ECLI:NL:PHR:2023:1056
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep inzake medeplegen hennepkwekerij en bewijsgebruik getuigenverklaring
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het telen en aanwezig hebben van hennep en hasjiesj in een pand in [plaats]. Het cassatieberoep richt zich op twee middelen: de bewezenverklaring van medeplegen en het gebruik van een verklaring van een getuige die zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.
Het eerste middel betoogt dat de bewezenverklaring van medeplegen niet uit de bewijsmiddelen volgt. De Procureur-Generaal stelt dat hoewel het hof niet expliciet heeft overwogen dat sprake was van medeplegen, uit de bewijsmiddelen zoals de handpalmafdruk van de verdachte op een vacuümzak met hasjiesj, tapgegevens en getuigenverklaringen, wel degelijk kan worden afgeleid dat de verdachte als pleger betrokken was. De opgelegde straf is bovendien aanzienlijk lager dan het maximum, waardoor de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie.
Het tweede middel klaagt over het gebruik van de verklaring van een getuige die zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om de getuige te ondervragen, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Ook als dat niet zo zou zijn geweest, zou de verklaring slechts ondergeschikte betekenis hebben en het overige bewijs zwaarder wegen. De Procureur-Generaal acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en wijst het middel af.
De conclusie is dat geen gronden aanwezig zijn voor vernietiging van het arrest en het cassatieberoep dient te worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden blijft gehandhaafd.