ECLI:NL:PHR:2022:777
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betekeningsregels bij dagvaarding hoger beroep met buitenlands BRP-adres en Nederlands volmachtadres
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in hoger beroep wegens te late indiening. De kern van het geschil betreft de juiste betekening van de dagvaarding in hoger beroep, waarbij sprake is van een buitenlands BRP-adres en een Nederlands adres vermeld in een bijzondere volmacht.
De verdachte was ingeschreven met een Pools adres als BRP-adres, maar had in de bijzondere volmacht een Nederlands adres vermeld. Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend aan het buitenlandse adres en verleende verstek tegen de verdachte die niet verscheen. De procureur-generaal betoogde dat het Nederlandse adres in de bijzondere volmacht als feitelijke woon- of verblijfplaats moest worden aangemerkt, waardoor de betekening aan dat adres had moeten plaatsvinden.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat het Nederlandse adres geen feitelijke woon- of verblijfplaats is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daarnaast is de dagvaarding te laat verzonden aan het Nederlandse adres, waardoor het hof het onderzoek had moeten schorsen. De niet-naleving van de betekeningstermijn leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug aan het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij de ontvankelijkheid opnieuw zal worden beoordeeld. De zaak benadrukt het belang van correcte betekening en naleving van termijnen bij buitenlandse adressen en bijzondere volmachten in strafprocedures.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling wegens onjuiste betekening en termijnoverschrijding.