4.2.Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (met overneming van voetnoten)
“
Algemeen
Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008en 10 september 2009is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [medeverdachte 1] enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen.
Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] ., gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [medeverdachte 2] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Door [medeverdachte 2] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [medeverdachte 5] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [medeverdachte 5] gewijzigd in [medeverdachte 5] [
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven.Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld.
[medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [medeverdachte 1] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [medeverdachte 5] .
De verdachte heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6][medeverdachte 3] bevestigt in haaf verklaring dat de verdachte door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant.
[betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] genoemd) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [medeverdachte 1] en bij [medeverdachte 4] was dat [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [medeverdachte 1] de baas van [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [medeverdachte 1] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [medeverdachte 1] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van [medeverdachte 6] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [medeverdachte 2] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] .
(…)
Bewijsoverweging met betrekking tot de criminele organisatie
Ter zake feit 2 (zaak 7):
Juridisch kader
Het hof stelt het volgende voorop.
In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie
het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
Tot slot moet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt alsdeelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen, bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken, met als achtergrond de handel in illegaal vuurwerk.
Immers uit de bewijsmiddelen, opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage, volgt dat de Luxemburgse rechtspersoon [medeverdachte 4] een volledig valse debiteurenadministratie voerde. Volgens die administratie werden in de jaren 2006 tot en met 2008 de partijen vuurwerk immers uitsluitend verkocht en geleverd aan [D] Ltd. en [E] Ltd., rechtspersonen die in werkelijkheid in het geheel geen vuurwerk hebben gekocht of ontvangen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren de feitelijk leidinggevende personen achter [medeverdachte 4] . Zij gebruikten [medeverdachte 4] als dekmantel voor het inklaren en transporteren van vuurwerk waarmee zij niet persoonlijk geassocieerd wilden worden. Dat zij persoonlijk buiten beeld wilden blijven, blijkt bijvoorbeeld uit het gebruik van de valse naam [naam 1] door [medeverdachte 2] in contacten met expediteur [H] en het gebruikmaken van het faxapparaat van een ander bedrijf. Ook gebruikten [medeverdachte 2] en verdachte de naam [betrokkene 3] . Soms werd bij het ontvangen en transporteren van het vuurwerk niet [medeverdachte 4] als dekmantel gebruikt maar [E] Ltd. en werd (ook) daarbij de naam [betrokkene 3] valselijk gebruikt. Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werd bovendien verdachte ingeschakeld, zodat zij zelf buiten schot bleven.
De criminele organisatie heeft zeer succesvol geopereerd. In de periode van 2006 tot en met 2008 worden door [F] SA, 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. De opslagen vonden plaats in [plaats] en [plaats] in Duitsland en “Luxemburg”.Behoudens de kilo’s vuurwerk die in beslag zijn genomen is het niet duidelijk geworden waar dit vuurwerk uiteindelijk is afgezet. Deze hoeveelheid geïmporteerd vuurwerk vertegenwoordigt een verkoopwaarde die ver lijkt uit te stijgen boven de bedragen die uiteindelijk op de rekeningen van [medeverdachte 4] zijn gestort. Daarbij merkt het hof op dat in totaal van de inkopen in China volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] € 594.415,36 bedroeg, terwijl op basis van de facturen van de Chinese bedrijven voor een bedrag € 1.447.217,00 werd ingekocht.
Dat de valsheid in geschriften en het witwassen werden begaan tegen de achtergrond van handel in vuurwerk waarbij de voorschriften zoals neergelegd in de vuurwerkwetgeving niet werden nageleefd blijkt uit het feit dat bij diverse transporten vuurwerk werd aangetroffen waarbij - deels zware - overtredingen werden geconstateerd met betrekking tot de Vuurwerkwetgeving.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst.Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.G-vuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren.De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004.
[medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
Verdachte had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist verdachte dat de familie [medeverdachten] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer het immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om verdachte onder een valse naam ‘er tussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van verdachte was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte 5] is opgericht voor legale doeleinden, namelijk de handel in professioneel vuurwerk. [medeverdachte 5] is echter tevens ingezet voor de criminele organisatie. In haar boekhouding van 2007 worden facturen aan [E] Ltd. aangetroffen (zaak 7) en het vuurwerk uit de containers die in juni 2008 in de haven van Antwerpen aankwamen duikt op in de door [medeverdachte 5] gehuurde bunker in [plaats] (zaak 3). Deze betrokkenheid is derhalve meer dan incidenteel, hetgeen haar tot deelnemer aan de criminele organisatie maakt.
Gelet op deze beschrijving van betrokkenheid, werkwijze en rolverdeling bij de verschillende strafbare feiten is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Er waren gemeenschappelijke doelstellingen en er was een zekere gelaagdheid in de rolverdeling. Dat enkele leden van de organisatie familie van elkaar waren, doet aan het vorenstaande niet af, nu duidelijk is dat die familiebanden juist werden benut voor het verwezenlijken van het. misdadige doel van de organisatie.
De verdediging heeft subsidiair nog het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft gewerkt voor het legale vuurwerkbedrijf van de familie [medeverdachten] . Voor zover het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen acht, was die bijdrage aan een eventuele criminele organisatie slechts eenmalig en kortdurend. De wetenschap van het crimineel oogmerk van de organisatie ontbreekt.
Het hof verwerpt het eerste verweer op grond van hetgeen hiervoor is overwogen: de eisen van het hebben duurzaamheid en gestructureerdheid hebben betrekking op de 'organisatie' en niet op de 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Ook de andere verweren gaan niet op: de wijze waarop de verdachte betrokken was (als stroman, onder valse naam) bewijst zijn bekendheid met het oogmerk van die organisatie.”