Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het hof de zaak ten onrechte bij verstek heeft afgedaan, ondanks het aanwezigheidsrecht van de verdachte. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte een oproeping had ontvangen voor de behandeling van de zaak in hoger beroep op 10 april 2020, dat de verdachte bij brief van 1 april 2020 is bericht dat de behandeling uitgesteld zou worden, en dat de verdachte de nieuwe oproeping vervolgens niet heeft ontvangen. Het moet er volgens de steller van het middel voor worden gehouden ‘dat iemand anders – buiten de woning van verdachte – het stuk in ontvangst heeft genomen’ of dat het stuk ‘bij het verkeerde adres’ is uitgereikt, bijvoorbeeld ‘omdat die persoon nieuwsgierig was naar de brief, of omdat de vergissing pas later werd opgemerkt’. Omdat, aldus de steller van het middel, de corona-epidemie voor diverse problemen inzake schriftelijke communicatie heeft gezorgd, had het op het pad van het hof gelegen om contact te zoeken met de verdachte teneinde te achterhalen waarom hij niet op de nieuwe zittingsdag verschenen was, en de zaak aan te houden.
eerste lidin de akte worden vermeld, ongewijzigd.
derde lidwordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering). Overwogen is ook degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen. Hiervan is afgezien omdat voor de akte de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is. Onwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Ten opzichte van de tekst van het huidige derde lid zijn verder de toevoegingen «ter plaatse» en «terstond» geschrapt. Reden hiervoor is dat door het gebruik van een handcomputer het formeel opmaken en ondertekenen van de akte van uitreiking van de ter plaatse en op het moment van de uitreiking ingevulde gegevens op een later moment en op een andere plaats kan plaatshebben.’
Strafbefehl‘als een soort mededeling van de beschuldiging aan de betrokkene’. [14] Daarom moet zij aan de eisen van art. 6 van Pro Richtlijn 2012/13 voldoen. Het HvJ EU is van oordeel dat Richtlijn 2012/13 zich niet verzet tegen een wettelijke regeling die een beklaagde die niet in de betreffende lidstaat verblijft, verplicht een gemachtigde aan te wijzen voor de betekening van een tot hem gericht
Strafbefehl. Wel dient de beklaagde dan gebruik te kunnen maken van de volledige termijn om verzet in te stellen. [15] Mogelijk kan ook de betekening van een verstekmededeling in het licht van deze rechtspraak als een ‘mededeling van de beschuldiging aan de betrokkene’ worden aangemerkt die aan de eisen van art. 6 van Pro Richtlijn 2012/13 moet voldoen. Dat de richtlijn eisen zou stellen aan de betekening van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep kan uit deze rechtspraak naar het mij voorkomt niet worden afgeleid. [16]
NJ2002/317 m.nt. Schalken overwoog (met weglating van een verwijzing): [23]
General principles concerning trial in absentia’. [24] Daarin wordt (kort gezegd) overwogen dat het recht op een ‘
fresh determination’ bestaat tenzij sprake is van een ‘
waiver’ of de verdachte ‘
intended to escape trial’ (par. 82). Van een ‘
waiver’ is sprake als de betrokkene ‘
expressly or tacitly’ afstand doet van ‘
the entitlement to the guarantees of a fair trial’; deze afstand van recht ‘
must be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate to its importance’(par. 86). Dat het EHRM de situatie waarin de verdachte ‘
intended to escape trial’ naast de ‘
waiver’ noemt, lijkt erop te duiden dat van twee categorieën sprake is. Onder het subkopje
‘(b) Waiver of the right to appear at the trial’overweegt het EHRM evenwel dat het ‘
is open to the national authorities to assess whether the accused showed good cause for his absence or whether there was anything in the case file to warrant finding that he had been absent for reasons beyond his control’ (par. 88). Dat duidt erop dat van een tweede type ‘
waiver’ kan worden gesproken. Ook andere rechtspraak van het EHRM wijst in die tweede richting. [25]
waiver’ is geen sprake. Tegelijk biedt de enkele omstandigheid dat is betekend aan een huisgenoot ook geen grond om aan te nemen dat de verdachte
‘intended to escape justice’. Daarmee is echter niet gezegd dat in deze gevallen van een schending van het aanwezigheidsrecht sprake is.
waiver’ sprake is soms geen schending van het aanwezigheidsrecht oplevert. [27] In De Groot v. Nederland was de verdachte in eerste aanleg in zijn aanwezigheid berecht. [28] Een kennisgeving dat het openbaar ministerie in hoger beroep was gegaan was in persoon aan hem betekend. Geprobeerd was om de appeldagvaarding uit te reiken op het adres dat de verdachte zelf aan de rechter-commissaris had opgegeven, maar dat was niet gelukt. De dagvaarding was ook niet opgehaald op het postkantoor. Het EHRM was ‘
of the opinion that the applicant was aware of the fact that appeal proceedings had been instituted and thus could reasonably expect to receive the summons to appear before the Court of Appeal at some point in time. In the particular circumstances of the present case, the Court is satisfied that the Netherlands authorities, as regards the attempts to inform the applicant of the appeal summons, exercised sufficient diligence to ensure the effective enjoyment of the applicant’s rights guaranteed under Article 6 of the Convention’.In verband met de eerlijkheid van de procesvoering wijst het EHRM erop dat ‘
the applicant’s lawyer was allowed to conduct the applicant’s defence before the Court of Appeal in the applicant’s absence.’ En dat er geen aanwijzingen waren dat de raadsman aanhouding had verzocht. [29]