Conclusie
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van 12 maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘beperken van de bewegingsvrijheid
voor de duur van maximaal vier maanden’ (art. 3:2 lid Pro 2, onder b, Wvggz) en ‘opnemen in een accommodatie
voor de duur van maximaal vier maanden’ (art. 3:2 lid Pro 2, onder j, Wvggz). [3]
de zorgaanbieder) aan de [a-straat] te [plaats].
Beslissing GD beëindiging verplichte zorg (art. 8:18 lid Pro 7 t/m 11”) heeft de geneesheer-directeur genoemd verzoek afgewezen. In de brief, waarin is aangekruist dat betrokkene “
op dit moment” zorg ontvangt in het kader van een zorgmachtiging, vermeldt de geneesheer-directeur als reden voor zijn beslissing:
onder voorwaarde dat er zo spoedig mogelijk door de instelling wordt zorg gedragen voor een aanvulling of wijziging van de zorgmachtiging”. De klachtencommissie merkte aan het slot van de beslissing ambtshalve het volgende op:
de rechtbank) een verzoekschrift ingediend op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro. Het beroep richtte zich tegen het oordeel van de klachtencommissie op de klachten gericht tegen (i) de opneming in de accommodatie en (ii) het besluit dat zij niet meer thuis mag wonen. Voor zover in cassatie van belang heeft betrokkene aangevoerd dat zij van 13 augustus 2021 tot 28 december 2021 in de accommodatie is opgenomen zonder dat aan dat verblijf een juridische titel ten grondslag heeft gelegen. [14] Nu de verplichte zorg is aangezegd op 13 april 2021 is deze van rechtswege komen te vervallen op 13 augustus 2021, aldus betrokkene. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren en haar een schadevergoeding toe te kennen, zowel immateriële als materiële schadevergoeding. De materiële schade bestaat volgens betrokkene uit de eigen bijdrage Wlz die zij gedurende de betreffende periode aan het CAK verschuldigd was (maximaal € 2.295,-).
Betrokkene is (…) sinds 14 mei 2021 geplaatst in het kader van de Wlz. Dan zou je kunnen zeggen dat er geen sprake is van een opname in een accommodatie op grond van de Wvggz. Het zou goed zijn om te kijken hoe deze instelling wordt aangemerkt.” [15]
Deze weekschema’s vallen mijn[s] inziens onder het beperk[en] van de vrijheid het eigen leven in te richten en niet onder een opname in een accommodatie.(…)
Naast een open afdeling zijn wij een beschermde woonvorm, een Wlz 3+ voorziening. Strikt genomen verblijft betrokkene sinds 14 mei 2021, het moment waarop zij een Wlz indicatie heeft gekregen, in een beschermd wonen woning.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Gedwongen zorg zonder geldige titel”)
dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin betrokkene in de periode van 13 augustus 2021 tot 28 december 2021 gedwongen opgenomen is geweest in een accommodatie op grond van de Wvggz terwijl daar geen geldige titel meer voor was”. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene in de instelling van de zorgaanbieder heeft verbleven op basis van de verleende Wlz-indicatie (een beschermd wonen plek) en niet langer op grond van een verplichte opname in een accommodatie ingevolge de Wvggz. Het onderdeel klaagt dat hiermee het recht is geschonden, met name de artikelen 3:1 en 8:7 Wvggz, art. 5 lid Pro 1, onder e, EVRM en art. 14 lid Pro 1, onder b, van het VN Gehandicaptenverdrag, althans dat de beslissing onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe een Wlz-indicatie op gelijke voet met art. 3:1 Wvggz Pro kan worden gesteld en hoe daarmee aan de waarborgen in onder meer art. 8:7 leden Pro 2 en 3 Wvggz kan zijn voldaan. De klacht wordt als volgt toegelicht:
op de situatie waarin een zorgmachtiging afloopt en voor de continuering van verplichte zorg om een nieuwe zorgmachtiging moet worden verzocht”. [18] (zie onder het kopje “
Nawerking aflopende zorgmachtiging”)
Aflopende machtiging voor opname in een accommodatie”)
in verband met de psychische stoornis van de verzekerde.”
1. Inleiding
3. Om welke cliënten gaat het?
4. Indicatiestelling
6. Het verzekerde pakket
11. Consultatie en adviezen
niet langerop grond van een verplichte opname in een accommodatie ingevolge de Wvggz.
15 maart 2021op vrijwillige basisopgenomen op de locatie [a-straat]. Deze locatie heeft sinds begin 2021 niet langer een gesloten afdeling. De kliniek is naast een opnamekliniek met een open afdeling ook een Wlz 3+ voorziening (een vorm van beschermd wonen). Vaststaat dat de locatie [a-straat]
tevenseen accommodatie is zoals bedoeld in art. 1:1 lid Pro 1, aanhef en onder b, Wvggz, waar gedwongen opname op grond van de Wvggz mogelijk is. [26]
13 april 2021heeft de zorgverantwoordelijke besloten om ter uitvoering van de zorgmachtiging aan betrokkene de volgende vormen van
verplichte zorgte gaan verlenen: ‘beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘opnemen in een accommodatie’. [27] Op grond van deze beslissing is betrokkene per die datum
gedwongen opgenomen, op een open afdeling van de locatie [a-straat]. [28] De viermaandentermijn uit de zorgmachtiging is toen gaan lopen.
14 mei 2021is aan betrokkene een indicatie op grond van de Wlz verleend (een Wlz-3 beschermd wonen indicatie), die gold vanaf 31 mei 2021. [29] De rechtbank heeft geoordeeld (zie rov. 5.6) dat betrokkene vanaf 14 mei 2021, en in elk geval in de periode waarop de door betrokkene ingediende klacht betrekking heeft (13 augustus 2021 tot 28 december 2021), in de instelling van de zorgaanbieder heeft verbleven op basis van de Wlz-indicatie en
niet langerop grond van een verplichte opname ingevolge de Wvggz. De vraag is of dit oordeel juist is.
in een ambulante setting. Het verblijf in de Wlz-instelling van de persoon in kwestie is op dat moment vrijwillig. Zie in dat verband de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
wel. Zie in dat verband rov. 5.5 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank overweegt dat met de verleende Wlz-indicatie wordt toegewerkt naar een plaats binnen een RIBW met 24-uurs zorg, dat betrokkene in afwachting daarvan verblijft in een eigen appartement binnen de instelling op de locatie [a-straat], en dat in weekschema’s is aangegeven op welke dagen zij naar haar eigen huis gaat (meerdere dagen per week, soms met overnachting). Namens de zorgaanbieder is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het sinds de Wlz-indicatie niet langer noodzakelijk is geweest om de verplichte zorg in de vorm van ‘opnemen in een accommodatie’ in te zetten en dat betrokkene vanaf dat moment op basis van de Wlz-indicatie in een beschermd wonen omgeving heeft verbleven. [32] De rechtbank heeft dit standpunt overgenomen.
dat er geen sprake is van een opname in een accommodatie op grond van de Wvggz” (zie 1.13). Er was, in mijn eigen woorden, sprake van een gemengd regime: verblijf in de accommodatie op grond van de Wlz en beperken van bewegingsvrijheid ingevolge de Wvggz. Dit gemengde regime is strikt genomen pas ingegaan op 31 mei 2021, de datum waarop de indicatie van kracht werd. Over die precieze datum heeft betrokkene niet geklaagd. Betrokkene heeft evenmin geklaagd over het toepassen van de verplichte zorgvorm ‘beperken van bewegingsvrijheid’.
19 augustus 2021heeft betrokkene de geneesheer-directeur verzocht om de verplichte zorg zoals die in haar zorgmachtiging omschreven staat “en daarmee ook de zorgmachtiging” op te heffen.
tot het niet beëindigen van de verplichte zorg”. Deze beslissing is in de onderhavige procedure evenmin onderwerp van geschil. Dat de zorgaanbieder er zelf kennelijk van uit is gegaan dat de verplichte zorg in de vorm van het verblijven in een accommodatie was gegrond op de Wvggz en dat deze vorm van zorg na 13 augustus 2021 diende te worden verlengd, laat onverlet dat het verblijf van betrokkene in de accommodatie aan de [a-straat] vanaf 14 (althans 31) mei 2022 berustte op de Wlz-indicatie en een titel op grond van de Wvggz daarom niet meer nodig was.
Schadevergoeding”)
verplichte zorg heeft verleend zonder geldige grondslag”.
alsmede verzoek schadevergoeding ex art. 10:12 lid 2 Wvggz Pro”. Betrokkene heeft daarmee kennelijk beoogd om een zelfstandig (want niet gekoppeld aan een aan de klachtencommissie gerichte klacht) verzoek tot schadevergoeding bij de rechter in te dienen. De rechtbank heeft het verzoek blijkens de aanhef van de in cassatie bestreden beschikking echter opgevat als een verzoek om schadevergoeding
op de voet van art. 10:11 lid 2 Wvg Progz, en daarmee als een verzoek om schadevergoeding dat wél is gekoppeld aan het verzoek als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro. Tegen deze (inherente) beslissing is geen klacht gericht. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het verzoek om schadevergoeding is gebaseerd op art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro.