Conclusie
Inleiding
II. Het eerste en het tweede middel en de bespreking daarvan
De middelen
Inleiding
I. De overvallen
“In mijn beleving was het een magere man en op de zitting zag ik een gespierde man. Dat beeld klopte niet helemaal. We hebben de camerabeelden van de andere overvallen ook gezien en ik kon niet zeggen dat het voor alle overvallen dezelfde persoon was. Maar ik had wel heel sterk het vermoeden dat als hij het niet was geweest, hij wel wist wie het was geweest. De vermomming die bij hem is aangetroffen is namelijk precies de vermomming die is gebruikt. ”
eerste middelwordt met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde aangevoerd, dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat een ‘ontlastende getuige’ expliciet zou hebben verklaard dat hij de verdachte niet heeft herkend als de overvaller en de verdachte niet degene is die het feit heeft gepleegd. Ook wordt, gelet op hetgeen de verdediging daarover op de terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, opgekomen tegen het oordeel van het hof dat angst en stress bij de aangevers als gevolg van het bewezenverklaarde kan hebben geleid tot foutieve waarnemingen ten aanzien van het postuur van de overvaller of het niet waarnemen van een tatoeage op de hand van de overvaller, dit terwijl “getuigen hebben verklaard de handen van de overvaller te hebben waargenomen” en zij, zo begrijp ik de schriftuur, in een voor de verdachte dechargerende zin geen bijzonderheden op de handen van die overvaller hebben waargenomen.
tweede middel, dat ziet op het onder 4 bewezenverklaarde, wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat 1) “verbalisanten hebben waargenomen dat de muts van de overvaller was voorzien van de tekst ‘Eindhoven’, terwijl deze tekst ontbreekt op de onder de verdachte aangetroffen en door het hof als redengevend bewijsmiddel aangemerkte kenmerkende muts en 2) verschillende getuigen volgens hun verklaring hebben waargenomen dat de overvaller een speciaal loopje heeft “en dat de verdachte niet zo’n loopje heeft gehad”.
Het derde middel en de bespreking daarvan
huidigebepaling ligt ten grondslag de Wet straffen en beschermen, die op 1 juli 2021 in werking is getreden. [5] Art. IV, derde lid, van deze wet voorziet in overgangsrecht: de nieuwe regeling heeft geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die zijn uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen en is dus alleen van toepassing op vrijheidsstraffen die nadien worden uitgesproken.
NJ2023/102, m.nt. Reijntjes van belang. In dat arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot de v.i.-regeling en de
executievan strafrechtelijke sancties het volgende overwogen:
Het vierde middel en de bespreking daarvan
Slotsom