Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
(noot griffier: betreft een bijlage van de op 18 november 2020 per e-mail aan het hof gezonden stukken) bleek verdachte niets te hebben ontvangen, terwijl hij in Nederland staat ingeschreven en zijn woon- en e-mailadres hier bekend zijn. Omdat het vonnis weer is ingenomen, kan niet worden gezegd dat het vonnis in persoon aan hem is uitgereikt. Verdachte had ook geen advocaat in Nederland die hij op dat moment kon inschakelen. Hij had het vonnis immers niet in zijn bezit en wist ook niet wat de inhoud ervan was. Op 13 februari 2019 ontving verdachte een oproep om zich te melden bij de Penitentiaire Inrichting te Rotterdam voor het uitzitten van een gevangenisstraf van 60 dagen. Ook deze brief is niet vergezeld gegaan van een vertaling in de Turkse taal. Omdat verdachte de Nederlandse taal niet spreekt en de brief om die reden niet begreep, heeft het enige tijd geduurd voordat verdachte zich tot mij als advocaat wendde. Dat was op zaterdag 2 maart 2019. Toen werd de inhoud van de brief pas duidelijk. Op dezelfde dag is hoger beroep ingesteld (datum akte: 4 maart 2019). Het gesprek met mij als zijn advocaat op 2 maart 2019 heeft daarom te gelden als de genoemde omstandigheid als bedoeld in artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld.
3.Het juridisch kader
Stb.2013, 85 tot implementatie van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (
PbEUL
280).
NJ2020/329 dat hierover na HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534,
NJ2020/326 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770,
NJ2020/328 geen twijfel meer kan bestaan, doordat de Hoge Raad – in het bijzonder in het laatste arrest – de nadruk legt op de ratio van het recht op vertaling van vonnismededelingen. Het volgens mij op dit moment meest recente arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:761 bevestigt dit en de overwegingen 2.4. tot en met 2.6. uit dit arrest geven een goed beeld van de route die de Hoge Raad nu in gevallen als deze volgt:
4.Bespreking van het middel
de verdedigingbetoogd dat de verdachte een nacht is vastgehouden op Schiphol omdat de volgende dag DNA bij hem zou worden afgenomen. Het ‘s-nachts (d.w.z. in de vroege ochtend van 27 oktober 2018 omstreeks 2:50 uur) aan de verdachte uitgereikte document – in de woorden van de raadsman: “waarschijnlijk het vonnis, in de Nederlandse taal, zonder vertaling in het Turks”
–zou de volgende ochtend weer van hem zijn afgenomen met de mededeling dat het stuk aan hem zou worden toegestuurd (hetgeen volgens de verdachte nooit is gebeurd). Doordat de mededeling uitspraak weer was ingenomen, kon de verdachte volgens de verdediging ook geen advocaat inschakelen. “Hij had het vonnis immers niet in zijn bezit en wist ook niet wat de inhoud ervan was.”
verdachteheeft op de zitting van 19 november 2020 verklaard dat hij een half uur voor vertrek vanaf Schiphol werd benaderd om in verband met een misdrijf DNA af te staan. Daarvoor moest hij wachten tot de ochtend. De hem in de nacht overhandigde brief zou de volgende dag weer zijn ingenomen.
telefonischcontact gehad met een tolk
(cursivering door mij, AG). De tolk vertelde dat er de volgende ochtend DNA zou worden afgenomen. Hij vertelde ook dat ik de brief thuisgestuurd zou krijgen. Hoe de tolk dit wist, weet ik niet meer. (…) Mogelijk heeft de politie hem dat verteld.
lieten komen (cursivering door mij, AG). Ik heb met de tolk besproken wat in de brief stond. En we hebben gesproken over de mogelijkheid om in beroep te gaan.”
die hem zei wat er in het vonnis stond(…)
(cursivering door mij, AG)”. Daarmee is naar het oordeel van het hof op dat moment sprake geweest van een omstandigheid zoals genoemd in art. 408 lid 2 Sv Pro en is de termijn voor het instellen van hoger beroep vanaf die datum, 27 oktober 2018, gaan lopen. Op het eerste gezicht is dat een plausibel oordeel. De verdachte heeft op de zitting van het hof immers verklaard dat een tolk aan hem heeft verteld wat in de aan hem uitgereikte brief stond. De steller van het middel acht het oordeel echter niet plausibel. Hoewel de daarvoor gegeven argumentatie – zoals hiervoor onder randnr. 4.1. vermeld – niet direct overtuigt, meen ik dat er verschillende (andere) valide redenen zijn op grond waarvan het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is en er voldoende reden is om het middel wel te laten slagen. Ik licht dat nader toe.
eentolk heeft gesproken die hem heeft verteld wat er in het vonnis stond’. Voor elk soort vertaling, een mondelinge vertaling in het bijzonder, geldt dat de kwaliteit daarvan essentieel is. Deze dient van voldoende niveau te zijn om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen (zie art. 3 lid 7 en Pro lid 9 richtlijn 2010/64/EU). De kwaliteit van de vertaling wordt bepaald door de kwaliteit van de tolk. Dat correspondeert met de op 1 januari 2009 in werking getreden Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). [12] Deze wet berust op twee pijlers: een kwaliteits(tolken)register en een voor opsporings- en rechterlijke autoriteiten geldende plicht om te werken met tolken die in het register zijn ingeschreven. [13]