Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist en heeft bij beschikking van 20 februari 2020, voorlopig, met ingang van 1 februari 2020, voor de duur van het geding, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 3.000,– bruto per maand. De rechtbank heeft het bepaalde uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen. [4]
In haar beroepschrift heeft de vrouw tevens verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking waarvan beroep te schorsen voor wat betreft de door de vrouw terug te betalen partneralimentatie van € 20.457,–. [8] Bij beschikking van 10 februari 2021 heeft het hof dit verzoek, naar aanleiding van overeenstemming van partijen op dit punt, toegewezen. [9]
De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarin geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1.1, klaagt in de kern dat het hof in rov. 5.1 tot en met 5.15 blijk geeft van een onjuiste [13] rechtsopvatting die het hof expliciet heeft weergegeven in rov. 5.15:
pacta sunt servanda) en daarnaast zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd dat het hof de partneralimentatie over geheel 2020 op nihil stelt en over 2021 op een lager bedrag dan partijen zijn overeengekomen (rov. 5.4 tot en met 5.15), terwijl partijen in het convenant zijn overeengekomen dat dit bedrag rond de € 3.000,– per maand zou bedragen en exact dit bedrag is overeengekomen ten overstaan van de voorzieningenrechter. Dit betekent volgens het subonderdeel dat de rechter in de onderhavige zaak met die overeenkomst rekening had dienen te houden en er (zeker met terugwerkende kracht) geen plaats is voor wijziging van het bedrag van € 3.000,–.
Schiphol/Chipshol-arrest [19] volgt dat een voorlopige voorziening zoals bedoeld in art. 223 Rv Pro, die ertoe strekt dat een voorschot wordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd, haar werking (rechtskracht) verliest zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan in de instantie die de voorziening heeft verleend. Daarbij is niet van belang of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend, dan wel of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. [20]
Ook de beschikking van de rechtbank van 20 februari 2020 heeft als aanhef: “Voorlopige voorzieningen ex 223 Rv”. Verder heeft de rechtbank in deze beschikking bij de omschrijving van het verzoek en het verweer opgenomen dat de vrouw in de bodemprocedure om vaststelling van partneralimentatie heeft verzocht en bij gelijktijdig verzoekschrift een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro heeft gedaan.
in het kader van deze voorlopige procedurezijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 februari 2020 en
voor de duur van de bodemprocedure(onderstrepingen A-G) aan de vrouw een partneralimentatie zal voldoen van € 3.000,– bruto per maand, maakt de beschikking nog niet een beslissing over een overeenkomst. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, beschouwt zij het aanvankelijk meer of anders gevorderde in de onderhavige procedure ter zake van voorlopige voorzieningen, als ingetrokken. De rechtbank heeft derhalve beslist op het verminderde verzoek, te weten voor de duur van de bodemprocedure een partneralimentatie van € 3.000,– in plaats van € 4.000,– per maand, door de man aan de vrouw te voldoen.
subonderdeel 2.1.2hebben de gesloten overeenkomsten (los van het
pacta sunt servanda) invloed op de vaststelling van de partneralimentatie op de voet van art. 1:157 BW Pro. Dit subonderdeel wordt uitgewerkt in diverse klachten onder a tot en met c.
awordt aangevoerd dat uit de sideletter bij het tussen partijen in december 2017 gesloten convenant (zie hierboven onder 2.4) volgt dat de man de zakelijke rekening zelf reeds als bedrijfsreserve ziet en dat de vrouw in het kader van de onderhandelingen aangaande de partneralimentatie heeft afgezien van haar aanspraak op die rekening. Dit is ook ter sprake gekomen op de zitting bij de rechtbank. [21] De vrouw is met grief 1 opgekomen tegen het door de rechtbank ten onrechte rekening houden met die extra reservering van € 15.000,–. [22] Het hof heeft essentiële stellingen van de vrouw, dat er in het convenant al rekening is gehouden met een buffer en er daarom geen extra reservering van € 15.000,– moet worden gedaan, ongemotiveerd gepasseerd, en daarmee tevens het tussen partijen gesloten convenant miskend. Het oordeel is daarom onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Partneralimentatie 2019
De klacht dat het hof essentiële stellingen van de vrouw heeft miskend, mist derhalve feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.1.2 onder bheeft het hof de essentiële stelling van de vrouw, dat met de omstandigheid dat de man tijdelijk geen opdracht heeft bij de gemaakte afspraken voor de voorlopige alimentatie voor de duur van het geding al rekening is gehouden [25] , ongemotiveerd gepasseerd. Daarmee heeft het hof tevens het tussen partijen gesloten convenant miskend waarin is bepaald dat het bedrag rond de € 3.000,– per maand zal liggen, hetgeen partijen bij overeenkomst van 14 januari 2020 [26] , vastgelegd in de beschikking van 20 februari 2020, hebben bekrachtigd middels voornoemde afspraak dat de partneralimentatie gedurende de procedure € 3.000,– bedraagt.
productie 4worden de stukken die namens de man ten behoeve van de voorlopige voorziening zijn ingediend overgelegd. Hierin wordt melding gemaakt dat de opdracht van de man per 31 december is geëindigd en hij per 1 januari 2020 op zoek is naar een nieuwe opdracht. Met deze omstandigheid is bij de gemaakte afspraken voor de voorlopige alimentatie voor de duur van het geding rekening gehouden.”
cdat met die omstandigheid (geen opdracht) bij de gemaakte afspraken voor de voorlopige alimentatie al rekening is gehouden, hetgeen de vrouw in haar beroepschrift gemotiveerd heeft gesteld. [28] De vrouw zou dit nogmaals onder de aandacht hebben gebracht bij brief van 14 oktober 2020 aan het hof [29] en erop hebben gewezen dat partijen destijds zijn overeengekomen dat de zakelijke rekening wordt gezien als bedrijfsreserve. [30] Als iets is voorzien en overeengekomen levert dat geen grond voor wijziging op en zeker niet terugwerkende kracht, ook niet wanneer het partneralimentatie in een voorlopige voorziening betreft, althans kon en mocht de vrouw in redelijkheid erop vertrouwen dat die alimentatie in elk geval niet met terugwerkende kracht werd verminderd.
Partneralimentatie 2020
Voorts klaagt het onderdeel dat het hof essentiële stellingen van de vrouw ongemotiveerd heeft gepasseerd in rov. 5.3, 5.6, 5.7, 5.12 en 5.15 waardoor het oordeel onbegrijpelijk is. Het betreft volgens het onderdeel de volgende twee essentiële stellingen: dat de man vanaf augustus 2020 weer over draagkracht beschikt [31] en het beroep van de vrouw op rechtspraak in tijden van crisis waardoor vanaf 1 augustus 2020 een opbouwregeling kan worden vastgesteld. [32]
Het hof heeft in rov. 5.6 overwogen: (i) dat en waarom in 2020 sprake was van een uitzonderlijk slecht jaar voor de onderneming van de man (ii) dat is gebleken dat de man op dat moment niet een zodanig hoog buffervermogen had dat in redelijkheid van hem verwacht mocht worden dat hij de alimentatie ten laste van de liquide middelen in dat vermogen zou brengen, (iii) dat naar het oordeel van hof het in dit geval dan ook niet redelijk is om, zoals de vrouw betoogt, uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de voorafgaande drie jaren, (iv) dat voor zelfstandige ondernemers, zoals de man, het verleden een indicatie van zijn mogelijke verdiencapaciteit geeft, echter met name zijn de winst en de operationele kasstroom die de man in de toekomst kan genereren van belang, te meer nu de man steeds werkt op basis van opdrachten met tijdelijke contracten, (v) dat de man geen draagkracht heeft voor het betalen van partneralimentatie over het jaar 2020. Deze, in cassatie niet bestreden, overwegingen maken het oordeel van het hof alleszins voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
. [33] Het hof behoefde niet uitdrukkelijk op dat voorstel in te gaan. Overigens ligt de afwijzing van dit door de vrouw gedane voorstel reeds besloten in het feit dat het hof een andere route heeft gekozen.
In de paragrafen 30-34 van haar beroepschrift, waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen, heeft de vrouw een toelichting gegeven op grief 2, luidende: “Ten onrechte heeft de rechtbank de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 op nihil bepaald.” Ter toelichting heeft zij haar stellingen over de verdiencapaciteit van de man, die zij in eerste aanleg had aangevoerd [35] in de kern herhaald.
De rechtbank heeft over genoemde stellingen het volgende oordeel gegeven: [36]
Het hof heeft vervolgens in rov. 5.6 als vaststaand overwogen dat de man als zzp’er in 2020 gedurende ruim zeven maanden geen opdrachten had, dat hij pas medio augustus 2020 zijn eerste opdracht kreeg, die in beginsel tot 1 januari 2021 liep, en dat 2020 een uitzonderlijk slecht jaar voor de onderneming van de man was. Daarin ligt een verwerping van het herhaalde betoog van de vrouw over de verdiencapaciteit van de man besloten.
Ik merk daarnaast op dat de vrouw in haar beroepschrift niet heeft aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank “dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om eerder een nieuwe opdracht te krijgen, of een opdracht voor langere duur, en dat dit niet is gelukt”, onjuist of onbegrijpelijk is.
Terugbetalingsverplichting
Verder stuit de klacht af op de werking van een voorlopige voorziening zoals hierboven onder 3.8 beschreven: een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv Pro, die ertoe strekt dat een voorschot wordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd, verliest haar werking (rechtskracht) zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Indien uit de uitspraak in de hoofdzaak volgt dat de rechtsgrond van de voorlopige betaling is komen te vervallen, is het betaalde voorschot onverschuldigd betaald, en moet deze worden terugbetaald. De stelling van de vrouw dat zij erop mocht vertrouwen dat zij geen rekening behoefde te houden met een lager bedrag dan € 3.000,– per maand, is dus onjuist.
subonderdeel 3.2.bgeldt hetzelfde met betrekking tot de besteding van het geld aan (de verbouwing van) de woning van de vrouw. Het subonderdeel voert daartoe aan dat wanneer er een convenant met sideletter is gesloten die in [januari] 2020 nog wordt bevestigd met een nadere overeenkomst, daaruit volgt dat de vrouw dat geld mag besteden aan (verbouwing van) haar huis. Het oordeel van het hof dat gebleken zou zijn dat de vrouw op 1 januari 2020 een banksaldo had van ruim € 49.000,– zodat zij de mogelijkheid had om op haar liquide middelen in te teren en dat het voor haar rekening en risico komt dat zij die middelen heeft besteed aan (het verbouwen van) haar woning, is dan ook rechtens onjuist (gelet op de terughoudende toets) en onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is volgens
onderdeel 3.2.c, samengevat, bovendien van belang dat de man wist dat de vrouw een woning kocht en dat dat ook de hele opzet van het convenant en de sideletter was en dus ook de bedoeling van partijen was. [39] Er kan de vrouw dan ook niet worden verweten dat zij die woning moest verbouwen en daarin haar vermogen (wat uit het huwelijk kwam) heeft moeten investeren.
Subonderdeel 3.2 onder dvoegt daaraan de klacht toe dat het oordeel dat terugbetaling in redelijkheid van de vrouw kan worden verlangd, zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk, althans onvoldoende toereikend is gemotiveerd is, nu het geld is uitgegeven en ook de oudste raadsheer ter zitting bij het hof tegen partijen heeft gezegd dat de vrouw een inkomen heeft van € 16.000,– per jaar en er geen vermogen is. [40]
Voor zover de subonderdelen voortbouwen op het uitgangspunt dat sprake is van een overeenkomst, falen zij.
Dit uitgangspunt is juist gelet op de werking van een voorlopige voorziening (zie hierboven) en voldoende begrijpelijk gemotiveerd nu het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 5 december 2019 dateert, dus voor de aanvang van het jaar 2020.
in redelijkheidterugbetaling van de vrouw kan worden verlangd. In het proces-verbaal is daarover het volgende opgenomen (p. 4):
Voorzitter:
Oudste raadsheer:
€ 39.000,–.
iv. In de regels i - iii ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
klachtonder
1had het hof de hierboven onder 3.49 vermelde regels dienen toe te passen en had het hof kenbaar moeten onderzoeken of gelet op hetgeen uit het dossier is gebleken over de huidige financiële positie, in redelijkheid een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw kan worden aangenomen. Een toetsing
ex nuncdus, aan de hand van de daadwerkelijke financiële situatie, niet die van een fictieve. Een dergelijke
ex nunctoetsing heeft het hof niet, althans niet voldoende kenbaar gedaan, aldus de klacht. In het licht van de door de oudste raadsheer ter zitting bij het hof gesignaleerde omstandigheden, te weten het jaarinkomen van de vrouw van € 16.000,– en haar oude leeftijd [51] , getuigt het oordeel van het hof over de terugbetalingsverplichting van de vrouw van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de terughoudende toets, althans is dit oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Daaruit volgt dat het hof de door de Hoge Raad geformuleerde regels in acht heeft genomen. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
thansgeen vermogen heeft om aan de terugbetalingsverplichting te kunnen voldoen. Met betrekking tot het in de klacht gestelde over de uitlatingen van de oudste raadsheer, verwijs ik naar hetgeen ik daarover hierboven onder 3.40 heb vermeld.
klachtonder
2houdt in dat de door het hof gegeven motivering feitelijk erop neerkomt dat de vrouw – in weerwil van een afspraak tussen partijen dat zij een nieuwe start zou moeten maken waarvoor de man eerst € 4.000,– bruto per maand betaalt en later (voor de duur van het geding) € 3.000,– bruto per maand afspreekt –
tochde keuze niet had mogen maken om dat (alimentatie)geld uit te geven aan levensonderhoud en hetgeen zij uit de boedelscheiding heeft ontvangen te investeren in een nieuwe woning. Die motivering komt er volgens het subonderdeel feitelijk op neer: u heeft het nu niet meer, maar u moet het toch terugbetalen. Dat geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het niet in overeenstemming is met de terughoudende toets, althans geeft dit oordeel daarvan niet blijk.
Zoals meermalen aan de orde is gekomen, is een eventuele veroordeling tot terugbetaling van het reeds ontvangen bedrag een gevolg van de werking van een voorlopige voorziening. Het oordeel van het hof geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
derde klachtvoert, samengevat, aan dat indien het hof invulling aan de terughoudende toets en bijbehorende motiveringsplicht heeft willen geven, het daarin niet is geslaagd. Volgens de klacht kan, wanneer er in het kader van voorlopige voorzieningen voor levensonderhoud alimentatie wordt overeengekomen en verstrekt, het niet de bedoeling zijn dat dit niet mag worden uitgegeven. Het hof heeft dat miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het subonderdeel.
Voor het overige mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat wanneer er in het kader van voorlopige voorzieningen voor levensonderhoud alimentatie wordt overeengekomen en verstrekt, deze alimentatie (in elke situatie) niet mag worden uitgegeven. Het hof heeft ook niet geoordeeld dat de vrouw (in 2018) geen nieuwe woning mocht kopen. Het hof heeft in rov. 5.15 geoordeeld dat de vrouw ten aanzien van de besteding van haar liquide middelen keuzes heeft gemaakt die voor haar rekening en risico komen. Verder heeft de vrouw volgens het hof (te) weinig inzicht gegeven in haar geldstromen, geen afdoende verklaring gegeven voor de daling van het saldo van haar bankrekeningen met een bedrag van € 39.000,– en nagelaten om tijdig haar aangifte Inkomenstenbelasting 2020 in te dienen en zelf voor een uitstelregeling heeft gekozen, hetgeen volgens het hof allemaal voor rekening en risico van de vrouw komt. Het hof heeft aldus zijn oordelen voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behoefte
Bij de behandeling daarvan stel ik het volgende voorop.
mogelijkis om een voltijds dienstverband te verwerven en dat dat ook een dergelijk bedrag genereert. Dit onderdeel is in de procesinleiding uitgewerkt in twee klachten. [56]
4.1.2) geeft het oordeel ook geen blijk van een zorgvuldige afweging van de in aanmerking te nemen omstandigheden en is het oordeel in strijd is met de heersende leer, waarin is bepaald (i) dat voor toekenning van alimentatie niet slechts ‘in bijzondere omstandigheden’ plaats is, wanneer de vrouw minder (betaalde) werkzaamheden heeft verricht, omdat zij met de zorg voor het huishouden was belast en dat in dat geval ervan uitgegaan dient te worden dat haar mogelijkheden om inkomsten te verwerven zijn verminderd door de tijdens het huwelijk opgelopen achterstand, (ii) dat het ook van belang is of de vrouw werk kan vinden, (iii) dat voor het antwoord op de vraag of de vrouw die 17 jaar getrouwd is geweest méér zou kunnen verdienen dan zij doet niet slechts bepalend is of zij
bereidis te werken, maar ook of daartoe gelegenheid heeft bestaan of bestaat en (iv) dat ook het hebben van een minder goede gezondheidstoestand een factor is voor toekenning van alimentatie.
(ii) de vrouw heeft geen medische beperkingen;
(iii) de vrouw heeft geen inzicht gegeven in de banen waarop zij zelf concreet heeft gesolliciteerd en
(iv) de stelling van de vrouw dat het lastig is om een baan te vinden is onvoldoende, te meer daar er een groot tekort aan geschoold en ongeschoold personeel is.
Deze vaststelling van de omstandigheden is niet in strijd met de heersende leer en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de beoordeling van het hof van de verdiencapaciteit van de vrouw.
Subonderdeel 4.1.2 faalt derhalve in zijn geheel.
4.1.3) houdt in dat het oordeel in ieder geval onbegrijpelijk is omdat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de door de vrouw aangevoerde omstandigheden. Het subonderdeel noemt daarbij: 1. De leeftijd van de vrouw; 2. de vrouw heeft gesteld dat zij wel meer
wilwerken, maar dat dat niet lukt; 3. zij heeft lichamelijke beperkingen.
Met betrekking tot de stelling onder 3 heeft het hof geoordeeld dat de vrouw geen medische beperkingen heeft die het vinden van een volledige werkkring in de weg staan. De stellingen met betrekking tot de lichamelijke beperkingen zijn tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door de vrouw en haar advocaat opgeworpen in het kader van de vraag welk werk de vrouw zou kunnen doen. [58] De vrouw heeft toen o.m. verklaard [59] dat zij het jaar daarvoor in de ZW is beland door borstkanker en daarvoor onder behandeling blijft, maar vooralsnog weer volledig aan het werk is, alsmede dat zij solliciteert maar dat het op de arbeidsmarkt niet makkelijk is voor ouderen.
Gelet op het vorenstaande acht ik het oordeel van het hof dat de vrouw geen medische beperkingen heeft die het vinden van een volledige werkkring in de weg staan, niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Bij de door de man aan het hof toegezonden brief van 1 juni 2021 is als productie XIII een draagkrachtberekening overgelegd, waarin blijkens genoemde brief, voor zover thans van belang, als uitgangspunt is verwerkt het
huidigejaarloon van de vrouw van € 21.044,–,
zoals vermeld op de door haar overgelegde loonstroken. (onderstreping, A-G). Deze loonstroken, die als productie 10 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 25 mei 2021 aan het hof zijn toegezonden, staat een jaarloon vermeld van € 21.044,–.
Onderdeel 4.3 faalt.