Conclusie
[eiser 1]
[eiser 2]eisers tot cassatie
adv.: mr. R.D. Boesveld
[verweerder 1]
[verweerder 2]verweerders in cassatie
niet verschenen
1.Inleiding
[eisers] . [1] respectievelijk
[verweerders]) over de vraag wie eigenaar is van een op het kadastrale perceel van [verweerders] gelegen strook grond. [eisers] . stellen zich op het standpunt eigenaar te zijn op grond van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW Pro) dan wel bevrijdende verjaring (art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW). Het hof heeft geoordeeld dat het noordelijk gedeelte van de strook door bevrijdende verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro eigendom is geworden van [eisers] . Voor het zuidelijk gedeelte is dat niet het geval, omdat niet vast is komen te staan dat dit gedeelte gedurende een periode van tenminste twintig jaren in bezit is geweest van (de rechtsvoorganger van) [eisers] . Het door [eisers] . ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het oordeel betreffende het zuidelijk gedeelte van de strook. Geklaagd wordt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, een verkeerde maatstaf voor het vaststellen van bezit heeft gehanteerd, en zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De klachten zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.
2.Feiten
de strook grond). Tussen partijen is in geschil aan wie de eigendom van deze strook grond toebehoort.
3.Procesverloop
in conventie, onder meer en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd: [6] I. [eisers] . te veroordelen om de strook grond te ontruimen en ter beschikking te stellen aan [verweerders] op straffe van verbeurte van een dwangsom, en om medewerking te verlenen aan het optrekken van een scheidingsmuur tussen hun perceel en dat van [verweerders] onder gelijke verdeling van de kosten. [7]
In reconventiehebben zij, voor zover in cassatie van belang, gevorderd:
primair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .;
in conventie(ontruimings)vordering I van [verweerders] afgewezen.
In reconventieheeft zij, de vorderingen I (meer subsidiair) en II toewijzend, voor recht verklaard dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] . en [verweerders] veroordeeld tot medewerking aan inschrijving van de door verjaring verkregen eigendom in de openbare registers.
grieven 1-3wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .
incidenteel appelingesteld. De incidentele grieven hebben geen betrekking op de verjaringskwestie, evenmin als het petitum. [11] Het incidenteel appel blijft verder buiten beschouwing.
Wat betreft het
noordelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur noordwaarts tot de openbare weg) heeft het hof, de beslissing van de rechtbank in zoverre bekrachtigend, in conventie ontruimingsvordering I afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de voorzijde van de strook als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] ., met veroordeling van [verweerders] tot het verlenen van medewerking aan inschrijving van de eigendom in de openbare registers (zie rov. 3.10, 3.18 en dictum). Dit oordeel is in cassatie niet meer aan de orde.
Wat betreft het
zuidelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur zuidwaarts langs die schuur tot de achterzijde) heeft het hof, na vernietiging, in conventie [eisers] . veroordeeld tot het ontruimen en ter beschikking stellen van dit deel aan [verweerders] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede tot het verlenen van medewerking aan het optrekken van een scheidsmuur op de erfgrens, met afwijzing in zoverre van de reconventionele vorderingen I (meer subsidiair) en II (zie rov. 3.18 en dictum i.v.m. rov. 3.3).
grief I in het principaal appelkomen [verweerders] op tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis dat, samengevat, [eisers] . de strook grond in bezit hebben genomen en dat er sindsdien twintig jaren zijn verstreken zonder dat de verjaring is gestuit. [verweerders] betwisten dat [eisers] . de grond in bezit hebben genomen. (...) De stelling van [eisers] . dat de strook kort nadat zij aan de [a-straat 2] te [plaats] kwamen wonen ook aan de achterzijde werd afgesloten door het plaatsen van een schutting blijkt nergens uit. [verweerders] betwisten bovendien dat beplanting de strook zodanig afsloot dat van inbezitneming sprake was. (...)
noordelijkdeel van de strook heeft verworpen (rov. 3.9, derde alinea), beoordeelt het hof de eigendomssituatie van het
zuidelijkdeel van de strook (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea):
4.Bespreking van het cassatiemiddel
zuidelijkdeel van de strook.
eerste onderdeelheeft betrekking op rov. 3.9 van het bestreden arrest, voor zover het hof daarin het volgende heeft overwogen:
subonderdelen 1.1-1.3over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof ten onrechte niet opnieuw de primaire
grondslagvan
de reconventionele vordering van [eisers] .zou hebben beoordeeld. [15] Volgens het middel kunnen de stellingen van [eisers] . betreffende verkrijgende respectievelijk bevrijdende verjaring, gelet op het partijdebat [16] , namelijk niet anders worden begrepen dan als een beroep op een primaire respectievelijk (meer) subsidiaire
grondslagvan ‘
de’ (ik begrijp: één) reconventionele vordering, die erop is gericht dat voor recht wordt verklaard dat [eisers] . door verjaring eigenaar zijn geworden. Nu het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de (meer) subsidiaire grondslag niet slaagt, had het op grond van de devolutieve werking van het appel, ook zonder daarop gerichte incidentele grief, alsnog de – in appel niet prijsgegeven – primaire grondslag van de vordering van [eisers] . moeten beoordelen. [17]
Verjaring van grond11. [verweerder 1] vordert in conventie de ontruiming van percelen (…). In reconventie vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat een gedeelte van deze grond door verjaring eigendom is van [eiser 1] en uiteraard de vorderingen in conventie dientengevolge moeten worden afgewezen. Beide vorderingen vormen derhalve elkaars spiegelbeeld. (...)
(…)
17. Verjaring van grond kan plaatsvinden door zowel bevrijdende als verkrijgende verjaring, zowel te goeder als te kwader trouw. Primair stelt [eisers] . zich op het standpunt dat sprake is van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring te goeder trouw. De verjaringstermijn daarvoor is 10 jaar. (…)
18. Subsidiair stelt [eisers] . dat op grond van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring de strook eigendom is geworden van [eiser 1] . Ook de termijn van 20 jaar was voltooid (…)
19. Ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat van verkrijgende verjaring, te goede dan wel te kwader trouw geen sprake is, dan is de grond door verjaring het eigendom van [eiser 1] geworden. De vordering tot revindicatie (…) verjaart immers eveneens door termijnverloop van 20 jaar. (...)”
Vorderingen in reconventie’ het volgende gesteld:
Verjaring van grond58. Allereerst vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat de strook grond (…) is verjaard. De onderbouwing van deze vordering is in conventie (onder punt 11 tot en met 25) reeds uitvoerig gemotiveerd. [eiser 1] verwijst in reconventie daarnaar.”
Primair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
meer subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van bevrijdende verjaring het eigendom is geworden van eisers in reconventie.”
I. Verklaring voor recht dat de strook grond – waarvan de eigendom in het geding is – door verkrijgende verjaring te goeder trouw (primair), verkrijgende verjaring te kwader trouw (subsidiair) of bevrijdende verjaring (meer subsidiair) eigendom is geworden van [eisers] .
II. (...)”
subonderdeel 1.4over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof, tegenover de ontruimingsvordering van [verweerders] in conventie, na verwerping van het meer subsidiaire verweer (bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW Pro), het in appel niet prijsgegeven primaire
verweervan [eisers] . (verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW Pro) opnieuw had moeten beoordelen. [21]
[…]-arrest op de regel van de devolutieve werking een uitzondering aanvaard voor een geval waarin het oordeel van de rechtbank tot verwerping van het primaire verweer van de later geïntimeerde gezag van gewijsde had gekregen omdat daartegen geen incidenteel appel was ingesteld, en aanvaarding van de devolutieve werking zou kunnen leiden tot twee tegenstrijdige beslissingen met gezag van gewijsde. [24] Iets soortgelijks zou zich in het onderhavige geval kunnen voordoen, indien het hof in conventie tot het (onherroepelijke) oordeel zou komen dat het primaire verjaringsverweer ex art. 3:99 BW Pro alsnog moet worden gehonoreerd. Niettemin meen ik dat de parallel met het
[…]-arrest moet worden verworpen. Voor zover mij bekend, is aan de daarin besloten liggende stap naar een stelsel waarin in appel nog alleen geschilpunten worden beslist die door uitdrukkelijke grieven aan de orde worden gesteld, door uw Raad geen vervolg gegeven. Bovendien ziet dit arrest op een situatie waarin de vordering van appellant gedeeltelijk was toegewezen, terwijl in het thans voorliggende geval de vordering van appellant geheel is afgewezen, in welk geval initiatief van geïntimeerde te minder lijkt te kunnen worden verlangd.
Voor het aannemen van bezit van een onroerend goed geldt nog een extra bepaling. Omdat onroerende goederen naar hun aard altijd een bezitter hebben (art. 5:24 BW Pro), is een enkele op zichzelf staande machtsuitoefening voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW Pro). Voor inbezitneming is vereist dat sprake is van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. [33] Uit jurisprudentie [34] en literatuur [35] volgt dat de drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed hoog is.
eersteplaats opgekomen tegen de tweede alinea van rov. 3.9, voor zover het hof daarin heeft overwogen:
in dit gevaldoorslaggevend is (bij gebreke van andere inbezitnemings-/bezitsdaden). Deze lezing sluit aan bij het betoog van [eisers] . dat zij de strook met een hek (noordelijk deel) en een schutting (zuidelijk deel) hebben afgesloten. [37] Het hof heeft daarmee niet miskend dat het fysiek afsluiten van een perceel in het algemeen geen doorslaggevend vereiste is voor het aannemen van inbezitneming.
tweedewordt aangevoerd – samengevat – dat nu de strook grond onderdeel was geweest van een grondruil (vonnis, rov. 4.3), één van de rechtsvoorgangers van [eisers] . al eigenaar en bezitter van de strook grond
wasen na de grondruil het bezit daarvan
behieldin het belang van een rechtsvoorganger van [verweerders] , die in deze strook grond op zichzelf niet geïnteresseerd was (maar slechts in het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een tweede bollenschuur). [38] Geklaagd wordt dat het hof onder deze omstandigheden te hoge eisen heeft gesteld aan de kenbaarheid van de eigenaarspretentie die lag besloten in het
voortgezette bezitdoor de rechtsvoorgangers van [eisers] . Volgens het onderdeel ligt in de rechtspraak van uw Raad immers besloten dat uiteenlopende eisen worden gesteld aan bezit van iemand die, technisch gezien, te kwader trouw is, in geval waarin hij de grond in bezit neemt (a) buiten weten van en zonder overleg met de rechthebbende, en (b) na overleg en met medeweten van de rechthebbende. [39]
haden in overleg met de verkrijger
behield. Veeleer lijkt het hof [verweerders] te hebben gevolgd in hun betoog dat de vervreemder van de strook na de overdracht houder bleef voor de verkrijger [43] , zodat aan inbezitneming de in art. 3:111 BW Pro gestelde eisen worden gesteld.
derde onderdeelkomt op tegen het oordeel van het hof dat, gelet op de stellingen van partijen, niet is komen vast te staan dat het zuidelijk deel van de strook grond voor [verweerders] (het middel leest: en hun rechtsvoorgangers) afgesloten is geweest gedurende (tenminste) twintig jaar voorafgaand aan 13 maart 2018, alsmede de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea, aangehaald hiervoor onder 3.11).
eerste klachtis gericht tegen de overwegingen van het hof (samengevat) dat uit de op 23 juni 1997 afgedrukte foto’s niet kan worden afgeleid dat de beplanting aan de achterzijde van het perceel van [eisers] . ‘ondoordringbaar’ was, en dat dit ook niet blijkt uit de overige in het geding gebrachte foto’s. Aangevoerd wordt dat uit de foto’s ontegenzeggelijk blijkt dat de coniferenhaag en de overige beplanting de achterzijde van het perceel destijds afsloten, en dat het hof zijn oordeel betreffende dit punt niet verder heeft gemotiveerd. Onduidelijk is op welke ‘overige in het geding gebrachte’ foto’s het hof zijn oordeel heeft gebaseerd. In ieder geval heeft het hof de als productie 31 in het geding gebrachte foto’s niet kenbaar in zijn beslissing betrokken.
zodanigondoordringbaar was dat de strook grond ontoegankelijk was (gemaakt) voor [verweerders] Ik acht het oordeel van het hof op dit punt, gelet op de betreffende foto’s, niet onbegrijpelijk.
Met de overweging dat de ‘zodanige ondoordringbaarheid’ ook niet blijkt uit de overige foto’s die door [eisers] . in het geding zijn gebracht, doelt het hof kennelijk op de producties 29 tot en met 31 (bij MvA/MvG inc.), die [eisers] . hebben overgelegd ter ondersteuning van hun standpunt dat de achterzijde van het perceel volledig dicht was. [46] Het hof gaat daarna immers specifiek in op één van deze foto’s (de overzichtsfoto overgelegd als productie 29). Het hof mag standpunten groepsgewijs verwerpen, hetgeen het hier kennelijk heeft gedaan ten aanzien van de andere foto’s (waaronder de foto overgelegd als productie 31). Uit deze foto’s bleek volgens het hof kennelijk niet van een ondoordringbare afscheiding, hetgeen gelet op de foto’s geen onbegrijpelijk oordeel is, en ook niet per foto afzonderlijk gemotiveerd had moeten worden.
tweede klachtis gericht tegen de overweging van het hof dat uit de door [eisers] . als productie 29 overgelegde overzichtsfoto niet volgt dat de strook grond gedurende twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018 aan de achterzijde was afgesloten. [eisers] . voeren aan dat, zoals zij hebben gesteld [47] , op deze foto te zien is hoe de schutting en de coniferenhaag aansluiten op de tweede bollenschuur en de coniferenhaag duidelijk al veel langer aanwezig is. Ook als er vanuit moet worden gegaan dat de foto dateert van 2001/2002, blijkt hieruit – gelet op de grootte van de coniferen c.q. de dichtheid van de coniferenhaag – dat deze haag op dat moment al langere tijd (in ieder geval vóór 1997) aanwezig moet zijn gewest en het perceel van [eisers] . aan de achterzijde afsloot.