ECLI:NL:PHR:2022:872

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
29 september 2022
Zaaknummer
21/01841
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 lid 2 aanhef en onder c SvArt. 134 lid 2 aanhef en onder b SvArt. 552a SvArt. 552b SvArt. 552ab Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens beëindiging beslag op geldbedrag

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beklag van klager over de teruggave van een onder een derde in beslag genomen geldbedrag van €30.005,- ongegrond verklaard. Klager stelde dat hij de rechthebbende was, terwijl het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] als eigenaar en rechthebbende aanmerkte, die afstand had gedaan van het geldbedrag in het kader van een transactie ter voorkoming van strafvervolging.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat voorafgaand aan het klaagschrift een last als bedoeld in art. 116 lid 2 aanhef Pro en onder c Sv is gegeven, waardoor het beslag op grond van art. 134 lid 2 Sv Pro is beëindigd. Omdat het beslag is beëindigd, heeft klager geen belang meer bij het cassatieberoep en kan hij niet in zijn beroep worden ontvangen.

De conclusie bespreekt eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de rechtsgeldigheid van afstandsverklaringen moet worden onderzocht, maar benadrukt dat in deze zaak klager wel de gelegenheid heeft gehad om de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116 lid 2 aanhef Pro en onder c Sv te laten toetsen door de rechtbank. De rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] terecht als rechthebbende is aangemerkt en dat de afstandsverklaring rechtsgeldig is.

Daarmee is het cassatieberoep van klager niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De conclusie bevat tevens een uitgebreide toelichting op de wettelijke bepalingen en relevante jurisprudentie omtrent beslag, afstandsverklaringen en verbeurdverklaring.

Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens beëindiging van het beslag op het geldbedrag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01841 B
Zitting4 oktober 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de klager
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 23 april 2021 het beklag van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van een onder een derde in beslag genomen geldbedrag van € 30.005,- ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich met betrekking tot bovengenoemd geldbedrag een kennisgeving van inbeslagneming. Deze kennisgeving houdt onder het hoofdje “omstandigheden” het volgende in: “Verdachte [betrokkene 1] had een Albert Heijn tas gevuld met het geld. De verdachte heeft in zijn verhoor afstand gedaan van het geld, de OVJ heeft later besloten dat de verdachte een transactie krijgt van het in beslag genomen geld. Deze heeft de verdachte/beslagene getekend.” Onder het hoofdje “Afstand door beslagene” staat “Ja, als eigenaar”, waarbij als eigenaar genoemde [betrokkene 1] wordt vermeld. Voorts houdt genoemde kennisgeving als beslissing van de officier van justitie in: “Handelen als verbeurd verklaard” (gedateerd 25 juni 2020). Uit door mij ingewonnen informatie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant is voorts gebleken dat met betrekking tot voornoemd geldbedrag op 7 augustus 2020 een last als bedoeld in art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv is gegeven. Dit brengt ingevolge het bepaalde in art. 134, tweede lid aanhef en onder b Sv mee dat het beslag is beëindigd. [1]
3.2
In geval het beslag is beëindigd lijkt vaste jurisprudentie mee te brengen dat de klager bij gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Mijn toenmalig ambtgenoot Knigge heeft in zijn conclusie voor HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3829 [2] bepleit dat het enkele feit dat toepassing is gegeven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv niet meebrengt dat de klager niet in zijn beklag ex art. 552a Sv kan worden ontvangen. Daarvoor is nodig dat de gedane afstand rechtsgeldig is. Volgens Knigge mag van de officier van justitie worden gevergd dat hij enig onderzoek verricht naar de juistheid van de eigendomsverklaring en kan het nalaten daarvan meebrengen dat de “verbeurdverklaring” jegens de rechthebbende onrechtmatig is. In genoemde zaak had de officier van justitie hangende een beklagprocedure waarin een ander dan de beslagene zich als rechthebbende had opgeworpen, meer in het bijzonder hangende het door de klager ingestelde cassatieberoep, toepassing gegeven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv. Knigge meent dat het gebruik van de bedoelde bevoegdheid onder die omstandigheid strijdt met de beginselen van een goede procesorde en jegens de klager onrechtmatig is. En ook los hiervan, maakt het enkele feit dat de klager niet in de gelegenheid is geweest de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv door de beklagrechter te laten beoordelen volgens hem reeds dat er onvoldoende grond is om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep. In genoemde zaak werd het ingediende cassatiemiddel door de Hoge Raad besproken.
3.3
De onderhavige zaak verschilt van de onder 3.2 genoemde zaak, in die zin dat de beslissing om toepassing te geven aan art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv niet eerst hangende de onderhavige beklagprocedure is genomen, maar reeds voorafgaand aan het door de klager op 26 januari 2021 ingediende klaagschrift. [3] In het onderhavige geval is de klager juist wel in de gelegenheid geweest de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116, tweede lid aanhef en onder c, Sv door de beklagrechter te laten beoordelen. Sterker nog, het klaagschrift strekte ertoe dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag valt aan te merken en [betrokkene 1] ten onrechte als eigenaar afstand heeft gedaan van dit geldbedrag.
3.4
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat er inmiddels géén beslag meer ligt op het geldbedrag dat - anders dan door de klager is gesteld - onder [betrokkene 1] in beslag is genomen. Vervolgens is de rechtbank wel nog uitgebreid in gegaan op de kwestie wie als redelijkerwijs rechthebbende op het geldbedrag kan worden aangemerkt, waarbij de rechtbank ook de afstandsverklaring door [betrokkene 1] betrekt. In dat verband stelt de rechtbank vast dat [betrokkene 1] als rechthebbende afstand heeft gedaan van het geldbedrag in verband met een transactie tussen hem en het Openbaar Ministerie om (verdere) strafvervolging voor witwassen te voorkomen. [betrokkene 1] heeft deze afstandsverklaring op 25 juni 2020 getekend en daarin verklaard dat het geldbedrag aan hem toebehoort. [4] In de afstandsverklaring wordt een link gelegd met voornoemde “transactie afstand” die [betrokkene 1] is aangeboden. De rechtbank merkt op dat deze “transactie afstand” in verband met witwassen zich ook in het dossier bevindt en dit voorstel door [betrokkene 1] blijkens zijn ondertekening is geaccepteerd. Volgens de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] dan ook terecht als rechthebbende op het geldbedrag aangemerkt. Ten slotte overweegt de rechtbank nog waarom de stellingname van de klager dat hij de rechthebbende op het geldbedrag zou zijn niet serieus kan worden genomen en de op de zitting gegeven onderbouwing ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd is. Dit alles resulteert erin dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard.
3.5
Gelet op het voorgaande meen ik dat er in het onderhavige geval voldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen vaststellen dat het beslag op de voet van art. 134, tweede lid, Sv is geëindigd. [5] Dit brengt mee dat de klager bij gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1993/94, 23 692, nr. 3, p. 18:
2.PHR 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2070.
3.Mijns inziens behoefde de rechtbank het klaagschrift niet op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv, welke situatie zich voordoet in het geval de rechtbank constateert dat sedert de indiening van het klaagschrift de desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer (vgl. bijv. HR 23 november 1993, NJ 1994/263). In een geval als het onderhavige is art. 552ab Sv van toepassing en moet worden beoordeeld of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457).
4.Vgl. HR 31 maart 1998, NJ 1998/779, waarin is bepaald dat de officier van justitie alleen indien degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen heeft verklaard dat het hem toebehoort en deze daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan, kan gelasten dat ten aanzien van dat voorwerp wordt gehandeld als ware het verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Een dergelijke verklaring van toebehoren brengt mee dat het voorwerp aan de Staat in eigendom toebehoort (art. 35 lid 2 Sr Pro).
5.Vgl. PHR 27 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7365. In deze zaak was de in beslag genomen bromfiets, nadat klager er afstand van had gedaan, reeds ten tijde van de behandeling in raadkamer vernietigd. De klager was in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Volgens mijn ambtgenoot Vellinga bood het dossier echter onvoldoende aanknopingspunten om de vraag te kunnen beantwoorden of het beslag op de voet van art. 134, tweede lid, Sv is geëindigd.