Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
dezegriffie is volgens het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen in een uitspraak uit de jaren ’90 de volgende:
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Onverplichte rechtshandeling
the opposition want to make a clean sweep, bankrupt Sabra and take over alle the assets and rule Rainbow completely. But they discover Sabra does not own anything at Rainbow. This spoils their plan”.
subonderdelen 1.3 en 1.4richten rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.18 en betogen in de kern genomen dat het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd, omdat de door het hof meegewogen omstandigheden niet het oordeel kunnen dragen dat partijen de bedoeling hadden de rechtshandelingen zodanig met elkaar te laten samenhangen, dat de (nadelige) gevolgen ervan in onderling verband moeten worden beoordeeld of dat zij alleen in onderling verband beschouwd schuldeisersbenadeling constitueren.
subonderdeel 1.5met een rechts- en motiveringsklacht op tegen rov. 3.10 en rov. 3.16-3.18 en betoogt dat het hof eraan voorbijziet dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de mogelijkheid om een samenstel van rechtshandelingen in het kader van de faillissementspauliana in onderlinge samenhang te beoordelen, beperkt is tot de vraag of sprake is van benadeling van schuldeisers, en dat per rechtshandeling moet worden getoetst of aan de overige vereisten van de faillissementspauliana is voldaan. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar de al genoemde arresten […] /Van Hees q.q. en Pannevis q.q. c.s./Air Holland. Zou het hof hieraan niet voorbij hebben gezien, dan is het oordeel van het hof dat het de betreffende rechtshandelingen ook in onderlinge samenhang mocht beoordelen ten aanzien van de vraag of sprake is van een onverplichte rechtshandeling en wetenschap van benadeling, onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 2.1bouwt voort op onderdeel 1 –dat als gezegd ongegrond is – en moet het lot daarvan dus delen.
Subonderdeel 2.2bevat twee rechtsklachten en betoogt ten eerste dat het hof heeft miskend dat, voor zover de koopprijs (vrijwel) gelijk is aan de waarde van de onroerende zaak, van benadeling van schuldeisers niet zonder meer sprake is als ter naleving van een koopovereenkomst (on)roerende zaken uit het vermogen van de schuldenaar raken en de overeengekomen koopprijs (vooralsnog) onbetaald blijft, omdat de vordering tot betaling van die koopprijs deel uitmaakt van het vermogen van Sabra. Daaraan doet niet zonder meer af dat zonder die koopovereenkomsten de opbrengst van de (on)roerende zaken beschikbaar zou zijn geweest voor de gezamenlijke schuldeisers. Van benadeling is dan pas sprake in geval van bijzondere omstandigheden, zoals dat de koper geen of onvoldoende verhaal biedt voor de door hem verschuldigde koopsom of door de omstandigheid dat het verhaal op de schuldenaar door de transactie wordt bemoeilijkt. Ten tweede betoogt het subonderdeel dat het hof, voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het verhaal reeds bemoeilijkt wordt omdat de schuldeisers zich moeten verhalen door de incasso van de vorderingen op de kopers in plaats van op de verkochte goederen, het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat die omstandigheid het verhaal nog niet bemoeilijkt, nu de vordering en de verkochte goederen als uitgangspunt een gelijkwaardige verhaalsmogelijkheid bieden.
Subonderdeel 3.2richt zich tegen rov. 3.17 en klaagt dat het hof het hiervoor al genoemde criterium heeft miskend dat ten tijde van de betrokken handeling het faillissement van de schuldenaar en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.
Subonderdeel 3.3borduurt daarop voort met een motiveringsklacht. Het betoogt dat het hof althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom niet onderzocht hoeft te worden of voldaan is aan dit criterium.
Subonderdeel 3.4berust op de veronderstelling dat het oordeel van het hof berust op hetgeen het overweegt in rov. 3.16 en bestrijdt vanuit deze invalshoek het oordeel van het hof in rov. 3.16.