Conclusie
verzoekster tot cassatie,
(hierna: de moeder),
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
verweerder in cassatie,
(hierna: de raad),
niet verschenen,
(hierna: de GI),
niet verschenen,
1.Inleiding en samenvatting
De raad heeft aldaar mondeling verweer gevoerd en het hof verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Gebleken is dat de noodzaak van de in mei 2016 aangevangen ondertoezichtstelling was gelegen in de onveilige en instabiele opvoedingsomgeving van [kind 1] en [kind 2] in de situatie dat de moeder nog samen was met de vader. [kind 1] en [kind 2] , en later ook [kind 3] , werden destijds blootgesteld aan heftige ruzies tussen hun ouders. Overlastmeldingen bij de woningbouwvereniging en de politie, middelengebruik door en een huisverbod voor de vader zijn tekenend voor die tijd. Door hun eigen (relatie)problemen hadden de ouders te weinig oog voor de behoeften van de kinderen waardoor zij in hun ontwikkeling werden bedreigd. Reeds voordat de moeder en de kinderen medio 2018 bij Direction Zorg kwamen wonen, was dus al sprake van forse problemen op allerhande gebied. Welbeschouwd was het aanbod van Direction Zorg om de moeder en de kinderen op te nemen in een beschermd woonprogramma voor de moeder de (laatste) kans om de zorg voor [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] te behouden. Direction Zorg ondersteunde de moeder in die beschermde setting bij het opvoeden van de kinderen met als doel dat zij dit zelfstandig en op een verantwoorde manier zou gaan doen. De vader had destijds zelfstandige woonruimte. Er was sprake van een LAT-relatie.
- [kind 1] liep bij Accare in verband met zorgelijk gedrag. Volgens Accare was/waren niet zozeer het gedrag/de beperkingen van [kind 1] het probleem als wel zijn belaste verleden en de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Ondanks haar eerdere toezegging daartoe wilde de moeder niet meer meewerken aan het door Accare geadviseerde traject KINGS (Kind In Gezond Systeem), waarbij de moeder en de kinderen tijdelijk voor behandeling in de kliniek van Accare in Smilde zouden verblijven. Volgens de moeder ging alles goed en was KINGS niet (meer) nodig;
- kort na de relatiebreuk met de vader ging de moeder verschillende relaties aan met mannen die zij via internet had leren kennen en die zij binnen enkele dagen of weken al betrok in het leven van de kinderen door hen bij zich te laten overnachten en de kinderen hen 'papa' te laten noemen. Het bleek meer dan eens om mannen te gaan met een belast verleden, zoals een zedendelinquent (met minderjarigen) en mannen met een alcohol- en/of agressieprobleem. De moeder gaf bijna onmiddellijk blijk van een kinderwens met haar nieuwe partner(s);
- in verband met een beleidswijziging moest de moeder om de begeleiding van Direction Zorg op het gewenste niveau te houden zelf een indicatie voor beschermd wonen aanvragen. De moeder weigerde dit te doen. Zij vond dat alles goed ging en wilde niets meer te maken hebben met "bemoeizorg";
- de begeleiding van Direction Zorg signaleerde dat de moeder steeds minder openstond voor tips en adviezen. Ook de kinderen lieten zich minder goed corrigeren door de begeleiding. Zij lieten toenemend zelfbepalend gedrag zien. De kinderen gedroegen zich eigenlijk alleen maar als Direction Zorg erbij was.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Gedurende een ots kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:265b lid 1 BW).
(…)
Indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, dient de – nieuwe – maatregel tot gezagsbeëindiging te worden overwogen waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders. Dit is een belangrijke concretisering van het belang dat een kind heeft bij stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding. Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, moet overwogen worden of het kind nog langer in onzekerheid mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie.
Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder vergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. Voor jongere kinderen zal de termijn over het algemeen korter zijn dan voor de oudere kinderen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk; precieze termijnen zijn niet te geven.”
Het hof (…) heeft bij de bepaling van de mogelijkheden tot ontwikkeling en verbetering van de moeder binnen aanvaardbaar te achten termijn, naast de periode van uithuisplaatsing, kennelijk mede van belang geacht dat de moeder reeds in de periode vóór de uithuisplaatsing buiten staat was de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW Pro, te dragen en dat de in die periode ondernomen interventies in die zin tevergeefs zijn geweest, dat zij uithuisplaatsing niet hebben kunnen voorkomen. Dat oordeel is rechtens niet onjuist en is evenmin onbegrijpelijk. (…)” [11]
b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.
c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.
d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag.”
Maar, zoals ik ook al in mijn noot bij de Grote Kamer van het Hof in de
Strand Lobben-uitspraak schetste, de uitvoeringspraktijk waarin nationale autoriteiten zich na het uit huis plaatsen van jonge kinderen vooral op een nieuwe opvoedplek in een nieuw gezin voor het kind richten, is in Nederland ook aanwezig, al kan dan niet worden toegewerkt naar een adoptie voor het kind. Een beperking van het contact tussen een uit huis geplaatst kind en zijn ouders tot slechts enkele keren per jaar zullen we in Nederland niet snel meemaken, al is het niet onmogelijk. Maar wel zien we in Nederland dat voor een uit huis geplaatst kind de blik van de verantwoordelijke beroepskrachten vaak vooral is gericht op het creëren van een nieuwe bestendige opvoedplek binnen een gezin voor een kind. Het toewerken naar een terugkeer van het kind naar de eigen ouder(s) wordt vaak niet als prioriteit geoormerkt.
De uitspraak van het Hof leert dat juist bij een eerste uithuisplaatsing van een jong kind moet worden gewerkt aan intensieve begeleiding in de thuissituatie om de kans op terugkeer van het kind zo groot mogelijk te maken. Juist in deze eerste periode na uithuisplaatsing moet de koers niet te snel richting een nieuwe opvoedplek voor het kind zijn, maar moet worden ingezet op een versterking van de band van het kind met de eigen ouders met als doel het serieus verkennen van de mogelijkheden voor een kind om terug naar huis te gaan, of anders regelmatig contact te garanderen met ouders.”
Het
tweede onderdeel [28] is gericht tegen de eerste volzin van rov. 5.4 van de bestreden beschikking, waarin het hof kort gezegd heeft geoordeeld dat in dit geval is gerechtvaardigd dat de GI ná de uithuisplaatsing niet meer heeft gewerkt aan terugkeer naar huis.
Subonderdeel 2.1klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat de moeder heeft aangevoerd dat in strijd met art. 8 EVRM Pro niet meer naar gezinshereniging is gestreefd. Het hof heef in rov. 5.3 erkend dat gezinshereniging het uitgangspunt moet zijn, maar heeft dit uitgangpunt ten onrechte terzijde gesteld door de handelwijze van de GI juist te achten.
Subonderdeel 2.2klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet de actuele situatie van de moeder als uitgangspunt heeft genomen, maar de situatie ten tijde van de – eerste verlenging van de machtiging tot – uithuisplaatsing van 2 juni 2020. Het hof had zowel de actuele situatie van de kinderen als de moeder bij zijn oordeelsvorming moeten betrekken.
Subonderdeel 2.3klaagt dat het oordeel tevens onvoldoende gemotiveerd is gezien de uiterst summiere bevindingen van de raad en de GI, waarop het hof zich, naast zijn eigen bevindingen van 2 juni 2020, verlaat.
Deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Met verwijzing naar de beschikking van het hof waarbij de eerste machtiging uithuisplaatsing is bekrachtigd [29] , oordeelt het hof vervolgens in rov. 5.4 allereerst dat de veelheid, ernst en duur van de zorgen over de kinderen vóór de uithuisplaatsing afgezet tegen de inspanningen van de GI en de mogelijkheden die de moeder zijn geboden om de uithuisplaatsing te voorkomen, rechtvaardigen dat de GI na de uithuisplaatsing niet meer aan terugkeer naar huis heeft gewerkt en relatief snel een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de raad heeft ingediend. In een dergelijke situatie is een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing niet meer de juiste maatregel van kinderbescherming, aldus het hof. Aan het slot van rov. 5.4 overweegt het hof voorts dat ook al zouden de situatie van de moeder en haar opvoedingsvaardigheden inmiddels verbeterd zijn, dit voor zijn beslissing over het gezag nu niet meer van belang is. De belangen van de kinderen brengen namelijk mee dat zij niet meer terug kunnen naar de moeder. De argumenten waarop het hof dat baseert, zijn uitgewerkt in rov. 5.5 (zie daarover nader hierna onder 3.26 en 3.30).
Het subonderdeel kwalificeert de bevindingen van Raad en GI als summier (welke kwalificatie wat betreft de Raad bovendien alleen is gebaseerd op de vorm waarin die bevindingen naar voren zijn gebracht), maar maakt niet duidelijk waarom het bestreden oordeel gelet op die bevindingen onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 5.1 van de bestreden beschikking, waarin onder meer is overwogen dat het hof, na eigen onderzoek, de beslissing en motivering van de rechtbank overneemt.
Subonderdeel 1.1klaagt kort gezegd dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat (de resultaten van) het eigen onderzoek door het hof nergens uit blijken. Meer in het bijzonder kunnen de door het hof in rov. 5.3 aangehaalde rechtsoverwegingen en de daarin vervatte bevindingen niet worden beschouwd als het resultaat van een eigen onderzoek, omdat deze zijn neergelegd in de beschikking van het hof van 2 juni
2020terwijl het eigen onderzoek van het hof gevolgd zou moeten zijn op de beschikking in eerste aanleg van 4 mei
2021.
Subonderdeel 1.2behelst een tegen rov. 5.7 en het dictum gerichte voortbouwklacht.
derde onderdeelis gericht tegen rov. 5.5, alsmede de ‘deze rechtsoverweging inleidende laatste drie zinnen van rov. 5.4’.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof een rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door (wel) uit te gaan van de actuele situatie van de kinderen, maar zonder nadere motivering te oordelen dat het niet meer mogelijk is dat de moeder weer voor hen gaat zorgen en hen gaat opvoeden. Nu niet en ook op langere termijn niet. Het hof heeft niet – kenbaar – het juridisch kader van art. 1:266 lid 1 onder Pro a BW bij de beoordeling betrokken, hetgeen rechtens onjuist is dan wel de beoordeling onbegrijpelijk maakt. Het hof heeft, zonder het criterium van de voor het kind aanvaardbare termijn bij de beoordeling te betrekken, geoordeeld dat de moeder ‘nu niet en ook op langere termijn niet’ voor haar kinderen zou kunnen zorgen en bovendien dit oordeel niet voldoende of begrijpelijk gemotiveerd. Dat thuisplaatsing voor de kinderen opnieuw een trauma zou zijn, is daartoe onvoldoende, aldus het subonderdeel.
In rov. 5.5 heeft het hof overwogen dat [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] ruim twee respectievelijk meer dan anderhalf jaar bij hun (huidige) pleegouders wonen, daar op hun plek zitten, zich er naar omstandigheden goed ontwikkelen, zijn ingegroeid bij hun pleeggezinnen en er ook kunnen blijven wonen. Het hof heeft daarnaast mede in aanmerking genomen dat de kinderen meer dan gemiddeld behoefte hebben aan stabiliteit en continuïteit, dat de pleegouders in staat zijn om de kinderen de ondersteuning en opvoeding te geven die zij nodig hebben, waarbij is vermeld dat [kind 1] en [kind 2] nog steeds therapie krijgen in verband met hun in het verleden opgelopen trauma’s. De kinderen weghalen bij hun pleegouders zou voor hen een nieuw trauma betekenen. Naar het oordeel van het hof is het voor de kinderen noodzakelijk dat zij duidelijkheid krijgen over hun opgroeiperspectief.
Het hof heeft dus, anders dan het subonderdeel betoogt, wel degelijk het criterium van de aanvaardbare termijn bij zijn beoordeling betrokken. Voor zover subonderdeel 3.1 het hof verder verwijt te hebben geoordeeld dat de moeder
nuniet voor de kinderen kan gaan zorgen en hen kan gaan opvoeden, zonder de huidige situatie van de moeder en haar opvoedingsvaardigheden in de beoordeling te hebben betrokken, is op te merken dat dit oordeel gelet op het voorgaande volledig steunt op wat de belangen van de kinderen vergen, en niet op de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Die zijn, naar het hof ook uitdrukkelijk heeft overwogen, voor ’s hofs oordeel niet van belang.
Het hof heeft voorts, anders dan het subonderdeel aan het slot lijkt te veronderstellen, aan zijn oordeel dat het niet meer mogelijk is dat de moeder weer voor de kinderen gaat zorgen niet alleen ten grondslag gelegd dat het weghalen van de kinderen bij hun pleegouders voor hen een nieuw trauma zou betekenen. Het hof heeft zijn bestreden oordeel in rov. 5.5 van een voldoende en begrijpelijke motivering voorzien.
Subonderdeel 3.1 faalt gelet op het voorgaande.
ten tijde van de uithuisplaatsingniet meer de verwachting gerechtvaardigd was dat de moeder binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn de opvoedingsverantwoordelijkheid in staat is te dragen. Het is dan ook niet zo dat, doordat de GI na de uithuisplaatsing niet meer heeft gestreefd naar gezinshereniging, enkel tijdsverloop het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel heeft bewerkstelligd.
Het hof heeft in de motivering van zijn oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging in rov. 5.5 niet volstaan met de overweging dat de aanvaardbare termijn is verstreken, maar de hiervoor onder 3.15 genoemde factoren in zijn beoordeling betrokken. M.i. kan uit die motivering dan ook niet worden afgeleid dat het hof zou hebben miskend dat het om gezagsbeëindiging gaat (en niet om uithuisplaatsing/thuisplaatsing), ook al speelt de overweging dat de kinderen niet meer terug kunnen naar de moeder bij die motivering onmiskenbaar een belangrijke rol. Het hof heeft aan zijn oordeel ook niet alleen ten grondslag gelegd dat thuisplaatsing traumatisch zou zijn en dat de moeder niet meer een verzorgende rol zou kunnen hebben. Gelet op het voorgaande faalt ook subonderdeel 3.3.
vierde onderdeelis gericht tegen de afwijzing in rov. 5.5 van het verzoek van de moeder om nader onderzoek in de zin van art. 810a lid 2 Rv.
Subonderdeel 4.1klaagt kort gezegd (i) dat het hof miskent dat het verzoek een essentieel zelfstandig procesrecht van de moeder is om een eigen deskundigenonderzoek te stellen tegenover de bevindingen van de GI in het kader van art. 8 EVRM Pro/
equality of arms; (ii) dat het hof miskent dat de motiveringseisen in geval van afwijzing ‘dan ook’ hoger zijn voor de rechter en dat deze het verzoek alleen heeft te toetsen aan de twee vereisten voor een verzoek ex art. 810a lid 2 Rv (dat het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en dat het belang van het kind zich niet tegen onderzoek verzet), en dat het hof deze criteria niet (kenbaar of begrijpelijk) bij de afwijzing van het verzoek betrokken. Het betoogt daarbij, naar ik begrijp, met name dat ’s hofs motivering geen betrekking heeft op de vraag of de belangen van de kinderen zich verzetten tegen nader onderzoek; en (iii) dat het hof niet onderbouwt waarom een tegenonderzoek te belastend is voor de kinderen en in strijd is met hun zwaarwegende belangen. Tot slot klaagt het subonderdeel kort gezegd, ervan uitgaande dat de slotzin een
obiter dictumis, dat het hof heeft miskend dat het belang van het kind een essentieel criterium is om te bepalen of het ‘op zichzelf op voorhand toewijsbare’ verzoek om contra-expertise alsnog zou moeten worden afgewezen.
Subonderdeel 4.2gaat uit van de lezing dat het hof het verzoek van de moeder heeft afgewezen omdat dat niet (voldoende concreet en) ter zake dienend zou zijn. Het klaagt dat dan dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het in beginsel altijd relevant is of de ouder (inmiddels) wel over de benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, zelfs al zou dat niet leiden tot thuisplaatsing en zelfs al zou dat een gezagsbeëindigende maatregel niet in de weg staan.
Subonderdeel 4.3betrekt bij het voorgaande rov. 5.6, waarin het hof de hoop uitspreekt dat door de gezagsbeëindiging en de duidelijkheid die hierdoor ontstaat er ook acceptatie en rust komt en dat dit de invulling van contactregelingen ten goede zal komen. Het subonderdeel klaagt kort gezegd dat het ook vanuit het perspectief van het omgangsrecht van de moeder ‘en de effectiviteit ervan’ onbegrijpelijk is dat het hof heeft nagelaten nader onderzoek te (laten) doen.
Het hof heeft aldus het verzoek van de moeder om contra-expertise met betrekking tot haar actuele situatie niet ter zake dienend geacht. Dit oordeel van het hof, dat de afwijzing van dit verzoek – anders dan subonderdeel 4.1 onder iii (en mogelijk ook onder ii-slot) lijkt te betogen – zelfstandig kan dragen, is met de hiervoor onder 3.32 genoemde maatstaf in overeenstemming en is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Voorts heeft het hof overwogen een contra-expertise te belastend te vinden voor de kinderen en in strijd met hun zwaarwegende belangen. Subonderdeel 4.1 faalt mitsdien.
vijfde onderdeelklaagt kort gezegd dat het hof een rechtens ontoelaatbare prognose heeft gegeven door te oordelen dat het hof het voor de beslissing niet meer van belang vindt of de moeder (inmiddels) zelf wel mogelijkheden zou hebben om de kinderen op te voeden. Het betoogt daarbij dat het in geval van gebleken verbeterde opvoedcapaciteiten allerminst gegeven is dat de belangen van de kinderen met zich meebrengen dat zij niet terug kunnen keren bij de moeder.
zesde onderdeelluidt kort weergegeven dat, nu nader onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van de moeder is uitgebleven noch enig ander onderzoek ter zake is verricht, het vierde en vijfde onderdeel ook de voorgaande drie onderdelen versterken.
Voor zover dit onderdeel al een klacht behelst, ontbeert deze mijns inziens zelfstandig belang. Het onderdeel behoeft m.i. geen afzonderlijke bespreking.