ECLI:NL:PHR:2022:737

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2022
Publicatiedatum
5 augustus 2022
Zaaknummer
22/01469
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 12 UitleveringswetArt. 15 Uitleveringsverdrag Nederland - VSArt. 1 EVRMArt. 13 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitlevering aan VS ondanks vrees voor doorlevering aan Nigeria

De rechtbank Noord-Holland verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar wegens verdenking van verspreiding van kinderporno. De opgeëiste persoon vreesde dat hij na uitlevering aan de VS zou worden doorgeleverd aan Nigeria vanwege zijn politieke en milieuactivistische verleden, wat zijn leven zou bedreigen.

De verdediging stelde dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces, en dat de rechtbank dit verweer onvoldoende had behandeld. De rechtbank verwees naar artikel 12 van Pro de Uitleveringswet, dat bescherming biedt tegen doorlevering zonder toestemming van de minister.

De Hoge Raad oordeelde dat het aangevoerde verweer niet als voldoende onderbouwd kon worden beschouwd en dat de rechtbank niet verplicht was hier inhoudelijk op te reageren. Het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de VS werden bevestigd, waarbij de minister en Amerikaanse autoriteiten passende maatregelen kunnen treffen.

Het cassatiemiddel werd verworpen, waarmee de uitlevering aan de VS onverminderd toelaatbaar blijft. De zaak benadrukt de terughoudendheid van de Nederlandse rechter bij beoordeling van mogelijke mensenrechtenschendingen in het kader van uitlevering, tenzij sprake is van een duidelijk en onderbouwd risico.

Uitkomst: Het cassatiemiddel tegen de uitlevering aan de Verenigde Staten wordt verworpen, waardoor de uitlevering toelaatbaar blijft ondanks de vrees voor doorlevering aan Nigeria.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01469 U
Zitting30 augustus 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon.
I. Inleiding
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 11 april 2022 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van het feit omschreven in de beëdigde verklaring van 20 september 2021 ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek”.
Namens de opgeëiste persoon heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het uitleveringsverzoek
3. Op 6 oktober 2021 hebben de autoriteiten van de VS het verzoek gedaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de VS ter fine van strafvervolging, omdat de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt aan een feit dat naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als het verspreiden van een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand is betrokken die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.
III. De bestreden uitspraak
4. De rechtbank heeft de verzochte uitlevering toelaatbaar verklaard en in haar daaraan ten grondslag liggende overwegingen het bezwaar van de verdediging tegen de verzochte uitlevering betrokken. De overwegingen van de rechtbank luiden als volgt:
“Reden dat de opgeëiste persoon zich tegen uitlevering verzet is de volgende. Bij hem bestaat de vrees dat de VS zijn uitlevering verzoekt, niet in verband met de verdenking van genoemd feit, maar zodat zij hem op deze wijze vervolgens kunnen uitleveren aan Nigeria. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon naar voren gebracht dat hij vreest voor zijn leven in Nigeria vanwege het feit dat hij lid was van het parlement en van een oppositiepartij en vanwege werk dat hij heeft verricht als regeringsambtenaar. De raadsman heeft daar nog aan toegevoegd dat uit publiek toegankelijke bronnen op het internet blijkt dat de opgeëiste persoon een verleden heeft als studentenleider, als politiek- en milieuactivist en werkzaamheden heeft verricht voor de voormalige president van Nigeria Goodluck Jonathan.
[…]
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon vreest dat hij, na zijn uitlevering aan de VS, mogelijk door de VS zal worden uitgeleverd aan Nigeria in verband met onder meer zijn politieke activiteiten in Nigeria. In dat verband wijst de rechtbank op artikel 12 van Pro de Uitleveringswet, waarin (onder meer) is bepaald dat:
- de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister (de Minister van Justitie) zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd en
- dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en dat deze toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd.
De rechtbank is van oordeel dat de voormelde wettelijk bepaling voldoende bescherming biedt tegen het gestelde gevaar van de doorlevering aan Nigeria.”
IV. Het middel
5. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging, erop neerkomende “dat de uitlevering van requirant moet worden geweigerd omdat hij hierdoor het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM Pro toekomend recht, althans doordat de verwerping van dit verweer, voor zover die verwerping geacht moet worden in de bestreden uitspraak besloten te liggen, onvoldoende met redenen is omkleed”. In de toelichting op het middel wordt er in dat verband op gewezen dat de opgeëiste persoon vreest, zodra hij aan de VS is uitgeleverd, te zullen worden geconfronteerd “met andersoortige verdenkingen in zijn richting waarvoor zijn uitlevering niet is gevraagd, die met name zien op en voortkomen uit zijn rol als milieuactivist binnen de Niger-Delta in Nigeria” en mitsdien met een desbetreffend uitleveringsverzoek van de zijde van de Nigeriaanse autoriteiten aan de VS. Volgens de opgeëiste persoon zou doorlevering naar Nigeria zijn doodvonnis betekenen.
6. In de toelichting op het middel wordt vooropgesteld dat uitleveringsverdragen die Nederland onder de werking van de Uitleveringswet (hierna: UW) sluit, een met art. 12 UW Pro overeenkomende regeling van het specialiteitsbeginsel dienen te bevatten. Voorts wordt erop geattendeerd dat de toenmalige Minister van Justitie weliswaar heeft “aangegeven niet actief toe te zien op de naleving van het specialiteitsbeginsel door de VS, aangezien er geen aanleiding zou bestaan om aan te nemen dat de VS dit beginsel niet respecteert”, [1] maar dat De Sitter [2] heeft betoogd dat de Minister daarmee voorbijgaat aan het in de praktijk gebleken probleem dat de Amerikaanse rechter ingevolge de Federal sentencing Guidelines, die tot stand zijn gekomen ná inwerkingtreding van het oorspronkelijke uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS in 1983, verplicht is bij de oplegging van straf ook rekening te houden met feiten waarvoor de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard. Dat zou dan neerkomen op miskenning van een dreigende flagrante schending door de VS van aan de opgeëiste persoon toekomende en jegens hem op Nederlands grondgebied te garanderen mensenrechten, met name de in art. 6, tweede lid, EVRM besloten liggende onschuldpresumptie.
V. Het juridisch kader
7. Hoewel het middel naar het mij voorkomt kort kan worden afgedaan, komt het mij dienstig voor het geldende juridisch kader in dit verband uiteen te zetten alvorens het middel te bespreken.
8. Ingevolge art. 12, derde lid, UW wordt de uitlevering van een opgeëiste persoon niet toegestaan dan onder het algemene beding dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan. Deze wettelijke voorwaarde, waarin het specialiteitsbeginsel besloten ligt, komt ook tot uitdrukking in art. 15, eerste lid aanhef, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika: de krachtens dit verdrag uitgeleverde persoon wordt op het grondgebied van de verzoekende Staat in beginsel niet berecht of gestraft ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan. Ingevolge art. 15, eerste lid onderdelen a, b en c, van dit Verdrag kan van deze hoofdregel worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft ingestemd met berechting of bestraffing ter zake van dat andere feit, of met uitlevering aan een derde Staat.
9. In zijn arrest van 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791,
NJ2000/367 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, in beginsel niet toekomt aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, UW aan de Minister van Justitie uit te brengen advies. Het vorenstaande lijdt, aldus de Hoge Raad, echter uitzondering indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Wat betrof de zaak die in dat arrest voorlag, kon volgens de Hoge Raad zulks uit het door de raadsman aangevoerde echter niet blijken.
10. Voorts zij gewezen op het arrest van HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463,
NJ2017/276, m.nt. Rozemond. Daarin overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende:
“B.
(i)
Indien het gaat om een
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii)
Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat L. in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van L. op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van L. op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii)
Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a)
dat L. door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b)
dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van L. te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom L. na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een 'flagrant denial of justice'.”
VI. De verklaring van de opgeëiste persoon en het betoog van de raadsman
11. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2022 heeft de opgeëiste persoon aldaar als volgt verklaard:
“Ik heb van 2018 tot 2021 heel wat gereisd, onder meer naar het Verenigd Koninkrijk, Canada en Dubai, dat zijn ook allemaal landen met een uitleveringsverdrag. Ik heb echter eerst op Schiphol van de beschuldigingen vernomen. Ik weet dat de criminele aspecten van de zaak in de VS zullen worden behandeld en dat u dat nu niet zult doen. Ik wil echter wel zeggen dat ik onschuldig ben. Ik denk dat de VS niet voor de strafzaak achter mij aanzitten, maar dat men mij wil lokken om een andere reden. Toen ik vanaf 2015 in de VS woonde, ben ik nooit met politie of justitie in aanraking geweest. Ik studeerde internationaal recht. Ik was in Nigeria onderdeel van het parlementaire politieke leven. Ik was lid van de oppositie en ik denk dat ze me eigenlijk meer daarvoor zoeken. Ik heb ook gewerkt voor de toenmalige regering in Nigeria. In de VS riskeer ik niet de doodstraf, maar ik ben wel bang dat zij mij zullen uitleveren aan Nigeria en dan heb ik een probleem; dan loopt mijn leven wel gevaar. Als ik word uitgeleverd aan de VS, stuurt u mij dus indirect de dood in. Ik zal alle juridische stappen ondernemen en alle regels benutten om niet aan de VS te worden uitgeleverd. Ik heb ook nog de Vanatuaanse nationaliteit. Vanatu heeft als land geen macht. Nigeria werkt samen met de VS. Ik heb alleen mijn Vanatuaanse paspoort ingeleverd. Ik heb nog een Nigeriaans paspoort, maar dat is niet hier in Nederland. Ik gebruik het niet, want ik weet dat de Nigeriaanse regering naar mij op zoek is. […] Ik verzet mij tegen de uitlevering.”
12. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op die zitting het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“ [opgeëiste persoon] is een PEP (politically exposed person).
[…]
Uit dien hoofde heeft [opgeëiste persoon] , die in de VS een ontkennende verdachte zal blijken te zijn, niet zo zeer vrees voor de huidige strafzaak in Amerika waarvoor thans diens uitlevering wordt verzocht. Die strafzaak zal hem weliswaar in diskrediet brengen voor wat betreft de aard van de verdenkingen, maar veeleer is hij bang dat er - zodra hij in Amerika beland – er ander soortige verdenkingen in zijn richting zullen worden geuit, die met name zien op en voortkomen uit zijn rol als hard-core milieu-activist binnen de Niger-Delta in Nigeria c.q. oude rekeningen worden vereffend.
[opgeëiste persoon] kan dat haarfijn uitleggen, maar waar het dan met name om gaat voor wat betreft onderhavige uitleveringsprocedure en voor wat het waard is: [opgeëiste persoon] wenst graag expliciet opgenomen te zien in een door uw rechtbank te geven oordeel over de toelaatbaarheid van de thans verzochte uitlevering, hetgeen staat vermeld in artikel 12 van Pro de Uitleveringswet: met name de specialiteit en géén uitbreiding/doorlevering zonder aanvullende toestemming ex art. 12 UW Pro.
[opgeëiste persoon] is namelijk bang en dat is in zijn geval niet onbegrijpelijk, dat hij ofwel in de VS voor andersoortige feiten zal worden aangeklaagd, dan wel geconfronteerd zal gaan worden met een uitleveringsverzoek van de zijde van de Nigeriaanse autoriteiten wanneer hij in Amerika is aanbeland. Doorlevering naar Nigeria vanuit Amerika zou - aldus [opgeëiste persoon] - zijn doodvonnis betekenen.
[opgeëiste persoon] is bekend met het juridische fenomeen van het vertrouwensbeginsel. Ook bij uitlevering evenwel aan de Verenigde Staten kan het vertrouwensbeginsel ter discussie worden gesteld (punt 11 van de noot van Klip onder NJ 2013/263). Hier gaat het wat [opgeëiste persoon] betreft derhalve mis met het onderhavige verzoek om uitlevering. Dit verzoek om uitlevering lijkt – zonder te willen bagatelliseren - vrij beperkt van omvang en heeft qua impact wellicht minder om het lijf. Evenwel vreest [opgeëiste persoon] dat het slechts de opmaat is naar meer en erger, niet voor wat betreft het huidige verwijt t.a.v. verspreiding kinderporno, maar volstrekt andersoortige feiten.”
VII. Bespreking van het middel
13. Volgens de steller van het middel ligt in de verklaring van de opgeëiste persoon c.q. het verweer van zijn raadsman ter zitting besloten dat de opgeëiste persoon “door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk door de VS op het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro)” en heeft de rechtbank “op dat beroep – ten onrechte, gelet op hetgeen in […] deze schriftuur voorop is gesteld - niet gerespondeerd”, zodat de bestreden uitspraak niet (voldoende) met redenen is omkleed en niet in stand kan blijven.
14. Anders dan de steller van het middel herken ik niets van wat hij in de schriftuur aanvoert in hetgeen ter zitting door de opgeëiste persoon en zijn raadsman is opgemerkt. In ieder geval is van een onderbouwd verweer – zoals door de Hoge Raad in zijn hierboven aangehaalde rechtspraak bedoeld – geen sprake. Naar het mij voorkomt was de rechtbank dan ook niet geroepen tot het geven van een inhoudelijk oordeel in haar uitspraak over – kort gezegd – blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op een eerlijk proces door uitlevering aan de VS.
15. Ten overvloede nog het volgende. Ter zitting heeft de raadsman namens de opgeëiste persoon de rechtbank gevraagd om in zijn oordeel over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering iets te zeggen over “de specialiteit en géén uitbreiding/doorlevering zonder aanvullende toestemming ex art. 12 UW Pro”. Dat heeft de rechtbank in haar uitspraak gedaan, op de hierboven in randnummer 4 weergegeven wijze. Daarnaast heeft de voorzitter van de meervoudige strafkamer in een separaat schrijven van 11 april 2022 de Minister van advies gediend. In dit advies is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Ik maak Uwe Excellentie er op opmerkzaam dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft aangegeven bevreesd te zijn dat de Amerikaanse autoriteiten zijn uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika zullen aangrijpen om hem ‘door’ (uit) te leveren aan Nigeria, in welk land hij voor zijn leven vreest vanwege onder meer het feit dat hij lid was van het parlement en van een oppositiepartij aldaar, zijn verleden als studentenleider en als politiek- en milieuactivist en zijn werkzaamheden voor de voormalig president van Nigeria, Goodluck Jonathan.
Wellicht vindt Uwe Excellentie daarin aanleiding de Amerikaanse autoriteiten te attenderen op de dienaangaande bij de opgeëiste persoon levende vrees teneinde die autoriteiten in de gelegenheid te stellen - zo zij daartoe aanleiding vinden - passende maatregelen te treffen.”
VIII. Slotsom
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar
2.Waarbij wordt verwezen naar het commentaar van C.L.A. de Sitter op bijlage B1 Verdrag bevattende het instrument ex art. 3, lid 2, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst, in T&C Internationaal Strafrecht, aant. 6b (actueel t/m 1 januari 2022).