Conclusie
1.Partijaanduiding en samenvatting cassatieberoep
Marba, een producent van cosmetische producten en schoonmaakmiddelen, heeft gedurende enkele jaren vaatwastabletten geleverd aan Salling, een exploitant van verschillende winkelketens en supermarktformules. In haar supermarktformules verkocht Salling vaatwastabletten onder de merken Shine en Budget, in de varianten ‘classic’ en ‘all-in-one’. In de periode 1 januari 2015 tot en met 1 april 2018 nam zij de vaatwastabletten af van DK International Care AS, die de vaatwastabletten op haar beurt inkocht bij Marba. Bij overeenkomst van 7 maart 2018 zijn Marba en Salling met ingang van 1 april 2018 een rechtstreekse contractuele relatie aangegaan, waarbij de betrokkenheid van DK International Care AS is komen te vervallen.
In april 2017 is een traject gestart om de kwaliteit van de vaatwastabletten van Marba te verbeteren. Marba heeft in dat kader verschillende prototypes van vaatwastabletten vervaardigd op basis van een vernieuwde formule.
Salling heeft in reconventie, zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht gevorderd dat Marba toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens Salling, doordat de geleverde vaatwastabletten niet aan de afgesproken kwaliteitseisen voldeden, alsmede vergoeding gevorderd van gemaakte kosten.
De rechtbank heeft de vorderingen van Marba bij eindvonnis van 9 juni 2021 in conventie afgewezen. In reconventie heeft zij voor recht verklaard dat Marba toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, en Marba veroordeeld tot betaling van een bedrag aan onderzoekskosten en van de proceskosten. [4]
Tegen Salling is verstek verleend.
Marba heeft afgezien van het geven van schriftelijke toelichting.
3.Ontvankelijkheid
30 november 2021, waarmee Marba ontvankelijk is in haar cassatieberoep van deze rolbeslissing.
De verleende toestemming om tussentijds beroep in te stellen geldt dan ook voor de voordien gewezen rolbeslissing van
16 november 2021. De vaste rechtspraak dat toestemming om tussentijds beroep in te stellen van een latere tussenuitspraak ook (in beginsel) de eerdere tussenuitspraken meetrekt, is onlangs nog eens bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 2021 [7] :
4 januari 2022tussentijds cassatieberoep in te stellen.
Marba is dus ontvankelijk in haar cassatieberoep van de drie genoemde rolbeslissingen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 1.9 van de rolbeslissing van 4 januari 2022, waarin het hof het volgende heeft overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook rov. 1.7 en 1.8):
1.8 Appellante heeft nog immer geen stukken overgelegd waaruit overtuigend blijkt dat de memorie reeds op 16 november 2021 bij het hof is afgeleverd. De door appellante genoemde e-mail van FalkPost luidt: “Hieronder ziet u dat wij in de nacht van 15-11-2021 een vrachtbrief hebben aangemaakt voor onze post gericht aan hof Amsterdam. Deze wordt in de ochtend van 16-11-2021 voor 9:00 uur afgeleverd”. De eerste volzin bevestigt dat, zoals in de beslissing van 30 november al tot uitgangspunt is genomen, de advocaat van appellante de memorie op 15 november 2021 aan FalkPost heeft aangeboden. Waarop de in de tweede volzin getrokken conclusie is gebaseerd, blijkt echter niet. Het blijft bij een blote bewering.
Volgens
subonderdeel 1.2heeft het hof, samengevat, daarnaast art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro geschonden door partijen niet in de gelegenheid te stellen van deze omstandigheid kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Het subonderdeel betoogt dat de omstandigheid van belang is omdat het hof deze zelf “relevant” acht en daarnaast niet valt uit te sluiten dat de termijnoverschrijding geheel (althans voor een heel groot deel) aan de postdienst is te wijten. Dat zou, aldus het subonderdeel, minst genomen afdoen aan de ernst van de gemaakte fout en is aldus van belang bij de beoordeling of het gezien een afweging van de aard van de fout die tot het niet (tijdig) nemen van het betrokken gedingstuk leidde en van alle betrokken belangen en omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot herstel van de fout (waarbij het subonderdeel naar subonderdeel 2.1 verwijst).
“1.10 Het verval van het recht een memorie van grieven te nemen zal in beginsel ertoe leiden dat de appellerende partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het is evident dat die appellerende partij daardoor doorgaans ernstig in haar belangen zal worden geraakt. Ook voor deze appellante geldt dat, zeker nu geïntimeerde van plan is incidenteel te appelleren. Verder is juist dat geïntimeerde door de te late binnenkomst van het stuk bij het hof materieel niet in haar belangen is geschaad. Niettemin is de rolraadsheer van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het bij afweging van de aard van de fout die tot het niet nemen van het betrokken gedingstuk leidde alsmede van alle betrokken belangen en omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot herstel van de fout. De door appellante in deze zaak naar voren gebrachte omstandigheden zijn daar naar het oordeel van het de rolraadsheer niet uitzonderlijk genoeg voor.”
In artikel 1.8 van het toepasselijke Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, versie april 2021 (hierna: LPR) wordt het voorschrift van art. 133 lid 4 Rv Pro herhaald, en is tevens bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd.
Een dergelijke beslissing is een bindende eindbeslissing in een tussenuitspraak.
- de beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag;
- het afwegen van de aard van de fout die tot het niet-nemen van grieven leidde en alle betrokken belangen en omstandigheden maken het onaanvaardbaar om vast te houden aan de oorspronkelijke beslissing (het verlenen van akte niet-dienen).
Dit betreffen als gezegd twee voorbeelden. De goede procesorde kan dus meebrengen dat ook in andere gevallen van de eerdere beslissing moet worden teruggekomen.
Vervolgens noemt de rolraadsheer in rov. 1.10 van de rolbeslissing van 4 januari 2022 het belang aan de zijde van Marba: niet-ontvankelijkverklaring raakt Marba ernstig, zeker nu Salling van plan is incidenteel te appelleren, en wordt overwogen dat Salling niet materieel in haar belangen is geschaad door de te late binnenkomst van de memorie bij het hof.
Het alsnog toestaan om de memorie van grieven te nemen, zou ook niet hebben geleid tot een onredelijke vertraging van de procedure, nu de desbetreffende memorie van grieven al op papier was gezet en was toegezonden aan de wederpartij en het hof. Evenmin kan worden gezegd dat op oneigenlijke wijze is gepoogd om uitstel te verkrijgen. [14]