ECLI:NL:PHR:2022:659
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Conclusie A-G over geldigheid betekening dagvaarding in hoger beroep en toepassing EU-richtlijnen
In deze conclusie behandelt de A-G een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de dagvaarding in hoger beroep als geldig betekend werd beschouwd. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor diverse strafbare feiten en stelde in hoger beroep dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend, omdat niet objectief kon worden vastgesteld dat hij de informatie over tijdstip en plaats van het strafproces daadwerkelijk had ontvangen, in strijd met art. 6 lid 1 Richtlijn Pro 2012/13/EU.
De A-G analyseert uitgebreid de inhoud en reikwijdte van Richtlijn 2012/13/EU, het Kaderbesluit 2002/584/JBZ en Richtlijn 2016/343, inclusief relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. De conclusie is dat de dagvaarding in hoger beroep niet geldt als een mededeling van de beschuldiging en daarom niet aan de eisen van art. 6 lid 1 Richtlijn Pro 2012/13/EU hoeft te voldoen. Ook het Kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet van toepassing op de strafrechtelijke berechting en dus niet relevant voor de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
Verder wordt vastgesteld dat art. 8 en Pro 9 van Richtlijn 2016/343 niet vereisen dat objectief kan worden vastgesteld dat de verdachte de informatie over tijdstip en plaats van het proces daadwerkelijk heeft ontvangen. Indien de verdachte bij verstek wordt veroordeeld zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, heeft hij recht op een nieuw proces. De conclusie verwerpt het middel en acht het niet nodig prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
De conclusie onderstreept dat de Nederlandse regeling omtrent betekening van de dagvaarding in hoger beroep niet in strijd is met het Unierecht en dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, zodat het cassatieberoep faalt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend en niet onder art. 6 lid 1 Richtlijn 2012/13/EU valt.