ECLI:NL:PHR:2023:1055

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
20 november 2023
Zaaknummer
21/05182
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewezenverklaring medeplegen hennepkwekerijen en redelijke termijn overschrijding

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, waarvan 11 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van hennepteelt in meerdere panden tussen 2011 en 2013. Het cassatieberoep richt zich op de vraag of de bijdrage van de verdachte voldoende gewicht heeft om medeplegen te bewijzen en op de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft geoordeeld dat het verrichten van opbouwwerkzaamheden en het leveren van kweekbenodigdheden, gecombineerd met bewuste samenwerking met medeverdachten, voldoende intellectuele en materiële bijdrage vormt voor medeplegen. De Procureur-Generaal acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en wijst het middel af.

Ten aanzien van de redelijke termijn is vastgesteld dat de overschrijding ruim vijf jaar bedraagt tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest, waarbij de verdachte slechts 4,5 maand in voorlopige hechtenis zat. De Hoge Raad kan dit oordeel slechts beperkt toetsen en acht de redelijke termijn van twee jaar passend. Ook dit middel faalt.

De conclusie van de Procureur-Generaal is derhalve dat het cassatieberoep verworpen moet worden, waarmee de veroordeling en de strafoplegging in stand blijven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen hennepteelt blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05182
Zitting28 november 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 3 december 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan 11 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 21/05222. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt dat de voor een bewezenverklaring van medeplegen vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht niet uit de bewijsvoering volgt.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. (Zaken [a-straat] , [b-straat] , [c-staat 1] , [plaats] , [plaats] , [d-straat] , [plaats] )
hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 13 mei 2013 te [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] ,
telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, te weten (onder meer)
- in een pand aan de [a-straat 1-2] te [plaats] en
- in een pand aan de [e-straat 1] te [plaats] en
- in een pand aan de [c-staat 1] te [plaats] en
- in een pand aan de [f-straat 1] te [plaats] en
- in een pand aan de [g-straat 1] te [plaats] en
- in een pand aan de [d-straat 1] te [plaats] en
- in een pand aan de [h-straat 1] te [plaats] ,
telkens meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring van medeplegen overwogen:
“De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van hennepteelt in de onder feit 1 genoemde kwekerijen.
Daartoe heeft hij – kort samengevat – betoogd dat de verdachte weliswaar bemoeienis heeft gehad met een aantal hennepkwekerijen, maar dat hij in dat verband niet anders heeft gedaan dan het uitvoeren van werkzaamheden in de voorbereidende en opbouwfase van die kwekerijen. Niet kan worden bewezen dat hij intellectuele en/of materiële bijdragen van voldoende gewicht heeft geleverd om hem als medepleger aan te merken.
Verder is de getuige [betrokkene 1] teruggekomen op zijn eerdere voor de verdachte belastende verklaring dat de verdachte de projectleider was van de hennepkwekerij aan de [i-straat] / [e-straat ] in [plaats] . Hij deed dat bij gelegenheid van zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 21 november 2016. Zijn eerdere verklaringen dienen daarom dan ook buiten beschouwing te blijven.
Het hof overweegt te dien aanzien het volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen aangetroffen op de [a-straat] in [plaats] , de [e-straat ] in [plaats] , de [c-staat 1] in [plaats] , de [f-straat ] in [plaats] , [g-straat ] in [plaats] , de [d-straat] in [plaats] en de [h-straat ] in [plaats] .
Anders dan de raadsman kennelijk meent, is het hof van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden ook het verrichten van opbouwwerkzaamheden ten behoeve van hennepkwekerijen, wetende dat het daarbij ging om de opbouw van hennepkwekerijen, moet worden aangemerkt als intellectuele en materiële bijdragen van substantieel gewicht.
Het hof gaat er op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van uit dat de verdachte opzet had op het voltooien van het tenlastegelegde delict te weten het kweken van hennep in de verschillende bewezenverklaarde kwekerijen. Aangezien de verdachte daarbij bewust en nauw heeft samengewerkt met onder andere de medeverdachte [betrokkene 2] , is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft mede gepleegd.”
2.4
Bij de beoordeling van de klacht is het volgende van belang. [1] Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
2.5
Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat de verdachte:
- in de zaak- [a-straat] ( [plaats] ) kweekbenodigdheden heeft geleverd, muren heeft gezet, airco’s heeft geplaatst en muren heeft getimmerd (bewijsmiddel 6);
- in de zaak- [b-straat] ( [plaats] ) af en toe op de zaak kwam (bewijsmiddel 14) en een telefoongesprek heeft gevoerd over de reparatie van de stroomvoorziening nadat de stoppen eruit waren geklapt (bewijsmiddel 18);
- in de zaak- [c-staat ] ( [plaats] ) heeft getimmerd, koelwanden en airco’s heeft geleverd, storingen heeft opgelost en wanden heeft geplaatst (bewijsmiddel 25);
- in de zaak- [plaats] twee airco’s heeft geleverd, twee koelcellen heeft geplaatst, generatoren heeft aangelegd en een watersysteem heeft aangelegd (bewijsmiddel 31);
- in de zaak- [plaats] spullen heeft geleverd, de kwekerij heeft opgebouwd, heeft getimmerd, de waterleiding heeft aangelegd en er meerdere keren is geweest (bewijsmiddel 43 en 51/52);
- in de zaak- [d-straat] ( [plaats] ) kweekmateriaal heeft doorverkocht dat hij goedkoop kon inkopen, meerdere dagen heeft besteed aan het timmeren en het opbouwen van de kwekerij en meerdere malen langs is geweest om problemen te verhelpen aan de door hem geleverde airco’s (bewijsmiddel 55);
- in de zaak- [plaats] blijkens tapgesprekken zich daar in de buurt bevond en met de medeverdachte [betrokkene 2] gesprekken heeft gevoerd over het openen van de deur en over twee ‘autootjes’ die ze daar hebben gezet en waarvan eentje te snel draait (bewijsmiddel 67).
2.6
De klacht is kennelijk ongegrond. De bijdrage van de verdachte die uit de bewijsmiddelen volgt, is zo meen ik voldoende om als bijdrage van voldoende gewicht te gelden voor het bewezenverklaarde feit. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof bij zijn oordeel over het medeplegen kennelijk mede betekenis heeft toegekend aan het structurele karakter van de bijdrage van de verdachte aan zeven kwekerijen, waarbij de verdachte blijkbaar ook in geval van storingen in de werking ervan voor oplossingen moest zorgen. Het oordeel van het hof “dat onder de gegeven omstandigheden” ook het verrichten van opbouwwerkzaamheden ten behoeve van hennepkwekerijen, wetende dat het daarbij ging om de opbouw van hennepkwekerijen, moet worden aangemerkt als intellectuele en materiële bijdragen van substantieel gewicht, is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.7
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt over de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
3.2
Het hof heeft over de redelijke termijn overwogen:
“De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn gepleegd rechtvaardigen naar het oordeel van het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Wanneer voorts in aanmerking wordt genomen dat sinds het plegen van de feiten geruime tijd is verstreken, zou naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden een passende en geboden reactie vormen.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.
Met betrekking tot de redelijke termijn is na onderzoek van de zaak het volgende gebleken:
- de verdachte is op 14 mei 2013 in verzekering gesteld;
- op 7 augustus 2014 is door de rechtbank vonnis gewezen;
- op 21 augustus 2014 is namens de verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis;
- het dossier is op 17 december 2014 binnengekomen bij het hof;
- op 11 juli 2016 heeft een regiebehandeling in de onderhavige zaak en de zaken tegen medeverdachten in de mega […] plaatsgevonden. Hierna hebben op verzoek van de verdediging onderzoekshandelingen plaatsgevonden;
- de inhoudelijke behandeling van de mega […] heeft plaatsgevonden in de periode van 25 oktober 2021 tot en met 29 oktober 2021, waarna de formele sluiting van alle zaken heeft plaatsgevonden op 19 november 2021;
- dit arrest wordt gewezen op 3 december 2021.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn met ruim vijf jaren is overschreden in de procesfase die is gelegen tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van onderhavig arrest. Deze overschrijding is niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. Ook de verwevenheid met de zaken tegen de medeverdachten en de invloed daarvan op het procesverloop kunnen niet het gehele tijdsverloop verklaren.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn dan ook bij de strafoplegging in aanmerking nemen en om die reden een deel van de hiervoor overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 maanden, te weten 11 maanden, voorwaardelijk opleggen.”
3.3
In de schriftuur wordt geklaagd dat de berekening niet klopt. Omdat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond, had het hof moeten uitgaan van een redelijke termijn in hoger beroep van 16 maanden en niet van twee jaar. De overschrijding zou daardoor ongeveer zes jaar bedragen in plaats van ruim vijf jaar.
3.4
Bij de beoordeling van de klacht is het volgende van belang. [2] Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. De Hoge Raad kan alleen onderzoeken of het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. De zaak moet zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn of het instellen van het rechtsmiddel zijn afgerond met een einduitspraak. Indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, moet de zaak in de regel binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn of het instellen van het rechtsmiddel zijn afgerond met een einduitspraak.
3.5
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het uittreksel justitiële documentatie, waarnaar in de schriftuur wordt verwezen. Uit het uittreksel blijkt dat de verdachte zich weliswaar bij het instellen van het hoger beroep op 21 augustus 2014 in voorlopige hechtenis bevond, maar dat die voorlopige hechtenis al op 4 januari 2015 – en dus ongeveer 4,5 maand na het instellen van het hoger beroep – is beëindigd.
3.6
De Hoge Raad heeft eerder uitspraak gedaan in een vergelijkbare zaak. In die zaak had de verdachte van de ruim 26 maanden tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof ongeveer 21 maanden in vrijheid doorgebracht. De Hoge Raad vond niet onbegrijpelijk dat het hof was uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, die geldt als de verdachte in hoger beroep niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis heeft gezeten. [3] Dat lijkt mij dan ook te gelden in deze zaak, waarbij de verdachte van de gehele periode in hoger beroep slechts 4,5 maand niet in vrijheid heeft doorgebracht.
3.7
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1655, r.o. 2.3.1. Daar wordt verwezen naar HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.7 en 3.14-3.16.
3.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893, r.o. 3.4.