Conclusie
[eiser 1]respectievelijk
[eiser 2], gezamenlijk
[eisers])
(hierna:
INH)
1.Feiten
hof) van 29 juni 2021. [1]
Inno Nautic). Inno Nautic was een onderneming die zich onder meer bezighield met de productie en handel van een innovatieve en flexibele “pop-up” vloeistoffentank voor de (plezier-)scheepvaart (hierna:
de tank). De tank is uitgevonden door [de uitvinder] (hierna:
[de uitvinder]), die bestuurder was van Inno Nautic en tevens bestuurder is van INH. [de uitvinder] heeft op 11 september 1999 een Nederlands registratieoctrooi aangevraagd voor de tank, in de aanvrage aangeduid als “Pop-up (shape-set) tank voor vloeistof”, waarop op 13 maart 2001 het NL-octrooi 1013030 (hierna:
octrooi NL 030) is verleend. De aanvrage is in eigen beheer opgesteld zonder tussenkomst van een octrooigemachtigde.
Vetus) heeft, nadat op haar verzoek op 30 mei 2008 een nietigheidsadvies ex art. 84 Rijksoctrooiwet Pro 1995 was verkregen met betrekking tot dit octrooi, een vordering tot vernietiging daarvan ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Inno Nautic heeft in deze procedure geen verweer gevoerd. Het octrooi is wegens het niet betalen van de jaarlijks verschuldigde instandhoudingstaks vervallen per 1 april 2009.
Cuckoo), een onderneming die zich bezighield met de ontwikkeling van en advisering over innovatieve producten. Vanaf 15 december 2015 was [eiser 2] enig bestuurder van Cuckoo.
aanvrage NL 185) laten indienen, waarin octrooi NL 030 als stand van de techniek werd genoemd. Op 2 december 2008 is hierop het octrooi NL 1033185 (hierna:
octrooi NL 185) verleend.
In een bericht van 15 maart 2007 schreef [eiser 2] namens Cuckoo onder meer:
LoI), getekend. De onderhandelingen leidden op 16 mei 2007 tot een concept-licentieovereenkomst, met een beoogde licentieduur voor 10 jaar op basis waarvan partijen de tank zouden gaan vermarkten.
PCT-aanvrage) gedaan. De PCT-aanvrage is op 8 juli 2009 door Vetus doorgezet als US-octrooiaanvrage 12/522,442 en op 10 augustus 2009 als Europese octrooiaanvrage 08.705 043.1.
FlexiFlow), heeft tanks aan Vetus geleverd.
SaveWave,
TubeTrainer,
ErgoTray,
Cervinia) en FlexiFlow. Voorts is ten laste van Cuckoo conservatoir derdenbeslag gelegd onder BioClin B.V., Vetus, Altrex B.V. (hierna:
Altrex) en ABN AMRO Bank N.V. Op 12 februari 2013 liet de advocaat van Cuckoo aan de deurwaarder weten dat Cuckoo al geruime tijd geen aandeelhouder meer was van SaveWave.
Perla Int.), met als middellijk aandeelhouder en bestuurder [eiser 2] . Deze vennootschap heeft in april 2013 alle aandelen van zowel Cuckoo als FlexiFlow verkregen. De aandelen in FlexiFlow zijn overgedragen bij akte van 26 april 2013 tegen een koopsom van € 4.602,-.
AluCast) opgericht.
schadestaatvonnis) veroordeeld tot betaling (na verrekening van een vordering van € 37.500,- van Cuckoo op Inno Nautic) van € 112.701,- aan INH aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. In oktober 2015 heeft Cuckoo op grond van het schadestaatvonnis een bedrag betaald van € 122.877,39 “uit een door INH gelegd derdenbeslag”.
schadestaatarrest) heeft het gerechtshof Den Haag het schadestaatvonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Cuckoo veroordeeld tot betaling van € 1.131.341,- (na verrekening van de vordering van Cuckoo op Inno Nautic van € 37.299,-), vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
eindvonnis) het gevorderde afgewezen en INH, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten veroordeeld.
arrest) heeft het hof het eindvonnis vernietigd en, opnieuw recht doende:
a. de activa van Cuckoo zijn overgedragen in de periode van januari 2014 tot eind 2016 aan Perla Int. en Alucast en de activiteiten van Cuckoo (rond) eind 2015 zijn gestaakt en vervolgens in juni 2018 Cuckoo is ontbonden zonder vereffening, dus, kort gezegd, Cuckoo bewust is leeggehaald (selectieve wanprestatie); en
b. de voor de activa overeengekomen koopprijs volledig is besteed aan andere betalingen zonder rekening te houden met en/of een voorziening te treffen voor de vordering van INH (selectieve betaling).
31. INH heeft zich beroepen op de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2014 (productie 19 INH), waarbij, na overlegging van een schaderapport, de schade opnieuw werd begroot op € 4.319.963,-- en daarvoor beslagverlof werd verleend. Zij heeft echter de door [eisers] gestelde omstandigheden in de periode daarvoor op zichzelf niet betwist en ook niet voldoende overtuigend onderbouwd dat en waarom [eisers] tot 28 augustus 2014 niettemin ernstig rekening had moeten houden met een veel hogere vordering. Zij stelt wel dat zij in de schadestaatprocedure een veel hoger bedrag vorderde, maar dat was naar het oordeel van het hof in zijn arrest van 18 maart 2014 op dat moment voor het meerdere boven € 80.000,-- onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft Cuckoo haar activiteiten pas ongeveer 16 maanden na 28 augustus 2014 beëindigd. Op grond van voormelde omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [eisers] er vóór 28 augustus 2014 ernstig rekening mee moest dat de vordering van INH meer bedroeg dan het door Cuckoo betaalde bedrag van € 112.701,--, met rente en dat hij wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat Cuckoo d(i)e vordering van INH niet zou betalen en daarvoor geen verhaal zou bieden. [eisers] treft als bestuurder dan ook geen persoonlijk ernstig verwijt van de aan hem verweten handelingen vóór 28 augustus 2014 (de overdracht van een aantal activa aan Alucast en de besteding van de opbrengst daarvan). Daarvan kan hem ook niet anderszins onrechtmatig handelen worden verweten. In zoverre slaagt dit verweer en falen de grieven.
33. [eisers] betwist voorts dat het niet nakomen van haar betalingsverplichting door Cuckoo en de omstandigheid dat Cuckoo geen verhaal bood, gelet op de financiële situatie van Cuckoo, een gevolg is van de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap en dus dat sprake is van benadeling door de in die periode verweten handelingen van Cuckoo (het staken van de activiteiten, de verkoop van activa en de besteding van de opbrengst).
(…)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1.1
Behandeling
Subonderdelen 1.2.1-1.2.3
ernstigrekening moest houden) met een aanzienlijk hogere vordering van INH op Cuckoo.
Behandeling
subonderdeel 1.2.2. Voor zover dit ervan uitgaat dat het hof in rov. 32 van het arrest oordeelt dat “het enkele instellen van hoger beroep en de omstandigheid dat de conservatoire beslagen zijn blijven liggen nadat het vonnis was gewezen”, afdoen aan de rechtskracht van het schadestaatvonnis, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat oordeelt het hof daar immers niet. Zie ook onder 3.10.1 hiervoor. Hetzelfde geldt voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zich daar louter baseert op “het enkele instellen van hoger beroep en de omstandigheid dat de conservatoire beslagen zijn blijven liggen nadat het vonnis was gewezen”. Dat oordeelt het hof daar immers evenmin. Zie ook onder 3.10.1 hiervoor. Ook als wordt aangenomen dat het subonderdeel uitgaat van een juiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het spaak. In zoverre geldt immers dat hetgeen het hof betrekt in rov. 32 - waaronder de omstandigheden dat INH hoger beroep heeft ingesteld van het schadestaatvonnis en dat de conservatoire beslagen voor een vordering van ruim € 4,3 miljoen ook daarna zijn blijven liggen - zijn oordeel daar kan dragen. Zie ook onder 3.10.1 hiervoor. Daarbij zij aangetekend dat het uitgangspunt hier niet zozeer is “dat een vennootschap zelf een reële inschatting moet maken van de uiteindelijke hoogte van de eventuele vordering en dat zij hierbij rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval”, als wel het door het hof in rov. 29 vooropgestelde en in cassatie onbestreden juridische kader. Meer in het bijzonder of “de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden” met de daar bedoelde “mogelijkheid”, gegeven de omstandigheden van het concrete geval. Kortom, ook dit subonderdeel strandt.
Behandeling
eerste deel van het subonderdeel.
Het subonderdeel voert daarna aan dat “[d]it een en ander” tot gevolg heeft dat ook het op die onjuiste veronderstelling van zaken voortbouwende oordeel van het hof in rov. 43 niet in stand kan blijven. Dit is het
tweede deel van het subonderdeel.
Het subonderdeel voert daarna aan dat waar het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eisers] bij de besteding van de aan Cuckoo verschuldigd geworden bedragen na 28 augustus 2014 ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH mogelijk veel hoger was dan € 122.877,39, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is waarom [eisers] op 28 augustus 2014 (toen het schadestaatvonnis nog niet gewezen was) ernstig rekening moest houden met een hogere vordering dan op dat moment in eerste aanleg nog moest worden vastgesteld. Althans dat, zoals in de vorengaande subonderdelen al aan de orde is gekomen, de enkele omstandigheid dat INH op 28 augustus 2014 verlof had gekregen om conservatoir beslag ten laste van Cuckoo te leggen ertoe zou hebben moeten leiden dat [eisers] vanaf dat moment ernstig rekening diende te houden met een aanzienlijk hogere vordering. Dit is het
derde deel van het subonderdeel.
Het subonderdeel voert ten slotte aan dat “[d]it een en ander” temeer klemt nu INH in de schadestaatprocedure, die op 5 februari 2013 aanhangig is gemaakt, een bedrag van € 4.399.932,- van Cuckoo vorderde [33] en die omstandigheid voor het hof kennelijk niet kwalificeerde als een omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat [eisers] ernstig rekening moest houden met een aanzienlijk hogere vordering van INH op Cuckoo, zodat eens temeer onbegrijpelijk is dat het enkele verlenen van het beslagverlof ertoe zou leiden dat [eisers] vanaf dat moment opeens wel rekening moest houden met een aanzienlijk hogere vordering. Dit is het
vierde deel van het subonderdeel.
eerste deel van het subonderdeel. In rov. 42 van het arrest valt het hof terug op zijn oordeel in rov. 31. Zoals daar ook benadrukt, ziet dit oordeel van het hof in rov. 31 op de periode “vóór 28 augustus 2014”. Niet valt in te zien dat wat dit eerste deel aanvoert, hetgeen louter ziet op de periode
vanaf28 augustus 2014 (wat in rov. 31 dus hoe dan ook geen rol speelt, wel in rov. 32), dit oordeel van het hof in rov. 31 onbegrijpelijk zou kunnen doen zijn. Dat geldt dan a fortiori ook voor dit oordeel van het hof in rov. 42, waarin het slechts herhaalt (“Het hof heeft hiervoor geoordeeld”, etc.) wat het in rov. 31 heeft geoordeeld. Ik laat dan nog daar dat wat het hof oordeelt in rov. 31 en 42 ten voordele strekt van [eisers] En dat de in de voorgaande subonderdelen vervatte klachten inzake rov. 32 dus alle falen. Zie onder 3.3-3.12.4 hiervoor. Voor zover dit eerste deel nog aanneemt dat het hof veronderstelt dat INH beslagverlof had gevraagd en verkregen nadat het schadestaatvonnis was gewezen, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat veronderstelt het hof evident niet, mede gelet op rov. 1.27-1.28 en 31-32.
tweede deel van het subonderdeel. Dit tweede deel gaat ervan uit (“Dit een en ander heeft tot gevolg”, etc.) dat het eerste deel van het subonderdeel succes boekt. Ten onrechte dus. Zie onder 3.16.1 hiervoor. Kortom, dit tweede deel leidt niet ertoe dat rov. 43 van het arrest niet in stand kan blijven.
derde deel van het subonderdeel. Dit derde deel veronderstelt dat het hof, gezien het eerste en tweede deel van het subonderdeel, in rov. 43 van het arrest “ten onrechte” oordeelt dat [eisers] bij de besteding van de aan Cuckoo verschuldigd geworden bedragen na 28 augustus 2014 ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH mogelijk veel hoger was dan € 122.877,39. Ook dit klopt dus niet. Zie onder 3.16.1-3.16.2 hiervoor. Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan het vervolg in dit derde deel. Ik laat dan nog daar dat, anders dan dit derde deel veronderstelt: het hof in rov. 32 al uiteenzet, en geenszins onjuist of onbegrijpelijk, dat en waarom [eisers] vanaf 28 augustus 2014 ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH op Cuckoo aanzienlijk hoger was dan € 122.877,39; [34] en het hof dat niet baseert op “de enkele omstandigheid dat INH op 28 augustus 2014 verlof had gekregen om conservatoir beslag ten laste van Cuckoo te leggen”.
vierde deel van het subonderdeel. Voor zover dit niet reeds deelt in het lot van de eerste drie delen omdat het daarop voortbouwt (“Dit een en ander klemt temeer”, etc.), loopt het vast op het volgende. Het hof onderkent wat INH vorderde in de schadestaatprocedure, mede gezien rov. 1.21 en 31 van het arrest. Het is geenszins onbegrijpelijk dat het hof niet op basis van die omstandigheid aanneemt “dat [eisers] ernstig rekening moest houden met een aanzienlijk hogere vordering van INH op Cuckoo”. Het hof betrekt deze omstandigheid in rov. 31, nu daarop door INH een beroep is gedaan ten aanzien van de periode voor 28 augustus 2014, maar acht deze omstandigheid daar ontoereikend op basis van een alleszins navolgbare redenering. Het hof betrekt deze omstandigheid niet in rov. 32, nu het daar respondeert op hetgeen INH heeft aangevoerd ten aanzien van de periode vanaf 28 augustus 2014 en het deze andere omstandigheden toereikend acht om aan te nemen dat [eisers] vanaf die datum ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH op Cuckoo aanzienlijk hoger was dan € 122.877,39. [35] Welke omstandigheden meer behelzen dan “het enkele verlenen van het beslagverlof”.
Behandeling
subonderdeel 1.5geen te onderscheiden klacht die afzonderlijke bespreking behoeft. Het subonderdeel legt ook niet uit waarom het daar bedoelde criterium onjuist zou zijn. Ik lees daarin wel een opmaat naar subonderdelen 1.5.1-1.5.2 en de daarin vervatte klachten.
subonderdeel 1.5.1. Uit hetgeen ik uiteenzette onder 3.20.1-3.20.2 hiervoor, specifiek 3.20.2 onder (ii) en (iv), volgt reeds dat het subonderdeel strandt. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, behelst de “Coral/Stalt-jurisprudentie” waarop het hof doelt in rov. (44-)45 van het arrest immers geen “criterium” waarin als benadeelde derde alleen valt aan te merken een derde die ten tijde van de gewraakte handelwijze van (de bestuurders van) de vennootschap kwalificeert als “handelscrediteur” van de vennootschap met een (ook in omvang) gegeven, “opeisbare”/“liquide” vordering op de vennootschap. Anders gezegd, het subonderdeel vertrekt vanuit een onjuiste rechtsopvatting. Het moge duidelijk zijn dat wat het subonderdeel aanvoert, evenmin basis biedt aan de stelling in de laatste zin vanaf “en haar”, etc. Overigens: uit ’s hofs overwegingen in rov. 32 en 43, die in cassatie zonder vrucht zijn bestreden (zie onder 3.3-3.12.4 en 3.15-3.16.5 hiervoor), volgt al dat [eisers] wel degelijk na 28 augustus 2014 ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH op Cuckoo mogelijk veel hoger dan € 122.877,39 (en ook hoger dan de som van € 323.708,81 en het betaalde bedrag van € 122.877,39) was.
subonderdeel 1.5.2, dat eveneens strandt. Het subonderdeel veronderstelt ten onrechte dat de Hoge Raad in “Coral/Stalt” een “criterium” heeft geformuleerd waarvan onderdeel is de (sub)norm dat de desbetreffende handelscrediteur door de vennootschap “bewust en op subjectieve gronden” is achtergesteld bij haar andere handelscrediteuren. De door het subonderdeel voorgestane opvatting vindt geen steun in het recht. Zie hetgeen ik uiteenzette onder 3.20.1-3.20.2 hiervoor, specifiek 3.20.2 onder (iii). Van een onjuiste hantering door het hof van dat “criterium” als bedoeld in het subonderdeel is dan ook geen sprake. Evenmin rechtvaardigt hetgeen het subonderdeel aanvoert dat ’s hofs oordeel in het arrest onbegrijpelijk is. Daarbij betrek ik, naast het voorgaande, vooreerst dat het subonderdeel zwijgt over enige stelling zijdens [eisers] (laat staan met vindplaatsverwijzing) dat Cuckoo haar (handels)crediteur INH niet bewust en op subjectieve gronden heeft achtergesteld bij andere (handels)crediteuren. En dat volgens het subonderdeel INH ook niet heeft gesteld waaruit zulk bewust en op subjectieve gronden achterstellen van INH bestond. Verder geldt dat het hof mede gelet op rov. 1.28-1.29, 32 en 43 onderkent dat Cuckoo op grond van het schadestaatvonnis in oktober 2015 een bedrag van € 122.877,39 heeft betaald aan INH. En dat Cuckoo eerst in het schadestaatarrest is veroordeeld tot betaling aan INH van een aanzienlijk hoger bedrag. Niet valt in te zien dat deze omstandigheden, waarop het subonderdeel doelt in de tweede zin (“Cuckoo heeft INH immers”, etc.), het hof noopten tot een nadere motivering gezien ook rov. 1.28, 32 en 41-47. [57] Hetzelfde gaat op voor de inhoud van de voorlaatste en laatste zin van het subonderdeel (“Dit een en ander”, etc.). Ik licht dat toe.
de besteding door Cuckoo vande opbrengst van die activaverkoop, geen nadere motivering behoefde vanwege die omstandigheid.
subonderdeel 1.6.1. Dit loopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag, nu het uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof neemt in rov. 47 niet “een collegiale verantwoordelijkheid tot uitgangspunt van zijn beoordeling”, etc. als bedoeld in het subonderdeel, maar houdt ook daar de onder 3.26.1-3.26.2 hiervoor uiteengezette lijn aan die past bij externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro. Wat het hof daar tot uitdrukking brengt, responderend op de daar bedoelde stelling van [eisers] , [61] is dat inzake de voorliggende onrechtmatige selectieve betaling zowel [eiser 1] als [eiser 2] een persoonlijk ernstig verwijt treft (dus dat voor elk van hen afzonderlijk wordt vastgesteld dat hij ter zake als bestuurder van Cuckoo toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar schuldeiser INH). Dit moet niet alleen worden bezien in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof, waaronder rov. 16-18, 27-33 en 41-47, maar ook in het licht van zijn daarop volgende overweging dat [eiser 1] en [eiser 2] beiden bestuurder waren en dat niet is gesteld dat een van hen niet betrokken was bij de verweten handelingen en/of deze niet heeft bewerkstelligd of toegelaten. Deze overwegingen sluiten in dat inzake de door INH aangevoerde - en door het hof gehonoreerde - selectieve betaling-grond waarbij volgens haar zowel [eiser 1] als [eiser 2] als bestuurder van Cuckoo een persoonlijk ernstig verwijt treft [62] door [eisers] wel verweer is gevoerd, dat het hof ook betrekt, maar niet tevens met de strekking dat een van hen niet betrokken was bij die verweten handelingen, deze niet heeft bewerkstelligd of toegelaten. Dit terwijl zij beiden bestuurder waren van Cuckoo. Dat het hof in navolging van INH in hoger beroep [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk ook wel aanduidt als [eisers] doet aan het voorgaande niet af. Van de in het subonderdeel bedoelde miskenning door het hof (“Het hof heeft aldus miskend”, etc.) is in werkelijkheid dus geen sprake. Het subonderdeel rept in de eerste zin ook van een “onbegrijpelijk” oordeel van het hof, maar werkt dat verder op geen enkele manier uit. Dit komt in subonderdeel 1.6.2 aan bod, waarop ik nu mijn blik richt.
subonderdeel 1.6.2. Dit lijdt aan hetzelfde euvel als subonderdeel 1.6.1, te weten een gebrek aan feitelijke grondslag veroorzaakt door een onjuiste lezing van het arrest. Het vertrekpunt van het subonderdeel is immers dat het hof zou hebben geoordeeld dat “van [eisers] , in afwijking van de bestaande jurisprudentie op dit punt, zou moeten worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden zouden moeten stellen om te bewijzen dat zij niet waren betrokken bij de hen verweten handelingen, of die niet hebben bewerkstelligd of toegelaten.” Wat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zou zijn. Het hof oordeelt evenwel pico bello in lijn met die jurisprudentie, zoals uiteengezet onder 3.27.1 hiervoor. Daarmee valt ook het doek voor dit subonderdeel.
Subonderdelen 2.1-2.2
subonderdeel 2.1. Daarbij stel ik het volgende voorop.
subonderdeel 2.2. Dat lijdt vooreerst aan een gebrek aan feitelijke grondslag veroorzaakt door een onjuiste lezing van het arrest. Immers, het hof oordeelt niet dat Cuckoo “de gehele verkoopopbrengst van de activa zou hebben moeten reserveren” ten behoeve van INH. Noch “verwachtte [het hof] van [eisers] dat hij alle andere schuldeisers van Cuckoo zou achterstellen bij INH”. Zoals volgt uit rov. 43-47 beperkt het hof zich daarin tot de na 28 augustus 2014 door Cuckoo gegenereerde opbrengst in het kader van de activaverkoop (ad in totaal € 323.708,81), die een deel beslaat van het geheel van die activaverkoop (die deels ook plaatsvond voor 28 augustus 2014) en de totale opbrengst daarvan (ad € 441.890,97). En zoals volgt uit rov. 46 gaat het hof daarin voor die periode na 28 augustus 2014, ten aanzien waarvan [eisers] een persoonlijk ernstig verwijt treft vanwege de besteding van genoemd bedrag van € 323.708,81 ten nadele van schuldeiser INH, ervan uit dat er geen “andere (zakelijke) schulden” van Cuckoo meer waren los van de vordering van INH op Cuckoo, dus ook geen andere schuldeisers van Cuckoo dan INH op wie [eisers] acht had te slaan. Zie ook onder 3.31.1 hiervoor, specifiek onder b. Dit levert een andere situatie op dan het subonderdeel veronderstelt. [66] Opmerking verdient verder dat het hof in rov. 41-47 kon betrekken zoals het doet, dat wat betreft die na 28 augustus 2014 door Cuckoo gegenereerde opbrengst in het kader van de activaverkoop (ad in totaal € 323.708,81) [eisers] bij de besteding daarvan ernstig rekening ermee moest houden dat de vordering van INH mogelijk veel hoger dan € 122.877,39 (en ook hoger dan de som van € 323.708,81 en het betaalde bedrag van € 122.877,39) was. Dit kwam reeds aan de orde bij de behandeling onder 3.3-3.12.4 en 3.15-3.16.5 hiervoor van subonderdelen 1.1.1-1.2.4 en 1.4, die alle falen. Daarmee ontvalt ook de bodem aan het vervolg van het subonderdeel. Niet alleen waar het subonderdeel veronderstelt - “Er is geen rechtsregel op grond waarvan”, etc. - dat de door het hof van [eisers] verwachte “handelwijze selectieve betaling aan INH [zou] impliceren”. Ook waar het subonderdeel als onbegrijpelijk aanmerkt het oordeel dat Cuckoo de gehele opbrengst van de verkoop van activa had moeten reserveren voor de mogelijke betaling van een in hoger beroep vast te stellen schadebedrag dat eventueel hoger zou kunnen zijn dan de veroordeling in eerste aanleg. Daarmee kapseizen de rechts- en motiveringsklacht in het subonderdeel.
subonderdeel 4.2. Dit veronderstelt dat het hof in rov. 46 van het arrest “het bewijsaanbod van [eisers] heeft gepasseerd, omdat hij weliswaar uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat ook andere (externe) schuldeisers zijn betaald en INH niet bij andere crediteuren is achtergesteld, maar hij dat naar het oordeel van het hof niet heeft geconcretiseerd.” Dit doet het hof daar evenwel niet. [79] Het subonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, waarop het strandt. Zoals uiteengezet onder 3.37.2 hiervoor zet het hof in rov. 46 uiteen waarom het wegens onvoldoende onderbouwing door [eisers] voorbijgaat aan “zijn verweer dat hij schulden, althans andere schulden dan intercompany schulden heeft betaald.” In dit verband betrekt het hof ook dat [eisers] weliswaar bewijs aanbiedt van zijn stelling dat ook andere (externe) schuldeisers zijn betaald en INH niet bij andere crediteuren is achtergesteld, [80] maar dit niet concretiseert. Waar het voor het hof bij dit oordeel waaronder dit laatste punt om draait, is dat [eisers] verder geen inzicht heeft gegeven in deze door hem slechts in algemene termen gestelde betalingen (wat is dan volgens hem wanneer aan welke schuldeiser betaald door Cuckoo, etc.?), [81] waar zo’n toelichting wel op zijn weg had gelegen (zeker nadat INH had weersproken dat met de opbrengst van de activaverkoop door Cuckoo schulden, althans andere schulden dan intercompany schulden zijn betaald). Dus ook niet in die passage van de memorie van antwoord met dat bewijsaanbod. Daarom acht het hof genoemd verweer van [eisers] ontoereikend gemotiveerd (geconcretiseerd) en gaat het daaraan om die reden voorbij. Aan (het passeren van) een bewijsaanbod ter zake van [eisers] komt het hof dan logischerwijs niet meer toe. Dit is dus iets anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat. Daarmee ontvalt de bodem aan het subonderdeel.
subonderdeel 4.3. Dit lijdt aan hetzelfde euvel als subonderdeel 4.2, te weten een gebrek aan feitelijke grondslag veroorzaakt door een onjuiste lezing van het arrest. Het hof geeft immers in rov. 46 geen “verboden prognose omtrent het resultaat van het bewijs”, ook niet in de in het subonderdeel bedoelde zin uit rov. 46 (“Voor zover hij daarbij”, etc.). Daar brengt het hof niet tot uitdrukking dat naar zijn oordeel de door [eisers] gestelde betalingen niet met schriftelijke bewijsstukken te bewijzen zouden zijn, maar dat [eisers] eventuele schriftelijke bewijsstukken ter zake “al uit eigen beweging in het geding [had] moeten brengen”, wat dus niet is gebeurd. Voor het overige strandt het subonderdeel in lijn met subonderdelen 4.1-4.2. Zie mede onder 3.37.2-3.37.3 en 3.39.1 hiervoor. Hetgeen het hof doet in rov. 46 behelst (dus) niet het “afdoen” van een bewijsaanbod van [eisers] , ook niet in die in het subonderdeel bedoelde zin uit rov. 46. Ook hier ontbeert het subonderdeel feitelijke grondslag. Dit behoeft geen verdere toelichting.