Conclusie
NJ2000/367 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, in beginsel niet toekomt aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, UW aan de Minister van Justitie uit te brengen advies. Het vorenstaande lijdt, aldus de Hoge Raad, echter uitzondering indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Wat betrof de zaak die in dat arrest voorlag, kon volgens de Hoge Raad zulks uit het door de raadsman aangevoerde echter niet blijken.
NJ2017/276, m.nt. Rozemond. Daarin overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende:
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.