Conclusie
Inleiding
Het middel
De bestreden uitspraak
Relevante onderdelen uit de uitspraken in eerste aanleg en in hoger beroep van de Moldavische rechter
Het juridisch kader (waar van toepassing in de Nederlandse vertaling)
d. in een geval waarin volgens het toepasselijke verdrag tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in Nederland in redelijkheid niet kan worden genomen;
Drozd en Janousek [4] heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) geoordeeld dat Staten ook verplicht zijn medewerking te weigeren aan de overname van een in de verzoekende Staat opgelegde straf als blijkt dat de veroordeling het resultaat is van een ‘flagrant denial of justice’. Ik citeer uit dit arrest (par. 110):
Othman (Abu Quatada)van 17 januari 2017 (betreffende de voorgenomen uitzetting van O. door het V.K.). [5] Nadat gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’, verduidelijkt het EHRM:
NJ2017/276, m.nt. Rozemond (betreffende, kort gezegd, het beroep op mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures) dat de Hoge Raad daar niet anders over denkt. Bovendien houdt hij voor – onder vermelding van het bovengenoemde Othman-arrest van het EHRM –, dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. [6]
Drozd en Janousekeen tweede imperatieve weigeringsgrond is geformuleerd
naastdie van art. 7 EVIG Pro. [7] Ik wijs daarbij op het verschil in grondslag waarop deze imperatieve weigeringsgronden berusten. Bij schending van het ne bis in idem-beginsel is dat een verdrag, namelijk het EVIG, en in geval van een ‘flagrant denial of justice’ gaat het om de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de uitleg van onder meer art. 6 EVRM Pro en de verplichtingen die daaruit voortvloeien.
alssprake is van een ‘flagrant denial of justice’ de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar
moetworden verklaard. Een afweging van alle betrokken belangen kan dan achterwege blijven. [10] Een niet-flagrante inbreuk op enig aan de veroordeelde ingevolge het EVRM (of IVBPR) toekomend recht die kan worden aangemerkt als strijdig met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde
kanleiden tot weigering. Zij het dat ook dan de mate waarin in strijd is gehandeld met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde van enig gewicht moet zijn. In dat geval vergt art. 30, eerste lid en onderdeel d, WOTS wél een, door de exequaturrechter te maken, belangenafweging. Het lijkt mij dat het arrest van HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545 (een WOTS-zaak) hiermee niet problematisch is. De Hoge Raad overweegt daar onder meer:
ookeen flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro is te begrijpen [12] – niet hoeft te worden uitgegaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter. Naar het mij voorkomt zegt de Hoge Raad daarmee niet dat als gevolg daarvan de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in art. 6, aanhef en onderdeel a, EVIG en art. 30, eerste lid en onderdeel d, WOTS geen zelfstandige betekenis meer heeft naast een ‘flagrant denial of justice’, hier in de zin van art. 6 EVRM Pro, als imperatieve weigeringsgrond. Die zelfstandige betekenis heeft de bepaling immers nog altijd in gevallen waarin weliswaar niet een ‘flagrant denial of justice’ is vastgesteld, maar wel anderszins wordt geconstateerd dat binnen het strafproces in de verzoekende staat in strijd is gehandeld met een grondbeginsel van de Nederlandse rechtsorde. De exequaturrechter dient dan in zijn uitspraak zichtbaar te maken welke belangenafweging hij heeft gemaakt om tot het uiteindelijke oordeel te komen dat sprake is van een zodanige afwijking van onze grondbeginselen dat weigering geoorloofd en noodzakelijk is. Wellicht vormt de onderhavige zaak voor de Hoge Raad aanleiding om op dit specifieke punt duidelijkheid te scheppen.
Bespreking van het middel
opsporingsfaseen tijdens de
rechtsvervolgingin Moldavië geen (juiste) tolk voor de veroordeelde is opgeroepen. Het recht van een verdachte om aan zijn proces te kunnen deelnemen in een voor hem begrijpelijke taal behoort naar het oordeel van de Rotterdamse rechtbank tot de kern van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro én tot de grondbeginselen van de Nederlandse (straf)procesorde. Daarom merkt zij de (ik begrijp: door de rechtbank Chișinău) vastgestelde schending van dat recht aan als een flagrante inbreuk op
zowelart. 6 EVRM Pro,
alsop de grondbeginselen als bedoeld in art. 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, EVIG. Deze inbreuk wordt, zo vervolgt de rechtbank, niet hersteld of gecompenseerd met de door Moldavische rechtbank toegepaste strafvermindering, omdat daardoor het strafproces niet alsnog als eerlijk kan worden aangemerkt.
terechtstaatzonder bijstand van een tolk, zonder ook maar iets van de beschuldiging, de gang van zaken tijdens het strafproces en het verhandelde ter terechtzitting te begrijpen. Maar niet
allegevallen waarin blijkt dat op enig moment in de strafprocedure enig gebrek heeft gekleefd aan bijstand van een tolk behoren tot de categorie ‘flagrant denial of justice’ c.q. ‘strijdig met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte Staat’. Naar mijn inzicht hangt het maar helemaal af van de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval. Uit het hierboven aangehaalde arrest
Othman (Abu Quatada)blijkt immers dat het EHRM de lat voor het aannemen van een ‘flagrant denial of justice’ behoorlijk hoog heeft gelegd; de Hoge Raad heeft dit gegeven in zijn rechtspraak benadrukt. De rechtspraak waarin wordt gesproken van flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging wijst dezelfde kant op. Het oordeel dat in strijd is gehandeld met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde moet de ‘importantie-toets’ hebben kunnen doorstaan.
Slotsom