ECLI:NL:PHR:2022:872
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens beëindiging beslag op geldbedrag
In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beklag van klager over de teruggave van een onder een derde in beslag genomen geldbedrag van €30.005,- ongegrond verklaard. Klager stelde dat hij de rechthebbende was, terwijl het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] als eigenaar en rechthebbende aanmerkte, die afstand had gedaan van het geldbedrag in het kader van een transactie ter voorkoming van strafvervolging.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat voorafgaand aan het klaagschrift een last als bedoeld in art. 116 lid 2 aanhef Pro en onder c Sv is gegeven, waardoor het beslag op grond van art. 134 lid 2 Sv Pro is beëindigd. Omdat het beslag is beëindigd, heeft klager geen belang meer bij het cassatieberoep en kan hij niet in zijn beroep worden ontvangen.
De conclusie bespreekt eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de rechtsgeldigheid van afstandsverklaringen moet worden onderzocht, maar benadrukt dat in deze zaak klager wel de gelegenheid heeft gehad om de rechtmatigheid van de toepassing van art. 116 lid 2 aanhef Pro en onder c Sv te laten toetsen door de rechtbank. De rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] terecht als rechthebbende is aangemerkt en dat de afstandsverklaring rechtsgeldig is.
Daarmee is het cassatieberoep van klager niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De conclusie bevat tevens een uitgebreide toelichting op de wettelijke bepalingen en relevante jurisprudentie omtrent beslag, afstandsverklaringen en verbeurdverklaring.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens beëindiging van het beslag op het geldbedrag.