ECLI:NL:PHR:2022:626

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/04090
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 420bis SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 ROArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en deelneming aan criminele organisatie met vuurwerkhandel

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens medeplegen van valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met illegale vuurwerkhandel, valsheid in geschrift en witwaspraktijken. Het hof achtte bewezen dat de verdachte in de periode 2008 betrokken was bij een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met meerdere medeverdachten en rechtspersonen, gericht op het plegen van misdrijven.

De bewijsvoering bestond uit onder meer bedrijfsadministraties, getuigenverklaringen, handelsregistergegevens en onderzoek naar vuurwerktransporten. De verdachte had een rol bij het inklaren en transporteren van vuurwerkcontainers en gebruikte valse documenten en namen. Het hof oordeelde dat de bijdrage van de verdachte, hoewel korter dan die van anderen, van voldoende gewicht was om deelneming aan de criminele organisatie aan te nemen.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte slechts kortdurend en incidenteel betrokken was en dat hij niet wist van het criminele oogmerk. Deze verweren werden door het hof verworpen. Tevens werd het cassatieberoep verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gemaakt en de strafoplegging passend was, mede rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.

De zaak kende een langdurige procedure met overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven jaar, waarbij het hof de overschrijding deels toerekende aan de complexiteit en onderzoekswensen van de verdediging. De opgelegde straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, mede vanwege deze termijnoverschrijding.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens medeplegen valsheid in geschrift en deelneming aan criminele organisatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04090

Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 2. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van een jaar en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/04319, 20/04318, 20/04320, 20/04316, 20/04317 en 20/04321. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of gehandeld heeft in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
4.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met de maand januari 2009, in Nederland en in de Bondsrepubliek Duitsland en in België heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de rechtspersonen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder artikel 225 Wetboek Pro van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht”
4.2.
Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (met overneming van voetnoten)

Algemeen
Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 [1] en 10 september 2009 [2] is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [medeverdachte 1] enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen.
Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] ., gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [medeverdachte 2] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [3]
Door [medeverdachte 2] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [medeverdachte 5] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [medeverdachte 5] gewijzigd in [medeverdachte 5] [
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [4] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [5]
[medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [medeverdachte 1] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [medeverdachte 5] . [6]
De verdachte heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6] [7] [medeverdachte 3] bevestigt in haaf verklaring dat de verdachte door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [8]
[betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] genoemd [9] ) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [medeverdachte 1] en bij [medeverdachte 4] was dat [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [medeverdachte 1] de baas van [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [medeverdachte 1] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [medeverdachte 1] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van [medeverdachte 6] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [medeverdachte 2] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] . [10]
(…)
Bewijsoverweging met betrekking tot de criminele organisatie
Ter zake feit 2 (zaak 7):
Juridisch kader
Het hof stelt het volgende voorop.
In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie
het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
Tot slot moet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen, bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken, met als achtergrond de handel in illegaal vuurwerk.
Immers uit de bewijsmiddelen, opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage, volgt dat de Luxemburgse rechtspersoon [medeverdachte 4] een volledig valse debiteurenadministratie voerde. Volgens die administratie werden in de jaren 2006 tot en met 2008 de partijen vuurwerk immers uitsluitend verkocht en geleverd aan [D] Ltd. en [E] Ltd., rechtspersonen die in werkelijkheid in het geheel geen vuurwerk hebben gekocht of ontvangen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren de feitelijk leidinggevende personen achter [medeverdachte 4] . Zij gebruikten [medeverdachte 4] als dekmantel voor het inklaren en transporteren van vuurwerk waarmee zij niet persoonlijk geassocieerd wilden worden. Dat zij persoonlijk buiten beeld wilden blijven, blijkt bijvoorbeeld uit het gebruik van de valse naam [naam 1] door [medeverdachte 2] in contacten met expediteur [H] en het gebruikmaken van het faxapparaat van een ander bedrijf. Ook gebruikten [medeverdachte 2] en verdachte de naam [betrokkene 3] . Soms werd bij het ontvangen en transporteren van het vuurwerk niet [medeverdachte 4] als dekmantel gebruikt maar [E] Ltd. en werd (ook) daarbij de naam [betrokkene 3] valselijk gebruikt. Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werd bovendien verdachte ingeschakeld, zodat zij zelf buiten schot bleven.
De criminele organisatie heeft zeer succesvol geopereerd. In de periode van 2006 tot en met 2008 worden door [F] SA, 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. De opslagen vonden plaats in [plaats] en [plaats] in Duitsland en “Luxemburg”. [11] Behoudens de kilo’s vuurwerk die in beslag zijn genomen is het niet duidelijk geworden waar dit vuurwerk uiteindelijk is afgezet. Deze hoeveelheid geïmporteerd vuurwerk vertegenwoordigt een verkoopwaarde die ver lijkt uit te stijgen boven de bedragen die uiteindelijk op de rekeningen van [medeverdachte 4] zijn gestort. Daarbij merkt het hof op dat in totaal van de inkopen in China volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] € 594.415,36 bedroeg, terwijl op basis van de facturen van de Chinese bedrijven voor een bedrag € 1.447.217,00 werd ingekocht.
Dat de valsheid in geschriften en het witwassen werden begaan tegen de achtergrond van handel in vuurwerk waarbij de voorschriften zoals neergelegd in de vuurwerkwetgeving niet werden nageleefd blijkt uit het feit dat bij diverse transporten vuurwerk werd aangetroffen waarbij - deels zware - overtredingen werden geconstateerd met betrekking tot de Vuurwerkwetgeving.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst. [12] Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.G-vuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren. [13] De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004. [14]
[medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
Verdachte had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist verdachte dat de familie [medeverdachten] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer het immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om verdachte onder een valse naam ‘er tussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van verdachte was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte 5] is opgericht voor legale doeleinden, namelijk de handel in professioneel vuurwerk. [medeverdachte 5] is echter tevens ingezet voor de criminele organisatie. In haar boekhouding van 2007 worden facturen aan [E] Ltd. aangetroffen (zaak 7) en het vuurwerk uit de containers die in juni 2008 in de haven van Antwerpen aankwamen duikt op in de door [medeverdachte 5] gehuurde bunker in [plaats] (zaak 3). Deze betrokkenheid is derhalve meer dan incidenteel, hetgeen haar tot deelnemer aan de criminele organisatie maakt.
Gelet op deze beschrijving van betrokkenheid, werkwijze en rolverdeling bij de verschillende strafbare feiten is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Er waren gemeenschappelijke doelstellingen en er was een zekere gelaagdheid in de rolverdeling. Dat enkele leden van de organisatie familie van elkaar waren, doet aan het vorenstaande niet af, nu duidelijk is dat die familiebanden juist werden benut voor het verwezenlijken van het. misdadige doel van de organisatie.
De verdediging heeft subsidiair nog het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft gewerkt voor het legale vuurwerkbedrijf van de familie [medeverdachten] . Voor zover het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen acht, was die bijdrage aan een eventuele criminele organisatie slechts eenmalig en kortdurend. De wetenschap van het crimineel oogmerk van de organisatie ontbreekt.
Het hof verwerpt het eerste verweer op grond van hetgeen hiervoor is overwogen: de eisen van het hebben duurzaamheid en gestructureerdheid hebben betrekking op de 'organisatie' en niet op de 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Ook de andere verweren gaan niet op: de wijze waarop de verdachte betrokken was (als stroman, onder valse naam) bewijst zijn bekendheid met het oogmerk van die organisatie.”
4.3.
Het bestreden arrest bevat nog een bijlage met als titel “Bijlage bij het arrest inzake [verdachte] ; bewijsmiddelen bij feit 2, de criminele organisatie”:

Bewijsoverweging
De verdediging heeft aangevoerd dat bij bewezenverklaring van de criminele organisatie - kort gezegd - de containers van december 2008 (zaak 4) niet mogen bijdragen tot het bewijs, omdat door het Openbaar Ministerie is toegezegd dat feit 2 geen betrekking heeft op andere strafbare feiten dan aan cliënt tenlastegelegd.
Het hof is van oordeel dat, ook wanneer de containers van december 2008 in de beoordeling worden betrokken, de betrokkenheid van de verdachte daarbij niet een strafbare is, buiten het feit dat hij daarmee een bijdrage heeft geleverd aan de duurzame organisatie waarvan hij wist dat die een crimineel oogmerk had.
Deze feiten kunnen in de beoordeling van feit 2 dus wel betrokken worden.
(Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten)(…)
VerweerDe verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de 70 dozen cakeboxen eigendom waren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] Ook heeft [medeverdachte 2] niet de opdracht gegeven om deze dozen te vervoeren en was hij niet op de hoogte van de aanwezigheid van de dozen in de container. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het dossier tevens aanwijzingen bevat dat [medeverdachte 2] niet betrokken is geweest bij dit feit. Zo klopt de verklaring van chauffeur [getuige 2] niet, nu hij spreekt over iemand met krullend haar, 35 jaar oud en rijdend in een pick-up, en verklaart de andere chauffeur, [getuige 3] , die [medeverdachte 2] kent, dat [medeverdachte 2] niet aanwezig was bij het laden en lossen in [plaats] op 9 november 2007.
(…)
Verweer
De verdediging heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de betrokken twee pallets vuurwerk het eigendom waren van [betrokkene 4] en per abuis zijn meegenomen.
(…)
VerweerDe verdediging heeft betoogd dat de herkenning door [getuige 2] van [medeverdachte 2] op een vergissing berust, gelet op de verklaring van [getuige 3] .
(…)
VerweerDe verdediging heeft, ook in hoger beroep, aangevoerd dat de meldingsplicht op de vervoerder rust en dat het verwijt verdachte daarom niet treft. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar het vonnis waarvan beroep, betoogd dat de meldingsplicht wel degelijk op de verdachte(n) rustte(n).
(…)
Dat verdachte opdrachtgever van de importeur was is door de verdediging niet betwist.
(…)
Uitgaande van bovenstaand toetsingskader komt het hof tot het oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 6] [medeverdachte 2] was direct betrokken bij de getransporteerde pallets en bij het opstellen en het invullen van de CMR. [medeverdachte 2] wist dat de CMR vals was. Hij wist dat de twee pallets ‘fout’ waren, in die zin dat het geen 1,4G vuurwerk betrof, terwijl op die CMR 1,4G was ingevuld. Door de chauffeur vervolgens op weg te sturen met de valse CMR, heeft [medeverdachte 2] van die valse CMR gebruik gemaakt. Het bedrijf [medeverdachte 6] organiseerde het transport tot het ophalen van het vuurwerp in [plaats] in het kader waarvan het strafbare feit kon worden begaan, In de samenwerking tussen beiden kon het feit worden begaan.
Hij heeft daarmee het feit medegepleegd zoals primair tenlastegelegd.
Verweer
Door de raadsman is betoogd dat de CMR door [getuige 2] is ingevuld en gebruikt en [medeverdachte 2] hierbij geen enkele betrokkenheid heeft gehad. In de pleitnota is het volgende opgenomen: ‘De classificatie is dus door [getuige 2] zelf op de CMR vermeld, zonder dat iemand anders de classificatie aan hem heeft opgegeven. Ook is het [getuige 2] geweest die het document bij de controle van de containers ter inzage heeft aangeboden aan de opsporingsfunctionarissen. Nog los van de vraag of [medeverdachte 2] überhaupt aanwezig was in [plaats] en zich heeft bemoeid met het invullen van de CMR, heeft hij dus in ieder geval geen enkele betrokkenheid gehad bij het invullen van de classificatie op de CMR, dan wel het afgeven van de CMR tijdens de controle van de containers. En de tenlastegelegde valsheid bestaat nu juist uit de vermelding van de onjuiste classificatie (!): ‘en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die CMR stond vermeld “1.4G Vuurwerk’' terwijl (een deel van) het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1.4G vuurwerk was’. [15]
Het hof overweegt als volgt.
(…)
Eendaadse/meerdaadse samenloop
De verdediging heeft aangevoerd dat de feiten 1, 2 en 3 steeds dezelfde, op 9 september 2007 in Uden aangetroffen, partij vuurwerk betreffen. Daarom concludeert de verdediging dat sprake is van eendaadse samenloop en toepasselijkheid van artikel 55 Sr Pro.
(Zaak 4: niet aangemelde drugstransporten)(…)
Toen aan de getuige foto’s van een aantal personen werden getoond, herkende hij twee van de drie mannen, namelijk [medeverdachte 1] en de verdachte. [16] Hij herkende de verdachte aan zijn rossig haar met paardenstaart.
(…)
Zaak 7: valse bedrijfsadministratie)
(…)”
4.4.
Het hof heeft in de onderhavige zaak onder feit 1 bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift. Ten aanzien van de onder feit 2 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie, heeft het hof in zijn bewijsmotivering overwogen dat het “op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen” bewezen acht dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken. Deze “hierna te noemen bewijsmiddelen” betreffen onder meer de aan het bestreden arrest gehechte bewijsbijlage en hebben aldus betrekking op het onder feit 2 bewezenverklaarde.
4.5.
Deze bewijsbijlage van het hof is als volgt ingedeeld. Allereerst wijdt het hof een overweging aan een blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 21 september 2020 gehechte pleitnota door de raadsman namens de verdachte gevoerd verweer. Vervolgens gaat het hof onder het kopje “
Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten”, in op een aantal vermeende door de verdediging gevoerde verweren en concludeert het hof onder meer dat [medeverdachte 6] als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als feitelijk leidinggevers kunnen worden aangemerkt aan de verboden gedragingen begaan door [medeverdachte 6] en dat sprake is van medeplegen. Onder de kopjes “
Zaak 4: niet aangemelde vuurwerktransporten”, “
Zaak 7: valse bedrijfsadministratie” en “
Zaak 7: gewoontewitwassen” doet het hof feitelijke vaststellingen over vuurwerktransporten verricht namens [medeverdachte 4] door [medeverdachte 1] en de verdachte en het voeren van een valse bedrijfsadministratie en gewoontewitwassen door de criminele organisatie. Onder deze drie kopjes worden geen (al dan niet) door de verdediging in de onderhavige zaak gevoerde verweren vermeld. Deze zaken zijn niet aan de verdachte tenlastegelegd, [17] maar dienen naar ik de bewijsoverwegingen van het hof begrijp ter motivering van de wel aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
4.6.
Op grond van art. 359 lid 3 Sv Pro moet de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de in het arrest van het hof opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden welke bewijsmiddelen in het arrest dienen te zijn opgenomen.
4.7.
Reeds uit de door de verdediging namens de verdachte vermeende gevoerde verweren, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage met bewijsmiddelen blijkt dat deze bijlage niet (uitsluitend) ziet op de zaak van de verdachte. Immers, uit de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota van de verdediging blijkt dat deze verweren door de raadsman van de verdachte bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep niet zijn gevoerd. Het lijkt erop dat het hof de namens de medeverdachten gevoerde verweren abusievelijk heeft opgenomen als verweren van de verdachte. Immers, namens de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , allen vertegenwoordigd door dezelfde raadsman, zijn deze verweren wel gevoerd. Voorts heeft het hof in de bijlage overwogen dat “verdachte opdrachtgever van de importeur was”, terwijl dit gelet op de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten evident niet de verdachte betreft.
4.8.
De stellers van het middel klagen aldus terecht dat het hof in de bewijsbijlage heeft verwezen naar feiten en omstandigheden die niet van toepassing zijn op de verdachte. Toch meen ik dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. Daartoe is het volgende van belang.
4.9.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie waaraan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] eveneens deelnamen. In zijn bewijsoverweging zoals opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest heeft het hof weliswaar per abuis de verweren die zijn gevoerd namens de medeverdachte(n) vermeld, maar de bewijsbijlage ziet verder enkel op niet aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het hof heeft mijns inziens met deze bijlage tot uitdrukking willen brengen waar de criminele organisatie, waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, zich mee bezig hield. De rol van de verdachte zelf bij deze criminele organisatie blijkt dan ook niet uit de bewijsbijlage – behoudens ten aanzien van het niet aan de verdachte tenlastegelegde uit ‘zaak 4’ – maar uit de in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. De bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 2, te weten de deelname aan de criminele organisatie, blijkt dan ook zonder meer uit de in het bestreden arrest opgenomen bewijsoverweging.
4.10.
Het opnemen van de verweren zoals deze zijn aangevoerd in de zaken tegen de medeverdachten betreft een evidente misslag en behoeft mijns inziens geen gevolgen te hebben. Deze verweren zien immers niet op hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte geen belang heeft bij cassatie.
4.11.
Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

5. Het
tweede middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
5.1.
Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Verdachte heeft redelijkerwijs met vervolging rekening moeten houden vanaf 14 januari 2009, de dag waarop de doorzoekingen hebben plaatsgevonden. De zaak is bij de rechtbank niet binnen twee jaar nadien afgerond, nu pas op 31 mei 2013, derhalve na 4 jaar en 4 maanden, eindvonnis is gewezen. De rechtbank heeft overwogen dat er geen omstandigheden zijn die een langere termijn van berechting rechtvaardigen en constateert een termijnoverschrijding van 2 jaar en 4 maanden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu dit een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris, de overschrijding van de redelijke termijn beperkt is tot een termijn van 18 maanden.
Zoals gezegd is door de rechtbank vonnis gewezen op 31 mei 2013. De strafzaak heeft in hoger beroep op 18 januari 2016 voor het eerst op zitting gestaan. De eerste regiezittingen hebben plaatsgevonden op 23 april en 10 mei 2016. Dat is drie jaar na het wijzen van het eindvonnis. Bij de regiezittingen en de aanvullende regiezittingen heeft de verdediging van de medeverdachten een groot aantal onderzoekswensen neergelegd. Nu de vervolging van verdachte deel uitmaakte van een groot procesdossier heeft hij op de resultaten van dit onderzoek moeten wachten en heeft het 7 jaar en 5 maanden geduurd voor zijn zaak is afgerond. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee 5 jaar en 5 maanden overschreden.
Tussenarrest
Op 19 oktober 2020 heeft het hof een tussenarrest gewezen in de samenstelling Smit, Hartmann, Nederlof. In dit tussenarrest, dat niet is gewezen door de rechters die de zaak inhoudelijk hadden behandeld, is geen inhoudelijk oordeel over de zaak gegeven. Het hof was namelijk in raadkamer tot de conclusie gekomen dat van een van de zittingsrechters; mr. Grapperhaus, die sinds 15 oktober 2020 werkzaam was bij de rechtbank Midden-Nederland, de bevoegdheid niet meer vaststond. In verband daarmee is de zaak heropend en aangehouden voor onbepaalde tijd. Mr. Grapperhaus is bij (herstel) Koninklijk Besluit benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger ingaande per 15 oktober 2020 bij het hof ‘s-Hertogenbosch en derhalve staat thans vast dat zij bevoegd is om arrest te wijzen. Op 10 december 2020 is de zaak wederom aangebracht, gesloten en is arrest gewezen. De inhoud van het arrest is vastgesteld door de leden van het hof die de zaak inhoudelijk hebben behandeld en die het arrest hebben gewezen. Het hof betreurt de gang van zaken en het onverwachte oponthoud dat hierdoor is opgetreden. Het hof realiseert zich dat het voor de verdachte een diepe ontgoocheling moet zijn geweest dat op de geplande uitspraakdatum een tussenarrest werd gewezen. Het oponthoud van bijna twee maanden dat daardoor is ontstaan wordt door het hof meegenomen bij de overschrijding van de redelijke termijn.
De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hiermee zeven jaar en één maand.
Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden en 2 weken op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof in plaats daarvan een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur opleggen. Daarmee wordt de strafoplegging tevens dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.”
5.2.
De stellers van het middel klagen over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet met twee jaren en vier maanden is overschreden en dat er geen redenen zijn die deze overschrijding rechtvaardigen, maar ‘slechts’ met een periode van achttien maanden nu de termijn zou zijn overschreden ten gevolge van de verdediging. Dit oordeel zou in het licht van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, hetgeen de rechtbank in het vonnis heeft vastgesteld, de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de rechtbank en hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, onbegrijpelijk zijn.
5.3.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Bij zijn toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kent de Hoge Raad gewicht toe aan onder meer de redelijkheid van de duur van een zaak. Dit is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
5.4.
Bij de beoordeling van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet in het oog worden gehouden dat het tijdsverloop tussen de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak door de feitenrechter dien te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur van de behandeling rechtvaardigen. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van verschillende omstandigheden, waaronder de invloed van de verdediging, zoals het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak of de ingewikkeldheid van de zaak. [18]
5.5.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat sinds 14 januari 2009 – het aanvangspunt van de redelijke termijn – ongeveer 11 jaar en 11 maanden zijn verstreken tot de dag dat het hof uitspraak heeft gedaan op 10 december 2020. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijk termijn heeft het hof, anders dan de rechtbank die overwoog dat er geen omstandigheden waren die een langere termijn van berechting rechtvaardigden, overwogen dat deze overschrijding in eerste aanleg achttien maanden bedraagt, nu het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris.
5.6.
De stellers van het middel klagen dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten is aan het te laat indien van stukken door het Openbaar Ministerie. De vertragende omstandigheden kunnen in ieder geval niet op het conto van de verdachte worden geschreven, zodat de verwerping van het verweer en de strafoplegging onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.
5.7.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 21 maart 2011 blijkt dat de raadsman te kennen heeft gegeven geen nadere onderzoekswensen te hebben en dat de zaak kan worden afgedaan. Hij heeft hierbij eveneens verzocht om de zaak af te splitsen van de zaken tegen de medeverdachten, indien de rechtbank de verzoeken van de medeverdachten geheel of gedeeltelijk zou toewijzen. De rechtbank heeft vervolgens besloten dat de zaak niet zal worden afgesplitst, omdat de zaken van de verdachte en zijn medeverdachte gelet op de complexiteit en samenhang van die zaken gelijktijdig inhoudelijk dienen te worden behandeld.
5.8.
De verdediging heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 21, 24 en 25 september en 5 oktober 2020, het woord tot de verdediging gevoerd overeenkomstig de aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota en onder meer het volgende aangevoerd:
“Indien u cliënt (deels) veroordeelt, veroordeelt u hem voor feiten die inmiddels ruim 12 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dat is - ook in ons niet al te vlotte strafrechtsysteem - verschrikkelijk lang geleden. De vraag dringt zich op in hoeverre een gevangenisstraf dan nog op zijn plek is, temeer nu de schade van de lange looptijd van de strafzaak ook bepaald niet beperkt is. Wat geldt voor de medeverdachten geldt ook voor cliënt: de strafzaak heeft diepe sporen nagelaten in het dagelijks leven. Cliënt is in 2009 aangehouden maar wist al vanaf 2008 dat er iets niet in de haak was. Het vonnis is uit 2013 (dat was ook al laat). Cliënt kon zich daarmee niet verenigen, had aanvankelijk 3 getuigenverzoeken. Een flink stuk minder dan de medeverdachten. De verdediging heeft meerdere malen gedurende dit proces verzocht om afsplitsing. De eerste keer op 21 maart 2011, de laatste keer bij de regiezitting in hoger beroep. Het werd afgewezen, waardoor cliënt ook veroordeeld was tot meegaan (stilstaan) in de stroperigheid van het proces in hoger beroep.
Een stroperigheid die toch niet in de laatste plaats op het conto komt van het Openbaar Ministerie, dat op de zitting van 26 oktober 2012 nog een veeg uit de pan krijgt van de rechtbank. Maar vervolgens in hoger beroep ook niet echt de hoogste mate van voortvarendheid laat zien. Alleen al de geschiedenis m.b.t. de verstrekking van de aanvullende stukken naar aanleiding van de inzage in het onderzoeksdossier onderschrijft dat. Dat er pas in 2016 een regiezitting plaatsvond is wellicht niet (geheel) aan het O.M. toe te schrijven, maar eveneens een treurige constatering. Inmiddels zijn we ruim zeven jaar na het vonnis. Zeven jaar, dat is verschrikkelijk lang en u moet zich realiseren dat cliënt al die tijd (dus vanaf 2008 maar zeker vanaf 2009) wist dat er ooit nog een finaal oordeel over hem geveld zou worden.
(…)
De redelijke termijn is ruimschoots overschreden, sterker nog: deze is “over de kop gegaan”. De gevolgen van die lange behandelduur zijn u voorgehouden. Dat het O.M. in dat kader wijst naar de verzoeken van de verdediging is slechts voor een klein deel redelijk. Dat er om het horen van getuigen wordt verzocht, betekent niet vanzelfsprekend dat de verdediging daarmee instemt met jaren oponthoud. Dat is wel de praktijk gebleken, in dit proces. De lange duur van de overschrijding van de redelijke termijn brengt met zich mee dat uw hof in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad kan handelen naar bevind van zaken.”
5.9.
Het hof heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Dit is tien maanden korter dan de door de rechtbank vastgestelde schending en is er volgens het hof in gelegen dat het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen zijn bevraagd bij de rechter-commissaris. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. De raadsman van de verdachte heeft immers een aantal getuigenverzoeken gedaan en ook namens de raadsman van de medeverdachten zijn verschillende getuigenverzoeken gedaan die van belang konden of hadden kunnen zijn voor de strafzaak tegen de verdachte. Het bevreemdt mijns inziens dan ook niet dat het hof hiermee rekening heeft gehouden bij zijn beoordeling van (de schending van) de redelijke termijn.
5.10.
De opvatting van de stellers van het middel inhoudende dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten zou zijn aan het te laat indien van stukken door het openbaar ministerie doet aan dit oordeel niet af. Het is immers niet zo, zo lijken de stellers van het middel te miskennen, dat de vertraging in de strafzaak door het hof uitsluitend op het conto van de verdachte wordt geschreven.
5.11.
Dit brengt mee dat het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Bovendien verzet geen rechtsregel ertegen dat het hof tot een andere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn komt dan de rechtbank, zodat ook in zoverre de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is gemotiveerd faalt.
5.12.
Ten overvloede merk ik op dat het hof reeds een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn van zeven jaren en een maand heeft vastgesteld.
5.13.
Het tweede middel faalt.

Conclusie

6. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 17-12-2008, persoonsdossier p. 1059.
2.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 10-09-2012, persoonsdossier p. 2069.
3.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [medeverdachte 4] , persoonsdossier p. 1003A t/m 1006 en documenten 40, 41 en 42, algemeen proces-verbaal p. A 47 t/m A 52.
4.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [medeverdachte 5] , persoonsdossier p. 3004 t/m 3006.
5.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot rechtshulpverzoek Duitsland t.a.v. [medeverdachte 5] te [plaats] , persoonsdossier p. 3014 t/m 2016.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier p. 2008 t/m 2010.
7.Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , algemeen 1 en 2, persoonsdossier, p. 5015 en p. 5021-5[0]22.
8.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier, p. 2013.
9.Proces-verbaal ter terechtzitting betreffende [medeverdachte 3] van 26 en 31 oktober 2012, p. 6 en p. 9 in samenhang met het proces-verbaal ter terechtzitting betreffende verdachte van 26 en 31 oktober 2012, p. 16, verhoor [medeverdachte 3] als getuige.
10.Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 1] , algemeen 2. Persoonsdossier, p. 6015 en p. 6018 t/m 6020.
11.Proces-verbaal, algemeen dossier, p. A 32.
12.Deskundigenrapport NFI d.d. 18 augustus 2008, zaakdossier 3, p. 3247-3440.
13.Eindbericht politie-inspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3, p. 3547 e.v. in het bijzonder p. 3550.
14.Zaaksdossier 4, p. 4005 in onderlinge samenhang met p. 4137-4139.
15.Pleitaantekeningen mr. M.L. van Gessel, Zitting: Gerechtshof Den Bosch 21 september. 24 september en 25 september 2020. p. 20-21.
16.Het proces-verbaal van verhoor verwijst voor de foto naar een “doc 062”. Het hof begrijpt dat het gaat om de foto van [verdachte] , zaaksdossier 3, doc 62, p. 3309. Van de andere getoonde foto’s is geen documentnummer genoemd.
17.Ten aanzien van ‘zaak 4’ geldt wel dat het hof voor dat feitencomplex heeft geoordeeld dat de verdachte betrokken was bij het inklaren en transporteren van drie containers waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld.
18.Zie HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309,