Diamond ”.
De verdachte [verdachte] , wordt beschreven. Hij draagt donkere kleding, heeft een pet op het hoofd, houdt een bekertje vast met zijn linkerhand en staat langs de openbare weg, de [a-straat] , en wel op het parkeerterrein voor " [A ] ”.
Moment 2 – Camera “ Red Diamond ”.
Het is te zien, dat de verdachte [verdachte] , een wit kledingstuk, onder zijn donkere kleding, aan heeft.
Moment 3 – Camera “ Red Diamond ”.
De verdachte [verdachte] , verplaatst zich al rennend in een bukkende houding naar de richting van het schietincident, dus richting van de trap van het Chinese restaurant. Hij heeft het bekertje nog in zijn linkerhand en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand. De witte onderkleding en pet op zijn hoofd zijn goed te zien.
Moment 4 - Camera's “ Red Diamond ” en " McDonald’s ".
Beelden van de camera's geïnstalleerd bij “ [A ] ” en [C ] , worden naast elkaar gelegd en is de verplaatsing van [verdachte] , van het opname vlak van de camera van "“ [A ] ”, naar het opname vlak van de camera van [C ] , duidelijk te zien. De verdachte [verdachte] , gaat rennend naar de richting van het referentiepunt.
Moment 5 - Camera “McDonald's” .
Herhaling van de beelden van “ [C ] ”. Daarbij is ook het witte kledingstuk onder de donkere kledingstukken duidelijk te zien. Als hij nabij de trap van het Chinese restaurant (referentiepunt) komt en wel tussen een witgelakte personenauto van het merk Hyundai, model i10 en een donkergroen gelakte personenauto van het merk Hyundai, Tucson, en zijn rechterarm gestrekt voor zich houdt, is er vervolgens een mondingsvuur waarneembaar.
Moment 6
Weergave van de plaatsen waar de patroonhulzen werden aangetroffen en door de afdeling Forensische Opsporing, werden gemarkeerd en fotografisch werden vastgelegd.
Moment 7
De looproute van [verdachte] , te herleiden uit de beelden van " [A ] " en “ [C ] ".
Resume
Resumerend kan worden gesteld:
- Dat de verdachte [verdachte] , op de bewuste dag van het schietincident in donkere kledij gekleed was met daaronder een wit kledingstuk en een zwarte pet op het hoofd,
- Dat aan de hand van de kledingstukken en de pet als hierboven omschreven, het gevoeglijk aan te nemen is, dat hij degene is die zich al rennend, en wel in gebukte houding, verplaatst naar de richting van het incident,
- Dat hij een voorwerp gelijkend op een vuurwapen in zijn rechterhand heeft terwijl hij zich verplaatst naar de richting van het incident,
- Dat hij nabij de trap van het Chinese restaurant (referentiepunt) komt, en wel tussen een witgelakte personenauto van het merk Hyundai, model i10 en een donkergroen gelakte personenauto van het merk Hyundai, Tucson, te oordelen aan het mondingsvuur, een schot lost uit een vuurwapen, dat er drie patroonhulzen zijn aangetroffen in de directe omgeving waar het mondingsvuur op beeld is gezien.
7. De verklaring die [betrokkene 3] als getuige deskundige ter terechtzitting in hoger beroep op 5 februari 2021 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Er zit ongeveer 5 seconden tussen het wisselen van de beelden [A ] en die van [C ] ; de verdachte rent gebukt uit beeld van de [A ] en op het beeld van [C ] komt een gebukt rennend persoon weer in beeld. De afstand die in dat tijdsbestek van 5 seconden is afgelegd is ongeveer 14 meter.
8. De verklaring die de verdachte op 5 februari 2021 ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Ik was op die avond in de [A ] . Ik stond voor de [A ] . De [A ] is boven de [F] en ik stond op de parkeerplaats voor het gebouw. Ik was samen met [betrokkene 2] (het Hof: [betrokkene 2] ) en mijn vrouw.”
Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen:
“Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenningen van de verdachte op de camerabeelden door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet betrouwbaar zijn gezien het gebrek aan specifieke onderscheidende persoonskenmerken, alsmede gelet op de omstandigheden waardoor de herkenningen hebben plaatsgevonden. Voorts heeft de raadsvrouw vraagtekens geplaatst bij de wijze van opmaken van de compilatie van camerabeelden en bestrijdt zij dat de waar te nemen persoon op de verschillende beelden telkens dezelfde persoon betreft.
Het Hof overweegt het volgende.
In het dossier bevinden zich diverse (compilaties van) beeldopnames van de schietpartij. Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte als een van de schutters kan worden aangemerkt zijn de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gedaan op basis van dit beeldmateriaal, van cruciaal belang.
Bij de beoordeling van de herkenningen sluit het Hof zich evenals het Hof te Amsterdam (voetnoot arrest) aan bij de in de vakbijlage van het Nederlands Forensisch Instituut gegeven omschrijving van het begrip 'herkenning'
"
Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatief snel en trefzeker 'holistisch' proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (...) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien".
Met het Amsterdamse Hof is het Hof voorts van oordeel dat aldus beschouwd verschillende elementen een rol spelen bij een herkenning - een 'holistisch proces' - dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate waarin men de waargenomen persoon kent. Immers, hoe vollediger men van de betrokken persoon reeds een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat dit op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde beeld van iemand waardevoller is, als dit is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.
Bij de herkenningen in de onderhavige zaak acht het Hof de volgende omstandigheden van belang. De twee verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kenden de verdachte reeds ambtshalve. De herkenningen van de verdachte vonden plaats na het bekijken van bewegende camerabeelden. Die beelden zijn ter terechtzitting getoond en zijn naar het oordeel van het Hof voldoende duidelijk om enkele uiterlijke kenmerken van de persoon die daarop te zien is, te kunnen waarnemen. Op de camerabeelden van [C ] herkennen de twee verbalisanten de verdachte als de persoon op de [a-straat] die zijn rechterarm voor zich uitstrekt en ergens op richt. Beiden zien een mondingsvuur/lichtflits, dat/die er volgens hen op duidt dat een schot wordt gelost. Op de plek waar verbalisanten dit waarnemen zijn drie hulzen aangetroffen. Bij het terug kijken/achteruit afspelen van de beelden zien verbalisanten dat de persoon voorafgaand aan het schietincident ter hoogte van [C ] op straatstaat en dat diezelfde persoon - nadat iedereen op een gegeven moment wegvlucht en dekking zoekt - naar het incident toe rent en dat hij tenminste één schot lost.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de verdachte meerdere malen heeft ontmoet tijdens zijn werk als politiefunctionaris, dat hij de persoon die voorafgaand aan het incident op straat staat (donker gekleed, kort haar, donker petje en in zijn hand een bekertje) herkent als de verdachte en dat hij de verdachte herkent aan zijn houding en manier van staan/lopen en aan het feit dat hij niet zo'n groot gezicht heeft. Tevens ziet [verbalisant 1] dat de verdachte zich in de aanwezigheid bevindt van een andere persoon die hij herkent als [betrokkene 2] en dat hij ambtshalve weet dat de verdachte en [betrokkene 2] veel met elkaar omgaan.
Verbalisant [verbalisant 2] , die de verdachte meerdere malen persoonlijk heeft ontmoet en gesproken in een ander onderzoek, herkent de persoon die voorafgaand aan het incident op straat staat (donkere broek, T-shirt, donkere schoenen, donkerkleurige pet met op de voorzijde een wit teken en achterstevoren gedragen, kort haar aan zijkanten en achterkant, kort baardje en lichtkleurig bekertje in linkerhand) als de verdachte en heeft verklaard dat hij de verdachte herkent aan zijn postuur, lichaamshouding, "loopje" en aan de vorm van zijn hoofd en aangezicht en dat hij ambtshalve weet dat de verdachte bijna altijd een petje draagt en lichte tot middelmatige baardgroei heeft.
Tegen deze achtergrond is het Hof van oordeel dat de herkenningen van de verdachte door de twee verbalisanten betrouwbaar is. Daarbij neemt het Hof is aanmerking dat de beelden en de herkenningen van de verbalisanten steun vinden in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, te weten dat hij die avond op het moment van schieten aanwezig was op het parkeerterrein voor de [A ] en dat [betrokkene 2] bij hem was. Het Hof ziet in hetgeen de raadsvrouw overigens nog heeft aangevoerd geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen.
Vervolgens ligt voor de vraag of de persoon die op de compilatie van camerabeelden van de [A ] en [C ] te zien is, en die op twee momenten even uit beeld verdwijnt steeds dezelfde persoon is. Het Hof stelt op grond van de beelden, in het bijzonder compilatie 2 die ook ter terechtzitting is getoond, het volgende vast. Vanaf 03:37:00 staat de persoon die door de verbalisanten is herkend als de verdachte op het parkeerterrein voor de [A ] . De verdachte heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt, een pet op en een lichtkleurig bekertje in zijn hand. Vanaf 03:37:11 ontstaat commotie onder het publiek en rent iedereen weg. De verdachte rent om 03:37:13 links het beeld uit. Om 03:37:18 komt vanaf links een persoon rennend in beeld. Deze persoon heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt, een pet op en een lichtkleurig bekertje in zijn hand. Het Hof concludeert op grond van het geringe tijdsverloop en de uiterlijke kenmerken dat deze persoon de verdachte is. Om 03:37:22, ter hoogte van een goudkleurige auto, is te zien dat de verdachte in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft. De verdachte rent gebukt uit beeld in de richting van de hap van het (nabijgelegen) Chinese restaurant. Vervolgens switcht de compilatie naar de camerabeelden van [C ] . Op deze aansluitende beelden is te zien dat een persoon gebukt rennend in dezelfde richting in beeld komt, zijn arm voor zich uit strekt en enkele seconden later met een vuurwapen schiet, waarbij mondingsvuur is waar te nemen. Deze persoon heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt en een pet op.
Gelet hierop alsmede gelet op de verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep dat er tussen het moment dat de verdachte gebukt wegrent uit het beeld van [A ] en het moment dat een persoon met dezelfde uiterlijke kenmerken als de verdachte gebukt rennend in dezelfde richting als de verdachte in beeld van [C ] verschijnt ongeveer 5 seconden is verstreken en dat er in die 5 seconden ongeveer 14 meter is afgelegd, kan het Hof buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze persoon wederom de verdachte is.
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 18 november 2018 heeft geschoten op het slachtoffer [betrokkene 1] .
De verweren worden verworpen.”

3.Het eerste middel

3.1.
Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting erop, klaagt over de begrijpelijkheid c.q. motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover deze steunt op de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
3.2.
Het middel spitst zich toe op de verwerping van het verweer dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onbetrouwbaar is en gaan uitvoerig in op de kwaliteit van de herkenningen van camerabeelden (bewijsmiddelen 3 en 4). Gesteld wordt dat deze herkenningen van onvoldoende kwaliteit zijn om de bewezenverklaring te kunnen dragen, zonder dat deze herkenningen bij persoonlijke waarneming van de herkende persoon en vergelijking met de filmbeelden door het hof enige bevestiging vonden en zonder dat het hof blijk heeft gegeven de mogelijkheid van forensische vergelijking van gezichtsbeelden onder ogen te hebben gezien, althans zonder uitleg waarom nadere bevestiging van de herkenningen achterwege kon worden gelaten. De steller van het middel meent daarom dat de bewezenverklaring niet toereikend althans niet begrijpelijk is gemotiveerd.
3.3.
Volgens de toelichting op het middel heeft het hof (plichtmatig) enkele geijkte formules aangehaald die van belang zijn bij herkenningen op basis van camerabeelden, maar heeft het hof nagelaten zelf een behoorlijke toetsing van de gepresenteerde herkenning uit te voeren.
3.4.
Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de feitenrechter om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv Pro heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat daarbij niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [1] Het voorgaande brengt mee dat de verwerping van een dergelijk betrouwbaarheidsverweer in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, kan worden getoetst en zelden tot cassatie leidt.
3.5.
Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet betrouwbaar is, gemotiveerd verworpen. Allereerst is door het hof vastgesteld dat de twee betreffende verbalisanten de verdachte reeds ambtshalve kennen. Door het hof is geconstateerd dat de herkenningen van de verdachte plaatsvonden na het bekijken van bewegende beelden die met een camera zijn opgenomen. Het hof heeft deze beelden tijdens de terechtzitting bekeken. Vervolgens heeft het geoordeeld dat de beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de verdachte te kunnen waarnemen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de herkenningen van de verbalisanten steun vinden in de verklaring van de verdachte zelf. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat het de herkenning van de verdachte door de verbalisanten betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken.
3.6.
In aanmerking genomen wat door de raadsvrouw in hoger beroep is aangevoerd en met het oog op wat ik in randnummer 3.4 uiteen heb gezet over de reikwijdte van de motiveringsplicht op grond van art. 359 lid 2 Sv Pro, is de verwerping van het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [2]
3.7.
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1.
Het tweede middel klaagt dat het hof de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen zonder dat aan de daarvoor geldende voorwaarden werd voldaan, althans zonder daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag te leggen.
4.2.
In verband met het volgende kom ik aan de inhoudelijke bespreking van dit middel niet toe. Ook indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof terugwijst, blijft op grond van art. 108 lid Pro 4 [3] Landsverordening van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering St Maarten het door het hof gegeven bevel tot gevangenneming in stand totdat de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens invrijheidstelling op grond van de art. 103, 105, 107 en 108 lid 5 van de Landsverordening. [4] Het middel kan daarom bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4.3.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5.Het derde middel

5.1.
Het derde middel klaagt dat het vonnis van het hof aan nietigheid leidt, nu het in strijd met art. 406 lid 2 jo Pro. art. 402 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten niet de bewijsmiddelen bevatte waarop het berustte, althans niet tijdig met die bewijsmiddelen is aangevuld.
5.2.
De relevante artikelen luiden als volgt:
Art. 402 Sv Pro Sint-Maarten [5] :
“1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
2. De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden. 4. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.
7. Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.
8. Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.”
Art. 406 Sv Pro Sint-Maarten:
“1. In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.
2. In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
3. Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van 's Hofs vonnis.
4. In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.
5. Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
6. Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
5.3.
Art. 402 Sv Pro kent de volgende toelichting:
“Artikel 402
Nota van wijziging: de gehele voorgestelde wijzigingen van artikel 402 is Pro ingevoegd bij Nota van wijziging. De wijziging is het gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden dd. 13 juli 2010 (
LJN. BJ8669), waarin vastgehouden werd aan de strikte tekst van artikel 402. Een vonnis bevatte tot dan toe op het moment dat de zaak werd ingezonden naar de Hoge Raad wel de bewijsmiddelen, maar die ontbraken veelal op de dag van de uitspraak. Ook in onze regio werd gebruik gemaakt van de in Nederland inmiddels gelegaliseerde praktijk om de bewijsmiddelen eerst toe te voegen aan het vonnis nadat eventueel hoger beroep of cassatie werd ingesteld. Een dergelijke praktijk bespaart veel werk en dus ook veel geld. Met de voorgestelde wijziging wordt ook hier die praktijk gelegaliseerd. Los van het instellen van een rechtsmiddel dient het vonnis eveneens aangevuld te worden met de bewijsmiddelen indien de verdediging of vervolging dat verzoekt c.q. vordert.
Tevens is bij nota van wijziging het tweede lid van artikel 402 gewijzigd Pro. Deze voorgestelde aanvulling strekt er toe eveneens versneld in te voeren de verplichting van de rechter om, bij afwijking van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging of vervolging, de bijzondere redenen die daartoe hebben geleid expliciet in het vonnis op te nemen. Op deze wijze wordt de rechtspraak ook gediend en kan de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de in Nederland gewijzigde bepaling van artikel 359, tweede lid, NSv onverkort gelding krijgen, ook in het carabisch gebied.” [6]
5.4.
Er is in de onderhavige casus geen sprake van het in ongerede geraken van de bewijsmiddelen. [7] De aanvulling van het op 25 februari 2021 gewezen vonnis bevindt zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. [8] Gelet op de in randnummer 5.3 opgenomen toelichting en op de samenhang tussen de leden 3, 7 en 8 van art. 402 Sv Pro Sint-Maarten, moet worden aangenomen dat de niet-vermelding van het zevende lid in lid 8 op een misslag berust en dat overschrijding van de in het zevende lid bepaalde termijn van vier maanden dus niet tot nietigheid leidt. [9]
5.5.
Het middel faalt.

6.Het vierde middel

6.1.
Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
6.2.
Namens de verdachte is op 25 februari 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 oktober 2021 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De stukken zijn daarmee niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden. De inzendtermijn is met ruim een maand overschreden. Daarbij merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. [10] Dit betekent dat de schending dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
6.3.
Het middel is terecht voorgesteld.

7.Conclusie

7.1.
Het eerste en het derde middel falen. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld. Het vierde middel is terecht voorgesteld. Het eerste, het tweede en het derde middel kunnen met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
7.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.Vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454,
3.De tekst van dit artikellid luidt: “
4.Zie HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1661, een gelijksoortige zaak maar dan voor Bonaire. Voor Sint Maarten geldt nog steeds de Landsverordening van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering. Het daarin opgenomen art. 108 lid 4 bevat Pro geen tekstueel verschil, met het art. 108 lid 4 BES Pro.
5.Zoals dat geldt per 31 augustus 2012, Afkondigingsblad van Sint Maarten, Jaargang 2012, No. 25 Landsverordening van de 30e augustus 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen).
6.Afkondigingsblad van Sint Maarten, Jaargang 2012, No. 25 Landsverordening van de 30e augustus 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen), p. 117.
7.Zoals wel het geval was bij HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917,
8.De aanvulling dateert van 4 februari 2022.
9.Vergelijk HR 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1353.
10.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,