Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairverzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen althans de alimentatie op nihil te bepalen omdat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dus niet behoeftig is.
Subsidiairheeft de man verzocht de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat de aanvullende behoefte van de vrouw, zijn draagkracht en de resultaten van een zgn. ‘jusvergelijking’ niet overstijgt. Bovendien verzocht hij de onderhoudsverplichting in de tijd te begrenzen tot één jaar na de echtscheiding, althans te bepalen dat de partneralimentatie één jaar na de echtscheiding op nihil wordt gesteld dan wel deze af te bouwen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2(“Klachten”) vangt aan met een algemene klacht, gericht tegen de overwegingen 7, 8, 13, 15 - 18, 26 en 28 en de daarop gebaseerde beslissingen. De klacht houdt in dat deze overwegingen onjuist althans ontoereikend gemotiveerd zijn, omdat het hof:
KINDERALIMENTATIE
geenfinanciële bijdrage kon voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding. Het hof overweegt dat het de inkomsten van de vrouw uit verhuur van de woning op de Antillen buiten beschouwing laat. Deze oordelen waren in het voordeel van de vrouw en worden in dit middelonderdeel dan ook niet bestreden. Wat betreft het tijdvak tot 1 september 2019 falen deze klachten bij gebrek aan belang: het hof heeft
overeenkomstig het verzoek van de vrouwde kinderalimentatie met ingang van 5 februari 2018 bepaald op € 705,- per kind per maand. Het hof overweegt aan het slot van rov. 8 dat per 1 september 2019 een nieuwe situatie zal ontstaan met betrekking tot de verdeling van de kosten van de kinderen, omdat het hof ervan uitgaat dat de vrouw vanaf die datum volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof heeft nog geen beslissing genomen over de verdeling (tussen partijen) van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, omdat het hof op dat moment nog geen exact inzicht had in de inkomsten van de vrouw alsdan. In het
dictumheeft het hof geen wijziging gebracht in de hoogte van de door de man ná 1 september 2019 te betalen kinderalimentatie. Zodoende mist de vrouw ook belang bij deze klachten voor zover het betreft de periode na 1 september 2019.
hogerzijn dan het hof heeft aangenomen en daarmee ook zijn draagkracht hoger is. Daarmee ziet zij eraan voorbij dat het hof in deze overweging de man in staat acht een bijdrage van € 705,- per kind per maand te betalen. Daarmee heeft het hof het verzoek van de vrouw, voor zover het de kinderalimentatie betreft, volledig toegewezen.
subonderdelen 2.1.3 t/m 2.1.4-XIkomt de vrouw op tegen het oordeel in rov. 8 en 13 dat zij in staat moet worden geacht met ingang van 1 september 2019 volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. [8] Ik maak eerst enkele opmerkingen over het juridisch kader.
mag worden verwachtdat zij zich richten op hun eigen toekomst en zich inspannen om hun verdiencapaciteit volledig te benutten, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoog dat het bestreden oordeel in feite neerkomt “op een met de wet strijdige limitering van de aanspraak van 12 jaar” miskent dat een dergelijke aanspraak op partneralimentatie alleen bestaat voor zover er (nog) sprake is van behoeftigheid. Het hof heeft de partneralimentatie met ingang van 1 september 2019 (niet beëindigd, maar) op nihil gesteld op grond van omstandigheden die gedeeltelijk voor wijziging vatbaar zijn. Indien de verwachting van het hof dat de vrouw met ingang van 1 september 2019 in staat is een inkomen van ten minste € 90.000,- per jaar te verdienen, niet uitkomt, bijvoorbeeld als gevolg van een wijziging in de hiervoor in 2.12 onder (iii) genoemde omstandigheid, kan de vrouw een wijzigingsverzoek indienen (zie art. 1:401 lid 1 BW Pro).
burn-out-klachten; daardoor is zij tijdens het huwelijk voor haar inkomen afhankelijk geworden van de man. [15]
burn-out, heeft het hof van belang geacht dat dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is. Wat betreft haar kansen op de arbeidsmarkt heeft het hof overwogen dat de vrouw hoog opgeleid is en een ruim arbeidsverleden heeft (in elk geval tot in 2014) en dat sprake is van een ruime arbeidsmarkt voor ervaren fiscalisten. Hierin ligt de gemotiveerde verwerping besloten van de stellingen die in het subonderdeel zijn genoemd.
subonderdeel 2.1.4-IIIklaagt de vrouw in het bijzonder over onbegrijpelijkheid van de vaststelling dat zij geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is (rov. 13). Ter toelichting op deze klacht verwijst de vrouw naar een brief van haar psycholoog van 18 augustus 2017 aan haar huisarts en naar de verklaring van een bedrijfsarts van 24 augustus 2017. [16] In die brief concludeert deze bedrijfsarts dat hij de vrouw “volledig arbeidsongeschikt” acht. Het subonderdeel klaagt dat indien het hof voorbij is gegaan aan dit in eerste aanleg overgelegde bewijsstuk, het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend.
helemaalgeen stukken in het geding heeft gebracht waaruit zou kunnen blijken dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is, is dat oordeel onbegrijpelijk in het licht van de zo-even genoemde, in eerste aanleg overgelegde stukken waarop de vrouw ook in hoger beroep een beroep had gedaan.
recentestukken in het geding heeft gebracht waaruit de door haar gestelde psychische arbeidsongeschiktheid blijkt: de door de vrouw overgelegde stukken dateerden immers van augustus en september 2017. Dan zou die zinsnede in de beschikking wel begrijpelijk zijn, maar nog niet de door het hof gemaakte gevolgtrekking. Het hof “heeft begrip voor het feit dat een echtscheidingsprocedure de verdiencapaciteit negatief kan beïnvloeden” en wijst erop dat van de vrouw en van de man mag worden verwacht “dat zij de perikelen rond de echtscheiding achter zich laten, zich richten op hun eigen toekomst en zich inspannen hun verdiencapaciteit volledig te benutten”. Kortom, de vrouw zou zich volgens het hof moeten herpakken, nu noch de zorg voor de kinderen, noch – gezien de kansen van ervaren fiscalisten op de huidige arbeidsmarkt – haar tijdelijke non-activiteit eraan in de weg staat dat zij zich inspant om een passende betaalde functie te vinden. Dat oordeel berustte niet op nadere medische informatie. Nu de vrouw in augustus 2017 op medische gronden arbeidsongeschikt was bevonden, zij zich uitdrukkelijk daarop beriep en niet is gesteld of gebleken dat zij bij later medisch onderzoek hersteld is verklaard, is het oordeel van het hof dat zij – medisch/arbeidskundig beschouwd – vanaf 1 september 2019 weer in staat moet worden geacht betaalde arbeid van deze aard en omvang te verrichten, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. De bestreden beschikking kan naar mijn mening om deze reden niet in stand blijven. Volledigheidshalve ga ik hieronder kort in op de overige klachten van het middel.
subonderdeel 2.1.4-IVbestrijdt de vrouw de vaststelling dat de zorg voor de kinderen, gezien hun leeftijd, zeer beperkt is (rov. 13). De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van wat de vrouw in hoger beroep had aangevoerd. Indien het hof daarop geen acht heeft geslagen, heeft het hof ook op dit punt de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Ter toelichting op deze klacht heeft de vrouw gesteld dat zij aan de rechtbank een brief heeft overgelegd van de Ursulakliniek, [20] waaruit volgt dat de dochter van partijen vanwege een eetstoornis extra zorg en begeleiding nodig heeft en dat van belang is dat de vrouw feitelijk en emotioneel aanwezig is om haar dochter op te vangen en te begeleiden. Volgens de vrouw had het hof dit niet onbesproken mogen laten. Daarbij komt dat de vrouw met de zorg voor de kinderen is belast, omdat de omgang tussen de man en de kinderen door de rechter is opgeschort; tijdens de mondelinge behandeling had de vrouw hiervoor aandacht gevraagd. [21]
anorexia nervosa, dat deze behandeling met een goed resultaat is afgesloten en dat er vertrouwen is in verder herstel. De brief vermeldt verder dat voor de dochter van belang is dat de ouders emotioneel en feitelijk voor haar beschikbaar zijn, dat de dochter in een herstelproces zit en een belangrijke faseovergang doormaakt (haar overgang naar de middelbare school). Uit de brief kan in elk geval worden afgeleid dat het met de dochter na de behandeling al een stuk beter ging dan toen die behandeling een aanvang nam. Gesteld noch gebleken is dat de behandeling van de dochter op enig tijdstip na 28 juni 2017 zou zijn hervat. Wat betreft de door de vrouw in hoger beroep ingenomen stellingen verwijst het subonderdeel uitsluitend naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 oktober 2018. Daarin staat dat de moeder heeft aangevoerd dat de dochter met een eetstoornis kampt en veel aandacht nodig heeft en dat de moeder “over de kop” zou gaan als ze aan de slag gaat (met betaald werk). Het hof heeft een en ander in rov. 12 aldus samengevat dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij beperkt belastbaar is vanwege, onder meer, de intensieve zorg voor de kinderen. Het hof heeft in rov. 13 daartegenover gesteld dat de zorg voor de kinderen, gezien hun leeftijd, zeer beperkt is (bedoeld zal zijn: beperkt in de tijd op werkdagen). Vaststaat dat de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking allebei naar de middelbare school gingen; de dochter was op dat moment al veertien jaar oud. Gelet op de leeftijd van de kinderen en op het feit dat de behandeling van de dochter voor haar eetstoornis ruim anderhalf jaar ervóór met goed resultaat was afgesloten en nadien niet van nieuwe of hernieuwde medische problemen is gebleken, behoefde het hof de stellingen van de moeder niet uitvoeriger te bespreken dan het heeft gedaan. Het subonderdeel leidt niet tot cassatie.
met ingang van een op dat moment nog in de toekomst gelegen datumin staat acht om een inkomen uit arbeid van ten minste € 90.000,- te verwerven. Het “verwijt” dat het hof volgens het middelonderdeel aan de vrouw zou hebben gemaakt heeft betrekking op het verleden. Zoals bij de bespreking van het vorige subonderdeel al aan de orde kwam, ligt in het oordeel besloten dat het hof niet aangetoond acht dat de gezondheidssituatie van de dochter na 1 september 2019 (nog langer) een belemmering voor de vrouw oplevert om betaald werk te zoeken en te vinden.
directoris van een besloten vennootschap voor ‘advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering’. De vrouw heeft de stellingen van de man met betrekking tot haar werkervaring (vóór en ná het einde van haar dienstbetrekking in 2014) niet betwist. In punt 30 van het verweerschrift in hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de ongelijke rolverdeling binnen het huwelijk de reden is geweest dat zij in overleg met de man is gestopt met (betaald) werken. Het hof heeft deze stelling weerlegd door te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de vrouw om nu, drie jaar na aanvang van de scheidingsprocedure, weer inkomen uit arbeid te (gaan) verwerven en door te wijzen op haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor ervaren fiscalisten. De klacht faalt om deze redenen.
subonderdeel 2.1.4-VIIItot uitgangspunt dat de vrouw in hoger beroep in het kader van haar behoeftigheid veel omstandigheden heeft aangevoerd, die ik in deze conclusie niet alle zal herhalen. [23] De motiveringsklacht is gericht tegen het oordeel dat de vrouw geen enkel initiatief toont om inkomen te verwerven en dat het haar toe te rekenen is dat zij dat niet heeft gedaan. Onder verwijzing naar twee e-mails d.d. 11 en 12 april 2016 die de vrouw in eerste aanleg had overgelegd, [24] stelt de vrouw dat zij juist veel moeite heeft gedaan om een baan bij de belastingdienst te krijgen.
in de toekomst– concreet: per 1 september 2019 – een inkomen te verdienen waarmee zij in staat zal zijn volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Subonderdeel 2.1.4-XIheeft een samenvattend karakter. Het bevat ten opzichte van de voorgaande subonderdelen geen nieuwe klacht die afzonderlijk bespreking behoeft.
Draagkracht van de man vanaf 5 februari 2018 tot 1 juli 2018
kinderalimentatieen kon bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden om redenen die zijn uiteengezet in alinea 2.6 hiervoor. Het hier te bespreken subonderdeel 2.2.2 bevat ten aanzien van de vaststelling van de
partneralimentatieniet dezelfde klacht als subonderdeel 2.1.2.
voor het geheelopneemt in de draagkrachtberekening. In punt 82 van de draagkrachtberekening is een eigenwoningforfait van € 6.503,- is opgenomen, en derhalve niet de helft daarvan, en onder punt 83 een bedrag van € 19.740,- aan rente en kosten in plaats van een bedrag van € 5.961,-.
verhoogthet inkomen. Het hof heeft inzichtelijk gemaakt hoe het aan dit bedrag is gekomen: het hof heeft dit gebaseerd op een WOZ-waarde van € 929.000,- (zie rov. 15) en het betreft een waarde die wordt meegenomen bij de berekening van de draagkracht vanaf 5 februari 2018. Het subonderdeel verwijst slechts naar een belastingaangifte die betrekking heeft op het jaar daarvóór, 2017. De klacht dat het hof de (fiscale) woonlasten “voor het geheel in de draagkrachtberekening opneemt” mist feitelijke grondslag: een draagkrachtberekening die het hof zelf heeft gemaakt heb ik niet aangetroffen in de overgelegde dossier. Het hof vermeldt ook niet dat een berekening wordt aangehecht aan de beschikking. Indien de Hoge Raad aan dit subonderdeel toekomt, faalt het om deze redenen.
per 1 juli 2018is verschoven van box 1 naar box 3 Wet Inkomstenbelasting 2001. Geklaagd wordt dat het hof met dit oordeel art. 149 Rv Pro heeft geschonden (een verboden aanvulling van de feiten heeft gegeven), alsook art. 19 Rv Pro (hoor en wederhoor), en dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu partijen over dit punt niets hebben gesteld. Ten einde een ontoelaatbare verrassingsbeslissing te voorkomen, had volgens de klacht het hof partijen eerst in de gelegenheid moeten stellen zich hierover uit te laten: dan had de vrouw, zo betoogt zij, het hof kunnen voorzien van een GBA-uittreksel waaruit blijkt dat de man eerst op 1 februari 2017 uit de woning is vertrokken.
Betaalde hypotheekrente naast woonlast alimentatieplichtige:
subonderdeel 2.2.5bouwt uitsluitend voort op de klachten in het vorige subonderdeel en faalt op de bij dat subonderdeel besproken gronden. Ten aanzien van onderdeel 2.2 wordt toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging gegeven.
Subonderdeel 2.3.2voegt hieraan toe dat het hof bovendien heeft miskend dat de rechter zelf aan de hand van de beschikbare gegevens moet onderzoeken of terugbetaling in redelijkheid van de vrouw kan worden gevergd en het oordeel daarover ook naar behoren moet motiveren.
nietertoe in staan zijn om met elkaar te overleggen. [31]
in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoudreeds was uitgegeven. Bij die beoordeling was het hof niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Geen van de in alinea 2.53 genoemde gezichtspunten, voor zover van toepassing, zijn − kenbaar voor de lezer – door het hof in de beoordeling meegenomen. Dat partijen wellicht onderling in staat zijn om een redelijke en billijke terugbetalingsregeling overeen te komen, zegt niets over de vraag of in redelijkheid van de vrouw kan worden
verlangddat zij de teveel ontvangen alimentatie terugbetaalt. Indien het hof, met het oordeel dat partijen in staat worden geacht om een terugbetalingsregeling overeen te komen, voor ogen heeft gehad dat partijen het onderling ook wel eens zullen kunnen worden over de vraag of van de vrouw kan worden verlangd dat zij de teveel ontvangen alimentatie terugbetaalt, zou dat oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de inhoud van het proces-verbaal. Daarin staat onder meer dat de voorzitter heeft opgemerkt dat partijen niet in staat zijn met elkaar te overleggen. Het bovenstaande brengt mee dat de klachten van onderdeel 2.3 slagen.