00.16.36uur Inbraak zone 5
Zone 1: Betroffen magneet contacten die alleen melden wanneer de voordeur en/of de overheaddeur op normale wijze geopend worden. Van deze contacten is geen enkele melding binnen gekomen.
Zone 2: Zou zich rechts van de voordeur hebben bevonden, door verschil in diepte van de voorgevel en/of obstakels had deze PIR zeer waarschijnlijk geen zicht op het voorste deel van de ruimte, gezien vanaf de overheaddeur.
Zone 3: Bevond zich in het midden van de loods, dus gezien vanuit de richting van de roldeur, voorbij de laatst geparkeerde personenauto. Het detectiebereik van zone 3 zou door deze personenauto beperkt kunnen zijn. Dit houdt in dat deze PIR beweging achter de personenauto (dus tussen de personenauto en de overheaddeur) niet kon detecteren. De jerrycan werd aangetroffen in de loods tussen de overheaddeur en de personenauto.
Zone 4 : Bevond zich in een andere ruimte dan de loods.
Zone 5: De dakkoepel bevond zich volgens de omschrijving, gezien vanuit de richting van de overheaddeur, nabij de dakkoepels welke zich rechts achterin de loods bevonden. Het detectiebereik van deze PIR was zeer waarschijnlijk eveneens beperkt door de voornoemde personenauto.
Zone 6. Bevond zich aan de buitenzijde van het pand, voor de overheaddeur. Deze detector bevond zich ter hoogte van de deurklink van de loopdeur naast de overheaddeur (circa 80/90 centimeter hoogte vanaf het wegdek). Gezien het beperkte signaleringsgebied van zone 6, namelijk een enkele horizontale straal dichtbij het deurblad, bevond zich hieronder voldoende ruimte om bijvoorbeeld het onderste paneel te forceren. Deze duidelijk zichtbare detectoren, konden nog worden teruggevonden na de brand.
Alarmering 19 juni 2016
Zone 3 werd om 00:15:04 uur als eerste geactiveerd. Dit houdt in dat middenin de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd door de PIR. Dit kan onder andere zijn door de beweging van een persoon, maar ook door een warmteverschil door bij brand ontstane stralingshitte, vlammen en hete rookgassen.
Twee seconden na zone 3 werd ook zone 6 geactiveerd (tijdstip melding 00:15:06 uur). Deze AIR kan zijn geactiveerd doordat een persoon en/of een voorwerp de IR straal onderbrak, maar ook kan deze straal zijn onderbroken door rookgassen met daarin onverbrande roetdelen (dikke rook).
De aangetroffen jerrycan bevond zich het dichtst bij zone 6.
Voor het onderbreken van de AIR straal aan de buitenzijde van de overheaddeur kon ik binnen de context van het onderzoek twee aannemelijke scenario's bedenken.
Scenario 1: iets of iemand heeft zich op circa 80/90 centimeter hoogte, op een afstand van circa 10 centimeter vanaf de deur bevonden en de straal doorbroken, 2 seconden nadat binnen in de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd.
Scenario 2: hete rookgassen met onverbrande roetdelen (dikke rook) hebben deze straal doorbroken, 2 seconden nadat binnen in de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd.
Een onderdeel van scenario 2, namelijk het kunnen onderbreken van een AIR-straal met rook, werd door mij proefondervindelijk vastgesteld met rookdamp uit een E-smoker (elektrische sigaret) op een andere soortgelijke AIR installatie.
Indien scenario 2 waar is, zou dit de aanwezigheid van de aangetroffen jerrycan kunnen verklaren. Ik acht het namelijk mogelijk dat deze jerrycan van buitenaf tussen de overheaddeur en de binnen staande personenauto geplaatst kon worden door het verbreken dan wel verbuigen van het onderste kunststof paneel van de overheaddeur. Dit kan gedaan worden zonder een alarm te veroorzaken, middels het ontwijken van de eerste AIR-straal op 80/90 centimeter hoogte.
Indien zone 3 om 00:15:04 uur werd geactiveerd door een plotselinge brand in de loods terwijl de overheaddeur zich bevond in gesloten toestand met nog intact zijnde panelen, acht ik het niet waarschijnlijk dat deze brand zich binnen slechts 2 seconden zover zou hebben ontwikkeld dat hij om 00:15:06 uur al uitslaand was en zodoende de AIR-straal aan de buitenzijde van de overheaddeur kon onderbreken.
Mijn bevindingen passen beter wanneer er vuur is ontstaan ter hoogte van de vindplaats van de jerrycan, terwijl er op dat moment een open verbinding was tussen die locatie en de buitenlucht, zoals bijvoorbeeld een verbroken of weggebogen paneel in de overheaddeur. Dit vuur heeft de PIR in zone 3 kunnen activeren door direct opstijgende hitte en rookgassen van achter de personenauto. Kort daarop gevolgd door activatie van de AIR van zone 6 door uittredende rookgassen via een opening in de overheaddeur.
11. Een rapport Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 15 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door ing. F.W.N. van Rijswijk, NFI-deskundige brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek. Dit rapport houdt onder mee in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Vraagstelling
De vraagstelling van dit deelonderzoek, zoals opgenomen in het aanvraagformulier van 4 december 2019, luidt als volgt:
- Is er sprake van brandstichting?
- Bedenk mogelijke scenario's voor het ontstaan van de brand .
Betrek bij de evaluatie:
- het patroon van afgaan van de brandmelders;
- het patroon van de brandschade aan het bedrijf;
- de resultaten van de vergelijking van de benzineresten;
- de brandschade aan de kleding t.o.v. de locatie van de verwondingen bij verdachte.
De tijdlijn
Op basis van de verkregen informatie zijn de gebeurtenissen in het beginstadium van de brand bijeengebracht in de tijdlijn van tabel 3. De tijdlijn begint bij de registratie van de eerste alarmmelding van het inbraakalarm op 19 juni 2016. Het alarmsysteem werd op 18 juni 2016 om 17:06:03 uur ingeschakeld.
Tijd
Omschrijving gebeurtenis
00:15:04
Inbraakalarm zone 3 (= PIR midden loods)
00:15:06
Inbraakalarm zone 6 (= buitendetectie overheaddeur)
00:15:08
Inbraakalarm zone 2 (= PIR naast overheaddeur)
00:15:11
Inbraakalarm zone 4 (= PIR kantoor)
00:15:28
[D] belt naar politie Rotterdam Rijnmond t/m 00:17:13
00:16:36
Inbraakalarm zone 5 (= PIR dakkoepel)
00:17:21
[D] belt naar [betrokkene 2] t/m 00:18:03
± 00:18 - 00:20
Na telefoongesprek met [D] kan [betrokkene 2] geen verbinding krijgen met de beveiligingscamera's.
00:19:50
“Uitval BACKUP (pad 2) (DPR)” / “IP-uitval” geen alarmmeldingen meer naar [D] .
± 00:21
Politie ter plaatse
00:21:55
Brandweer ter plaatse
00:23
Horen veel knallen, mogelijk gasflessen, brand wordt aardig groot al
± 00:33
[betrokkene 2] komt ter plaatse en belt in zodat de rolhekken opengingen
Bevindingen visuele inspectie
De jerrycan [AAKW1866NL], zoals op 8 april 2020 nogmaals ontvangen op het NFI, was dubbel verpakt in brandzakken met een oververpakking van gewoon kunststof folie. Bij het openen van de verpakking werd een zeer sterke lucht van een petrochemische stof waargenomen. De jerrycan [AAKW1866NL] zelf bestond uit een brandrest in de vorm van een enigszins gebobbelde plak kunststof. Aan de bovenzijde zijn wat brandresten van ander materiaal met de kunststof van de jerrycan verkleefd. De onderzijde is redelijk schoon.
De brandrest is ongeveer 43 cm lang met een maximale lengte inclusief uitstekende delen tot circa 50 cm. De breedte is ongeveer 24 cm. In het midden over de lengte is een deelnaad te zien. Ook zijn er drie deelnaden overdwars aanwezig. Aan de linkerkant is een welving zichtbaar die qua vorm sterk overeenkomt met de voorzijde van een willekeurige stapelbare jerrycan. Nadat dit gedeelte was ontdaan van losse brandresten en gruis, werd een schenkopening zoals van een jerrycan zichtbaar. Ook de ribbels van de schroefdraad van de schenkopening zijn goed zichtbaar. In het midden van deze opening zijn de resten van wat lijkt op het handvat zichtbaar. Verder zijn in de kunststof nergens merktekens aangetroffen.
Tusseninterpretatie resultaten visuele inspectie
Uit het aantreffen van de oorspronkelijke schenkopening volgt dat de betreffende jerrycan zonder dop voorover heeft gelegen tijdens de brand. De schenkopening ligt dan vlak boven de vloer en de jerrycan, indien gevuld, loopt dan grotendeels leeg. Ook het aantreffen van de deelnaden in dwarsrichting, passen niet bij de bodem van een jerrycan maar juist wel bij de voorzijde. Jerrycans worden namelijk in grote aantallen en met verschillende inhouden geproduceerd. Het is dan mogelijk om met gelijkblijvende afmetingen en vorm van de bodem en de bovenzijde, een groter volume te bereiken door er enkel een segment tussen te plaatsen waardoor de jerrycan hoger wordt. Dit komt met name voor bij jerrycans van 20 en 25 liter, waarbij de 25 liter variant alleen in hoogte verschilt van de 20 liter versie. Het komt echter ook voor dat een 20 liter jerrycan een verlengde versie is van een 15 liter jerrycan.
De afmetingen van de brandrest zouden in principe kunnen passen bij een jerrycan met een oorspronkelijke inhoud van 15, 20 of 25 liter. Echter het aantreffen van de extra deelnaad op korte afstand van de onderste deelnaad, wijst op een verhoogde variant. Hieruit volgt dat jerrycan [AAKW1866NL] oorspronkelijk waarschijnlijk een inhoud van 20 of 25 liter had.
Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL]
De kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL], die werden aangetroffen bij het toegangshek van het bedrijfsterrein, werden op 6 juli 2016 ontvangen op het NFI voor onderzoek naar vluchtige brandbare stoffen en biologische sporen. Bij het onderzoek naar vluchtige brandbare stoffen werden in zowel de kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL] vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
De schoen [AAKW2863NL] betreft een rechter sportschoen. Met name aan de rechter zijkant zijn duidelijke sporen van verbranding en versmelting te zien. Op een aantal van de donkere plekken lijkt deels verbrand en/of gesmolten materiaal zich aan de tijk en de veters van de schoen gehecht te hebben.
Interpretatie van resultaten
Ontstaansgebied van de brand
Het bedrijfsverzamelgebouw als geheel beschouwend, zijn er twee bijzonder sterke aanwijzingen voor het ontstaansgebied van de brand in ruime zin. Ten eerste is dat de reeks alarmmeldingen van het inbraakalarmsysteem in het pand van [B] en ten tweede de bevindingen van de hulpdiensten die 6 à 7 minuten later ter plaatse kwamen en zagen dat de brand uit de opening van de overheaddeur naar buiten kwam. Hieruit volgt dat de brand in of direct bij de bedrijfsunit van [B] moet zijn ontstaan. De uitbreiding van de brand naar de naastgelegen bedrijfsunits en de explosie die in een bedrijfsunit plaatsvond, zijn logisch verklaarbaar als een gevolg van de bouwwijze van het bedrijfsverzamelgebouw en de windrichting.
Doordat de bedrijfsunit van [B] vrijwel geheel is uitgebrand, is er op basis van klassieke brandsporen zoals verschillen in inbranding en roetafzetting niet te herleiden waar in de bedrijfsunit de brand is begonnen. Echter, uit de eerder genoemde aanwijzingen (de reeks alarmmeldingen en de brand die in een vroeg stadium reeds door de overheaddeur naar buiten kwam) valt meer af te leiden dan enkel dat het in de bedrijfsunit van [B] is begonnen. De uitleg gaat het makkelijkst aan de hand van de tijdlijn van tabel 3. Wat opvalt is dat in 7 seconden vier detectoren geactiveerd worden. Achtereenvolgens zijn dat een bewegingsmelder in het midden van de loods, de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur en vervolgens de bewegingsmelders naast de overheaddeur in de loods en in het kantoor.
In het geval dat er enkel en alleen ergens brand in de loods ontstaat in een verder geheel afgesloten pand, is het heel vreemd dat de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur in dat tijdsbestek geactiveerd wordt. Deze detectie bestaat uit infrarood lichtstralen die op twee verschillende hoogten horizontaal langs de buitenzijde van de overheaddeur schijnen. De detectie wordt geactiveerd als een van deze lichtstralen wordt onderbroken door een object of door rook. Als er rook door een kier in de overheaddeur naar buiten komt, zou dat de buitendetectie kunnen activeren. Echter, de rook bij een brand in een pand trekt vooral omhoog en komt dan ergens door kieren rond het dak naar buiten. Bij het grote volume van het bedrijfspand is een relatief grote en plotseling optredende brand nodig om voldoende drukopbouw te krijgen dat ook rook door lager gelegen kieren naar buiten wordt geperst.
Daarnaast is de activatie van de bewegingsmelder in het kantoor in een dergelijke korte tijd bijzonder. In het geval van inbraak, zou iemand in zeer korte tijd door de loods heen de trap op moeten lopen en de deur van het kantoor forceren. In het geval van brand kan een bewegingsmelder ook geactiveerd worden. Een bewegingsmelder reageert namelijk op een zich verplaatsende warmtebron en een vuur dat opeens ontstaat, en flakkerende vlammen zijn ook bewegende warmtebronnen. In het geval van de bewegingsmelder in het kantoor, is echter nog een scheidingswand met glazen ruiten aanwezig tussen deze bewegingsmelder en de brand in de loods. De warmtestraling wordt voor een deel door de glazen ruiten in deze scheidingswand tussen het kantoor en de loods tegenhouden. Een bewegingsmelder zal niet snel reageren op een mens die aan de andere kant van een ruit beweegt. De warmte die een mens afgeeft is daarvoor te gering. Een brand geeft echter zoveel warmte af, dat er voldoende straling door de ruit heen zal kunnen komen om de bewegingsmelder in het kantoor wel te activeren.
Het activeren van zone 5 (dakkoepel) van het inbraakalarm ongeveer 1,5 minuut na de eerste vier alarmen, is lastig te interpreteren. Met name omdat onduidelijk is waar die nu precies aanwezig was en welk gebied binnen het detectiebereik lag. Gegeven de beschrijving ‘dakkoepel’, zou het duiden op een bewegingsmelder die hoog in de ruimte is aangebracht en dan zodanig dat die kan detecteren of iemand door een dakkoepel naar binnen komt. Een brand, waarbij uiteraard hete rook vrijkomt die zich onder het dak begint op te hopen, zou een dergelijke bewegingsmelder ook na verloop van tijd kunnen activeren.
Binnen 5 minuten na het ontstaan van de eerste alarmmeldingen verloor het inbraakalarm de verbinding met de particuliere alarmcentrale en konden de eigenaren van [B] geen verbinding meer krijgen met het systeem van de beveiligingscamera's. Dit is goed verklaarbaar als het internetmodem uitvalt, bijvoorbeeld door het wegvallen van de netspanning. Een minuut later ziet de inmiddels ter plaatse gekomen politie een uitslaande brand uit de opening van de overheaddeur. Het is daarbij heel aannemelijk dat dan al delen van elektrische installatie zover zijn aangetast dat daardoor bepaalde delen van het pand spanningsloos werden. Om in ongeveer 6 minuten na de eerste alarmmeldingen een uitslaande brand uit de opening van de overheaddeur te krijgen, moet de brand in de directe nabijheid van deze overheaddeur zijn ontstaan en ook snel tot ontwikkeling zijn gekomen.
Het ontstaan van de brand
In het ontstaansgebied van de brand in enge zin, te weten de directe nabijheid van de overheaddeur, waren twee mogelijke bronnen van brandbaar materiaal aanwezig. Enerzijds is dat de auto die als laatste naar binnen was gereden en met de achterzijde dicht achter de overheaddeur stond. Anderzijds is dat jerrycan [AAKW1866NL] die tussen de achterzijde van de auto en de overheaddeur werd aangetroffen en waarvan in de brandresten vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine zijn aangetoond.
In principe is het mogelijk dat in een stilstaande geparkeerde auto spontaan brand ontstaat. Het is daarbij ook mogelijk dat indien de brand bijvoorbeeld in of onder het dashboard ontstaat, dat de brand zich eerst in het interieur van de auto ontwikkelt zonder dat de bewegingsmelders van het inbraakalarmsysteem dit detecteren. Die zouden pas kunnen reageren als de brand, door het breken van een autoruit, opeens uit de auto komt. Vanaf dat moment kan de brandontwikkeling van een auto zeer snel gaan en een patroon van inbraakmeldingen geven zoals gezien in de tijdlijn. Echter met één uitzondering en dat is de activatie van de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur. Het is niet te verwachten dat er bij een gesloten overheaddeur rook door lager gelegen kieren naar buiten wordt geperst.
Van jerrycan [AAKW1866NL] kan worden vastgesteld dat dit waarschijnlijk een standaard stapelbare jerrycan is geweest 20 à 25 liter. Daarnaast kon worden vastgesteld dat jerrycan [AAKW1866NL] zonder schroefdop en voorover gekanteld heeft gelegen tijdens de brand. Daarnaast werden in de resten van jerrycan [AAKW1866NL] vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine. Dat is op zich niet heel bijzonder om aan te treffen in een autoverhuurbedrijf, maar het zonder dop voorover liggen tijdens de brand is dat wel.
Daarnaast zijn er nog drie andere brandsporen waarbij mogelijk een relatie bestaat met het ontstaan van de brand :
a. Brandrest [AAKW1868NL] tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
b. Brandend materiaal op de straat een eind richting het toegangshek.
c. Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
Ad a. Brandrest [AAKW1868NL] tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
In brandrest [AAKW1868NL] die bestond uit grond van uit de voegen tussen de betonplaten voor de overheaddeur werden vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine aangetoond. Dit brandmonster werd op die bewuste plek genomen op aangeven van een brandhond en door meting met een elektronisch detectieapparaat voor vluchtige organische stoffen. Het is opvallend dat deze plek exact ter hoogte is gelegen van waar aan de binnenzijde van de overheaddeur jerrycan [AAKW1866NL] werd aangetroffen. In het scenario waarbij een met motorbenzine gevulde jerrycan zonder schroefdop voorover wordt gelegd, zal de motorbenzine zich daar over de vloer verspreiden. Normaal gesproken loopt een drempel naar buiten toe af om ervoor te zorgen dat regenwater niet naar binnen stroomt. Het is dan ook zeer aannemelijk om ter hoogte van de plek waar de jerrycan ligt, aan de buitenzijde van de overheaddeur motorbenzine aan te treffen als die tot over de drempel in de grond tussen de voegen van de betonplaten is gelopen.
Een andere verklaring voor het aantreffen van motorbenzine in brandrest [AAKW1868NL] wordt gegeven door zowel de politie als [betrokkene 5] en is gelegen in het feit dat bij het verwijderen van de uitgebrande auto's bleek dat van een aantal de brandstoftank lek was. Drijvend op het bluswater zou dan ook motorbenzine daar op die plek voor de overheaddeur terecht kunnen zijn gekomen. Als dit het geval is, dan moet de motorbenzine uit de lekkende brandstoftanks van de voertuigen daarbij ook langs jerrycan [AAKW1866NL] zijn gestroomd.
Ad b. Brandend materiaal op de straat een eind richting het toegangshek.
Door zowel de politie als de brandweer, die in een vroeg stadium van de brand ter plaatse kwamen, werd enig brandend materiaal gezien dat op de straat lag. Het betreffende brandende materiaal is nog op een foto te zien die door een persfotograaf werd gemaakt. Op deze foto is ook te zien dat het rolhek open staat en dat de brandweer achter dit geopende hek bezig is met het blussen van de brand in de bedrijfsunit van [B] . Gegeven het feit dat het hek pas werd geopend nadat [betrokkene 2] ter plaatse kwam, moet deze foto tenminste 18 minuten na de eerste reeks alarmmeldingen van het alarmsysteem zijn genomen. Het materiaal heeft dan een aanzienlijke tijd zelfstandig op straat liggend kunnen branden. Het is goed mogelijk dat het daarbij vrijwel is opgebrand en dat aan de brandresten moeilijk te zien is wat voor materiaal het is geweest.
Het is hoe dan ook opmerkelijk dat daar op straat iets ligt te branden en dan ook gedurende een langere tijd, terwijl even verderop een gebouw in brand staat. Dit is niet te verklaren als iets dat tijdens de brand werd weggeslingerd. Dan zou het voor de opening van de overheaddeur zijn aangetroffen en niet op zo'n afstand (tegen de windrichting in) naar de zijkant.
Ad c. Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
Zowel in kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL] zijn vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine aangetoond. Daarnaast bleken de resultaten van het vergelijkend motorbenzine onderzoek waarschijnlijker als de motorbenzine in kleding [AAKW2862NL], schoen [AAKW2863NL] en jerrycan [AAKW1866NL] afkomstig zijn van dezelfde bron dan als ze afkomstig zijn van een verschillende bron. Dit geeft veel steun voor het scenario dat kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] voorafgaande aan de brand in contact zijn gekomen met de motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL] en vervolgens van elkaar zijn gescheiden waarbij de jerrycan in het pand achterbleef en de kleding en schoen bij het toegangshek terecht zijn gekomen.
Uit de resultaten van het vergelijkend motorbenzine onderzoek volgt ook dat de motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL], zoals die na de brand daarin werd aangetoond, nauwelijks in samenstelling is veranderd. Dit is heel moeilijk te verklaren als tijdens het blussen van de brand er motorbenzine, eventueel ook nog gemengd met diesel, uit de lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand, drijvend op het bluswater richting de overheaddeur zou zijn gestroomd. Dan is het namelijk te verwachten dat dan ook de jerrycan [AAKW1866NL] daarmee gecontamineerd zou worden en daarmee af zou gaan wijken in samenstelling ten opzichte van de motorbenzine die is aangetoond in kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW28-63NL].
De aanwijzing dat de motorbenzine, die is aangetoond in jerrycan [AAKW1866NL], niet is gecontamineerd met op het bluswater drijvende brandstoffen uit de voertuigen in het pand, vormt ook een sterke aanwijzing dat de motorbenzine, die is aangetoond in brandmonster [AAKW1868NL] van tussen de betonplaten voor de overheaddeur, niet afkomstig is van met het bluswater meegevoerde autobrandstoffen. Als dat namelijk wel het geval zou zijn, zouden er zoveel autobrandstoffen met het bluswater over de drempel van de overheaddeur zijn gestroomd, dat dan ook te verwachten is dat de brandrest van jerrycan [AAKW1866NL] daarmee gecontamineerd zou zijn. Dit, samen met de bevindingen dat jerrycan [AAKW1866NL] tijdens de brand zonder dop voorover heeft gelegen en de korte afstand tussen de jerrycan [AAKW1866NL] en de plaats waar het brandmonster [AAKW2868NL] werd genomen, past veel beter bij een scenario waarbij er een hoeveelheid motorbenzine uit de jerrycan is gestroomd en over de drempel van de overheaddeur naar buiten is gestroomd, dan dat de motorbenzine voor de overheaddeur daar terecht is gekomen door op bluswater meegevoerde autobrandstoffen uit lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand.
Resumé ontstaan van de brand
De bevindingen die bij dit brandtechnisch onderzoek worden beschouwd zijn:
- De snelle opeenvolging en volgorde van alarmmeldingen van het inbraakalarmsysteem.
- De buitendetectie van de overheaddeur die daarbij ook geactiveerd werd.
- Dat binnen zes minuten na de opeenvolging van alarmmeldingen, de brand reeds vol uit de deuropening van de overheaddeur naar buiten kwam.
- Het aantreffen van jerrycan [AAKW1866NL] tussen de achterzijde van de auto en de overheaddeur.
- Dat jerrycan [AAKW1866NL] zonder schroefdop voorover, heeft gelegen tijdens de brand.
- Dat jerrycan [AAKW1866NL] oorspronkelijk een inhoud van 20 à 25 liter moet hebben gehad.
- De aanwezigheid van motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL].
- De aanwezigheid van motorbenzine in brandrest [AAKW2868NL] van tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
- Het aantreffen van brandend materiaal op de straat een eind opzij van de overheaddeur in de richting van het toegangshek.
- Het aantreffen van kleding [AAKW2862NL] en een schoen met brandsporen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
- De aanwezigheid van motorbenzine in kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL].
- De bevindingen van het motorbenzine vergelijkend onderzoek die waarschijnlijker zijn als de motorbenzine in kleding [AAKW2862NL], schoen [AAKW2863NL] en jerrycan [AAKW1866NL] van een gelijke bron afkomstig zijn, dan dat ze een verschillende bron hebben.
Al deze bevindingen zijn volledig en logisch verklaarbaar in een scenario waarbij de overheaddeur werd geforceerd waardoor er een gat in ontstond of deze deels geopend werd, er een jerrycan met een aanzienlijke hoeveelheid motorbenzine achter deze overheaddeur zonder schroefdop voorover werd neergelegd, waardoor de motorbenzine over de vloer en de drempel van de overheaddeur begon uit te vloeien, de motorbenzine is ontstoken waarbij de opeenvolgende alarmmeldingen van het inbraakalarm ontstonden, er brandende delen en met de motorbenzine in contact gekomen kleding en schoen op de vluchtroute richting het toegangshek werden achtergelaten, de brand zich in het pand intussen snel kon ontwikkelen waarbij de ter plaatse gekomen hulpdiensten korte tijd later een uitslaande brand uit de overheaddeur zagen, de kleding en schoen bij het toegangshek aantroffen en ook het op de straat brandende materiaal.
Het is niet gelukt een ander scenario voor het ontstaan van de brand te bedenken waarbij al deze bevindingen, vooral in samenhang met elkaar, verklaard kunnen worden. Dit sluit echter het bestaan van een dergelijk ander scenario niet geheel uit. Derhalve wordt geconcludeerd dat de bevindingen van het brandtechnisch onderzoek zeer veel steun geven voor de hypothese dat de brand door brandstichting is ontstaan dan als de brand op een andere manier is ontstaan.
Brandschade kleding en verwondingen bij verdachte
Een beschouwing tussen kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] enerzijds en de verwondingen bij verdachte anderzijds, veronderstelt dat de kleding en de schoen door verdachte werden gedragen op het moment dat beide in aanraking kwamen met een brandproces. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn. De sporen op de kleding en de schoen kunnen ook los van de verwondingen bij verdachte zijn ontstaan. Bij die beoordeling spelen veel meer dan alleen brandtechnische aspecten een rol. Daarom is de vergelijking tussen de brandschade op de kleding en schoen en de verwondingen bij verdachte niet meegenomen in de beantwoording van de vraag hoe de brand is ontstaan. Toch zijn er brandtechnische aspecten aan deze vergelijking die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de zaak als geheel en dan met name voor de weging van hypothesen die betrekking hebben op een eventueel verband tussen de verdachte en de brand.
Van kleding [AAKW2862NL] kon niet worden vastgesteld of, en zo ja, waar deze kleding in contact is geweest met een brandproces. Hierdoor is zowel in het algemeen als in het specifieke geval met betrekking tot de verwondingen bij verdachte, geen nadere duiding mogelijk. Van schoen [AAKW2863NL] is de aantasting door brand maar zeer beperkt. De schoen heeft dan ook nauwelijks zelf in brand gestaan. Echter, dit sluit niet uit dat de broek van de drager van de schoen in brand stond. Op het moment dat als eerste de schoen wordt uitgetrokken om uit een brandende broek te kunnen stappen, kan de brandende broek leiden tot brandwonden bij de drager ervan zonder dat de schoen verder door de brand wordt aangetast.
Uit de letselbeschrijving blijkt dat bij verdachte oppervlakkige brandwonden aan beide handen, de rechter pols en aan de voorzijde van de rechter enkel werden vastgesteld. Deze verwondingen kunnen niet direct verklaard worden door de sporen op zowel kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL]. Echter, op grond van de beperkte brandschade op schoen [AAKW2863NL] kan niet worden geconcludeerd dat verdachte deze schoen niet heeft gedragen. De sporen op schoen [AAKW2863NL] en de brandwond op de enkel van verdachte, zijn immers ook verklaarbaar indien de verdachte een broek droeg die in brand stond.
Conclusie
De bevindingen die in het brandtechnisch onderzoek worden beschouwd zijn zeer veel waarschijnlijker als de brand is ontstaan door brandstichting dan als de brand op een andere manier is ontstaan.
Verbale term Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk 1-2
Iets waarschijnlijker 2-10
Waarschijnlijker 10-100
Veel waarschijnlijker 100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
12. Een rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting gepleegd in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met bijbehorende bijlage, d.d. 19 augustus 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. C. van Kooten, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AAKW2862NL#01 bemonstering van de binnenzijde van de kraag van een T-shirt
AAKW2863NL#01 bemonstering van de instapopening van de schoen
Resultaten, interpretatie en conclusie
In Tabel 1 staat vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn.
Tabel 1 Resultaten interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
SIN
Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans DNA-profiel
AAKW2862NL#01
T-shirt
DNA-profiel van een man
[verdachte] (zie ‘DNA-databank’)
kleiner dan 1 op 1 miljard
AAKW2863NL#01
Schoen
DNA-profiel van een man
[verdachte]
kleiner dan 1 op 1 miljard
DNA-databank
Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAKW2862NL#01 is op 17 augustus 2016 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte] RAAR0947NL. Dit betekent dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte] .
13. Een proces-verbaal Letsel verdachte d.d. 16 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zondag 16 oktober 2016 omstreeks 11.00 uur werd door [betrokkene 6] , Farr-arts te Rotterdam, met schriftelijke toestemming van de verdachte;
[verdachte] ,
geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
mogelijk door de verdachte opgelopen letsel bekeken. Ik was daarbij aanwezig.
Het ging om letsel op de rechtervoet van de verdachte en op de bovenzijde van beide handen.
Het (het hof begrijpt:
letsel op de rechtervoet), was brandletsel.
Voornoemde Farr-arts maakt omtrent dit onderzoek een rapportage op.
Voornoemde Farr-arts gaf mij aan dat;
- het letsel op de rechtervoet soortgelijk is aan de letsels op beide handen
- dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het letsel op de voet 6 jaar geleden is ontstaan, dat is te lang geleden. Dit letsel is ook niet heel recent.
14. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring inhoudende de medische informatie/letselbeschrijving met betrekking tot. de verdachte [verdachte] d.d. 21 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door de arts [betrokkene 6] . Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze arts:
Aan de rechter voet, op de grens met onderbeen, voorzijde, bevindt zich een rozekleurige stervormige huidverkleuring +/- 1,5 bij 1 cm. De rand eromheen is donkerbruin, de breedte van de rand is +/- 0,3 cm.
Op de linker handrug, naast duim, in verticale richting is een ovaalvormige roze huidverkleuring + /- 1,3 bij 2 cm. Er omheen is een donkere bruine rand +/- 0,5 cm. Aan onderkant, richting handknokkels is een ronde roze huidverkleuring +/- 0,3-0,5 cm.
Op de rechter handrug, van duimwortel richting tweede vinger, verticaal is een S vormige roze huidverkleuring +/- 0,5-1,5 bij 4,3 cm. Roze verkleuring bij duimwortel is smaller +/ 0,3cm, die loopt door met een verbreding tot +/- 1,5 cm richting tweede vinger.
Op de duim is een E vormige roze huidverkleuring +/- 1,3 bij 0,7 cm.
Op de handknokkels van tweede en derde vinger zijn ronde rooskleurige huid veranderingen zichtbaar +/- 0,3 bij 0,3 cm en 1 bij 0,5 cm.
Deze roze huidverkleuringen hebben een donkerbruine rand +/- 0,3-0,5 cm breed.
De veranderingen op de huid kunnen passen bij hypopigmentatie (huidskleur vermindering) van huid bij littekenvorming na oppervlakkige brandverwondingen. De roze verkleuring van huid en zichtbare donkere randen rondom deze verkleuringen kunnen passen bij genezingsproces en consolidatie (samenvoeging) van huid bij ondiepe brandverwondingen.
15. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op dinsdag 25 oktober 2016 heeft, met machtiging van de rechter-commissaris, een doorzoeking plaatsgevonden in een woning aan de [g-straat 1] te [plaats] . Dit betreft de woning van de ouders van de verdachte, echter heeft deze verklaard in die woning onder andere nog kleding te hebben liggen. Tijdens deze doorzoeking is een doosje met medicijnen met daarbij verbandgazen aangetroffen. De medicijnen zijn afgegeven op naam van de verdachte en draagt de naam Amoxicilline/Clavulaanzuur Sandoz. In het doosje zaten nog 2 pillen.
Volgens de sticker zijn deze medicijnen op 20/06/2016 door dokter [betrokkene 7] afgegeven aan de verdachte door apotheek [F] te [plaats] .
Opgemerkt wordt dat de medicijnen een dag na de brand zijn afgegeven. Na een zoekslag op het internet naar ‘dokter’ en ‘ [betrokkene 7] ’ kreeg ik als resultaat Dokter [betrokkene 7] , huisartsenpraktijk [betrokkene 7] gevestigd aan de [h-straat 1] , [plaats] .
Hierop heb ik bij de Forensische artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) de volgende vraagstelling (inclusief inleiding) gedaan:
‘In verband met een onderzoek naar een grote brandstichting (…) is een doorzoeking bij de verdachte gedaan. Daar zijn medicijnen in beslaggenomen die een dag na de brandstichting zijn uitgegeven op naam van de verdachte. Aangezien hij brandwonden heeft, waarvoor hij bijna zeker behandeld moet zijn, is de vraag of naar aanleiding van de naam, dan wel soort, aangegeven kan worden waarvoor deze medicijnen gebruikt/gegeven worden.’
Hierop is door dr. P.M.P. van Dorst, het volgende geantwoord:
‘De
medicijnen (amoxicilline/clavulaanzuur) betreffen antibiotica die vaak gegeven worden bij infecties, dan wel preventief gegeven worden bij een verhoogde kans op infecties.
Het is zeer goed mogelijk dat een dergelijke antibioticakuur verstrekt wordt aan iemand met forse letsels van de huid, zoals brandwonden, met een daarbij passend verhoogd risico op infecties.’
16. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 november 2017 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het klopt dat ik een dag na de brand contact heb opgenomen met een huisarts in Dordrecht.
Het klopt dat de politie bij mij thuis verbandgazen en medicijndoosjes heeft gevonden. Er zaten nog twee tabletten tegen infecties in.
Ik ben inderdaad op 20 juni niet gaan werken. De ontstekingen waren te erg.
17. Een rapport Forensisch geneeskundig onderzoek naar aanleiding van een brandstichting op 19-06-2016 in [plaats] van het Nederlands. Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 3 februari 2017, opgemaakt en ondertekend door H.N.J.M. van Venrooij, NFI-deskundige Forensische Geneeskunde. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas, van deze deskundige:
Deze is in de onderzoekaanvraag als volgt geformuleerd:
Hypothese 1a: het letsel aan de voet is circa 6 jaar geleden ontstaan, op een niet nader omschreven wijze.
Hypothese 1b: het letsel aan de handen is op een niet nader omschreven tijdstip, maar in ieder geval eerder dan op 19-06-2016, ontstaan door blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat.
Hypothese 2: de letsels zijn op 19-06-2016 ontstaan, door blootstelling aan open vuur/hitte via brandende kleding/schoeisel, al dan niet in combinatie met een brandende en/of hete vloeistof.
En rapporteer vervolgens de waarschijnlijkheid van onderzoeksresultaten in de combinaties: hypothese 1a/hypothese 2 en hypothese 1b/hypothese 2.
Onderzoek van het beschikbare fotomateriaal
Foto 1 en foto 2 zijn overzichtsopnamen van een deel van de onderarmen, de polsen en de handen. Aan de buig- en strekzijde van de rechterpols en plaatselijk op beide handruggen zijn diverse scherp begrensde, roze huidverkleuringen zichtbaar die zijn aangeduid met drie paarse pijlen.
Aan de buig- en strekzijde van de rechteronderarm is een gebied zichtbaar waarin de huid donkerder is gekleurd dan de huid in de omgeving. Dit gebied is aangeduid met de twee gele pijlen. Naar elleboogwaarts is de begrenzing onscherper dan naar polswaarts.
A. Foto 3 toont de buigzijde van de rechterpols meer in detail. Daar bevindt zich een roze huidverkleuring met een scherpe, vrijwel rechte lijnvormige begrenzing naar polswaarts, en een golvend verlopende begrenzing naar elleboogwaarts. Daar zijn tevens enkele kleine, eveneens scherp begrensde, roze huidverkleuringen zichtbaar. De oriëntatie van de polswaartse begrenzing van de roze huidverkleuring is dwars ten opzichte van de lengteas door de onderarm. Naar pinkwaarts is er een versmalling tot een breedte van circa 0,5 cm die is aan geduid met de groene pijlen (foto 3 en foto 4).
In het gebied met roze huidverkleuring bevinden zich twee dunne, evenwijdige, streepvormige, lichtrode huidverkleuringen. Deze verlopen parallel ten opzichte van de lengteas door de onderarm en zijn aangeduid met de twee zwarte pijlen.
B. Polswaarts van de roze huidverkleuring (A) is een tamelijk scherp begrensd bandvormig, donkerder gebied zichtbaar op de overgang naar de omgevende huid, dat is aangeduid met de rode pijl. Dit smalle bandvormige gebied zet zich elleboogwaarts voort in het gebied met donkere huidverkleuring zoals eerder vermeld. Naar de elleboog toe gaat deze donkere huidverkleuring tamelijk geleidelijk over in de omgeving.
Foto 4 toont de strekzijde van de rechterpols meer in detail. Met twee blauwe pijlen is de tamelijk scherpe, dwars georiënteerde polswaartse begrenzing van het gebied met donkere huidverkleuring (B) aangeduid. Tevens is te zien dat er plaatselijke, onscherp begrensde gebieden zijn waar de huid nog donkerder is en waar het patroon van de huidlijnen grover is dan in de directe omgeving, met overigens aanwezige beharing. Twee van dergelijke gebieden zijn aangeduid met de witte pijlen.
Foto 5 is een overzichtsopname van het duimwaartse deel van de rechterhandrug, foto 6 toont het gebied polswaarts van het basisgewricht van de wijsvinger en de duim meer in detail.
C. Hier is een tamelijk ovale roze huidverkleuring van maximaal circa 2,5 cm bij 1,2 cm zichtbaar. Deze heeft een oriëntatie die evenwijdig is aan de lengteas door de wijsvinger. De begrenzing met de omgeving is scherp, met een wat golvend verloop. Het dichtst bij de wijsvinger is een kleine ronde uitbreiding zichtbaar waarin zich een eilandvormige huidpigmentatie bevindt, aangeduid met de rood-witte pijl. De directe omgeving van deze roze huidverkleuring is over een breedte van circa 0,5 cm donkerder dan de omgevende huid, en gaat daarin geleidelijk over.
Foto 7 is een overzichtsopname van het duimwaartse deel van de linkerhandrug, foto 8 toont het gebied tussen de basisgewrichten van de duim en van de wijsvinger meer in detail.
D. Aan de pinkwaartse zijde van het basisgewricht van de duim, aangeduid met de blauw-witte pijlen (foto 7 en foto 8), bevindt zich een grillig gevormde roze huidverkleuring van maximaal circa 1,0 cm bij 0,7 cm. De begrenzing is scherp, met een golvend verloop en de directe omgeving is plaatselijk donkerder, met een geleidelijke overgang naar de omgevende huid.
Foto 9 toont het gebied tussen de basisgewrichten van de duim en van de wijsvinger meer in detail.
E. Aan de polswaartse zijde van het basisgewricht van de wijsvinger, aangeduid met de zwart-witte pijlen (foto 7 en foto 9), bevindt zich een langgerekte roze huidverkleuring van maximaal circa 4,5 cm bij 1,5 cm die de contouren van dit basisgewricht volgt. De oriëntatie is evenwijdig aan de lengteas door de wijsvinger. De begrenzing van deze roze huidverkleuring is scherp, met een golvend verloop. Naar polswaarts is er een smalle uitloop van maximaal circa 0,2 cm breed, die eindigt in een rond gebied met een doorsnede van circa 0,4 cm. Dit is aangeduid met de rood-zwarte pijl. De directe omgeving van deze roze huidverkleuring is plaatselijk, over een breedte van maximaal circa 0,5 cm, donkerder dan de omgevende huid, en gaat daarin geleidelijk over.
F. Voorbij het basisgewricht van de wijsvinger is een tamelijk ovale, donkerrode huidverkleuring met een maximale doorsnede van circa 0,5 cm zichtbaar. Deze is op foto 7 aangeduid met de grijs-witte pijl.
G. Zoals in detail afgebeeld op foto 10 is aan de duimwaartse zijde van het basisgewricht van de linkermiddenvinger een roze huidverkleuring zichtbaar van maximaal circa 1,0 cm bij 0,5 cm. Deze is aangeduid met de groen-witte pijlen (foto 7 en foto 10). De begrenzing naar de iets donkerdere omgeving is scherp, en deze overgangszone gaat geleidelijk over in de omgevende huid.
H. Ter plaatse van de overgang van de middelvinger naar de ringvinger op de handrug is, aangeduid met de paars-witte pijl (foto 10), een puntvormige roze huidverkleuring te zien. Naar de omgevende huid toe is er een iets donkerder gekleurde overgangszone.
Foto 11 is een overzichtsopname van de strekzijde van de rechtervoet en -enkel, foto 12 toont de voorzijde van de rechterenkel meer in detail.
I. In dat gebied is een grillig gevormde roze huidverkleuring van maximaal circa 1,5 cm bij 0,8 cm zichtbaar. De begrenzing is scherp en heeft een golvend verloop. In de directe omgeving is een donkerder gekleurde, onscherp begrensde overgang naar de omgeving zichtbaar. De breedte daarvan varieert van enkele millimeters tot maximaal circa 1,0 cm in hoofdwaartse richting.
Interpretatie
De scherp begrensde roze huidverkleuringen aan de buigzijde van de rechterpols (A), op de duimzijde van de rechterhandrug (C), op de linkerhandrug (D, E, G, H) en aan de voorzijde van de rechterenkel (I) passen, gezien de combinatie van centrale gebieden met ontbreken van huidpigmentatie (‘depigmentatie’) met daar omheen gelegen overgangszones van donkerdere huidverkleuringen door toegenomen huidpigmentatie ('hyperpigmentatie'), en het ontbreken van meer of minder uitgebreide littekenvorming (‘contracturen’) bij grotendeels genezen, relatief oppervlakkige brandwonden. Gezien de roze kleur van de centrale gedepigmenteerde gebieden wordt de leeftijd van alle beschreven letsels geschat op weken tot enkele maanden. Indien deze brandwonden veel ouder zouden zijn, in de orde van grootte van vele maanden tot jaren, zouden de gebieden met depigmentatie geheel ontkleurd, en daarom wit zijn. In dit verband wordt, mede gelet op de voorliggende vraagstelling, opgemerkt dat de diverse letsels, in het bijzonder de brandwonden aan de rechteronderarm en aan de handen en de brandwond aan de rechterenkel niet gelijktijdig en/of bij dezelfde gelegenheid ontstaan hoeven te zijn, maar dat de geschatte ouderdom van deze letsels gezien de beschreven wondkenmerken wel in dezelfde orde van grootte van weken tot enkele maanden ligt.
De afgeronde, deels golvende begrenzingen van deze huidverkleuringen ten opzichte van de intacte huid in de omgeving kunnen in algemene zin verklaard worden door verbrandingen die zijn ontstaan door plaatselijk inwerkingen van een hete en/of brandende vloeistof op het lichaam. Het al dan niet bedekt zijn van (delen van) het lichaam door kleding en de mogelijke invloed daarvan op de uiteindelijk resulterende letsels dient bij het duiden van deze brandwonden in aanmerking te worden genomen.
Het deels gegroepeerd, maar ook los van elkaar voorkomen van letsels van diverse afmetingen op de beide handruggen (C, D, E, G en H), de rechterpols (A) en de rechterenkel (I) kan in dit verband (mede) verklaard worden door blootstelling aan spatten (‘splashing stains’) van/met een dergelijke vloeistof.
De onder F beschreven donkerroze en tamelijk ronde huidverkleuring aan de strekzijde van de linkerwijsvinger past bij een grotendeels genezen, echter minder diepe brandwond die eveneens door spatten kan zijn ontstaan.
De lijnvormige en scherpe afgrenzing van de roze huidverkleuring (A) aan de polswaartse zijde daarvan kan, in combinatie met het smalle verloop naar de pinkzijde van de pols, worden verklaard door de inwerking van hitte door uitvloeien van een hete en/of brandende vloeistof langs een bandvormig object of (deel van een) kledingstuk rondom die pols (‘running off stains’). De onder E beschreven smalle uitloper met het bredere ronde uiteinde op de linkerhandrug kan, in combinatie met de langgerekte vorm van de huidverkleuring en het verloop langs de contour van het basisgewricht van de wijsvinger, eveneens worden verklaard door verbranding met een dergelijke uitvloeiende hete en/of brandende vloeistof.
De onder B beschreven gebieden van donkere huidverkleuring rondom de rechterpols en -onderarm, met in het bijzonder aan de strekzijde plaatselijk intensere huidverkleuringen, kunnen worden verklaard door plaatselijke toename van pigment als gevolg van relatief oppervlakkige en/of kortdurende blootstelling aan hitte (‘flame pattern’). Door een dergelijke blootstelling aan hitte kan ook de beschreven plaatselijke vergroving van het patroon van huidplooien aan de strekzijde van de rechteronderarm worden verklaard.
De twee onder A beschreven dunne, evenwijdige, streepvormige, lichtrode huidverkleuringen in de roze huidverkleuring aan de buigzijde van de rechterpols berusten mogelijk op een schaduweffect door de contour van op die locatie dicht onder de huid gelegen buigpezen van de hand en vingers. Daarnaast kunnen plaatselijke variaties in het (vorderende) genezingsproces een verklaring zijn voor deze lijnvormige kleurverschillen.
Thermische geweldsinwerkingen en letsel in het licht van de hypotheses
Op basis van hetgeen is vermeld over de kenmerken van de letsels zoals beschreven onder A tot en met I passen deze bij grotendeels genezen brandwonden van weken tot maanden oud. Deze kunnen worden verklaard door plaatselijke inwerkingen van thermisch geweld in de vorm van al dan niet spattende hete en/of brandende vloeistof op diverse plaatsen op het lichaam, al dan niet in combinatie met effecten van ten tijde van deze geweldsinwerkingen gedragen kleding/schoeisel.
De thermische geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden op de rechterpols (A) en rechteronderarm (B), de rechterhandrug (C), de linkerhandrug (D t/m H) en de voorzijde van de rechterenkel (I). Hoewel theoretisch op basis van de wondkenmerken niet kan worden bepaald of deze letsels gelijktijdig zijn ontstaan of dat één of meer van deze letsels op (één of meer) andere momenten zijn ontstaan, is het aannemelijk dat de letsels die kunnen worden verklaard door (spatten met) een hete en/of brandende vloeistof op de strekzijde van de hand(en), in het bijzonder de letsels beschreven onder C t/m H, gelijktijdig ontstaan zijn. Daarmee blijft de mogelijkheid aanwezig dat het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I) op een ander moment is ontstaan, echter binnen hetzelfde geschatte tijdsinterval van weken tot enkele maanden voorafgaand aan het fotografisch vastleggen van de letsels op 16-10-2016 als alle overige letsels (beschreven onder A t/m H).
In algemene zin zou blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat in een periode van weken tot enkele maanden voorafgaand aan 16-10-2016 het oplopen daarvan, gezien het aspect en de geschatte ouderdom van deze letsels, kunnen verklaren.
Gezien de wondkenmerken en de daarop gebaseerde geschatte leeftijd van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), van weken tot enkele maanden, kan dit letsel niet worden verklaard door een, overigens niet nader omschreven, ontstaanswijze circa zes jaar voor 16-10-2016.
In het licht van de voorliggende vraagstelling wordt gesteld dat het aantreffen van deze wondkenmerken veel waarschijnlijker is indien alle letsels weken tot maanden oud zijn dan dat deze jaren oud zijn.
Beantwoording vraagstelling
Hypothese 1a: het letsel aan de voet is circa 6 jaar geleden ontstaan, op een niet nader omschreven wijze.
Hypothese 1b: het letsel aan de handen is op een niet nader omschreven tijdstip, maar in ieder geval eerder dan op 19-06-2016, ontstaan door blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat.
Hypothese 2: de letsels zijn op 19-06-2016 ontstaan, door blootstelling aan open vuur/hitte via brandende kleding/schoeisel, al dan niet in combinatie met een brandende en/of hete vloeistof.
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, in het bijzonder de kenmerken van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), is waarschijnlijker als hypothese 2 waar is dan als hypothese 1a waar is.
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen betreffende de verwondingen aan de rechterpols (A), rechteronderarm (B) en aan beide handen (C t/m H) is ongeveer even waarschijnlijk onder hypothese 2 als onder hypothese 1b.
Verbale term
Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk
1-2
Iets waarschijnlijker
2-10
Waarschijnlijker
10-100
Veel waarschijnlijker
100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker
10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker
> 1.000.000
18. Een rapport Evaluatie van resultaten van onderzoek naar biologische sporen en DNA gegeven hypothesen op activiteitniveau naar aanleiding van een brandstichting gepleegd in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 29 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door dr. B. Kokshoorn, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Dit rapport houdt, onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Vraagstelling
Deskundige Interdisciplinair Forensisch Onderzoek drs. J.A. de Koeijer heeft verzocht om de resultaten van de onderzoeken naar biologische sporen en DNA in deze zaak te evalueren onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1: De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Hypothese 2: Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
De kans is...
betekent dat de kans wordt ingeschat…
zeer klein
als kleiner dan 0,05
klein
tussen 0,05 en 0,25
betrekkelijk groot
tussen 0,25 en 0,75
groot
tussen 0,75 en 0,95
zeer groot
als groter dan 0,95
Toelichting: Kansen bestrijken een gebied tussen nul en één. Een kans van 0,05 kan gelezen worden als een 5% kans, een kans van 0,95 als een 95% kans.
Aannamen
Aangenomen wordt dat bemonsteringen AAAKW2862NL#01 (T-shirt) en AAKW2863NL#01 (schoen) daadwerkelijk DNA bevatten van verdachte [verdachte] . Deze aanname is gebaseerd op de met het DNA-profiel van de verdachte overeenkomende DNA-profielen en de bijbehorende hoge bewijskracht, en dat niet betwist wordt dat de bemonsteringen DNA van verdachte bevatten.
Onderzoeksresultaten
Van bemonsteringen van de binnenzijde van de kraag van T-shirt AAKW2862NL#01 en de binnenzijde van de instapopening van schoen AAKW2863NL#01 zijn DNA-mengprofielen verkregen. Beide bemonsteringen bevatten een prominente hoeveelheid DNA van verdachte [verdachte] , en een zeer geringe hoeveelheid DNA van een of meer onbekende personen. Deze geringe hoeveelheid DNA is niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.
Overwegingen
Ten aanzien van hypothese 1
Uit onderzoek door Szkuta et al. blijkt dat de kans betrekkelijk groot is om een relatief grote hoeveelheid DNA van de drager aan te treffen in bemonsteringen van de binnenzijde van de kraag als een kledingstuk enkele uren is gedragen. Uit dezelfde studie blijkt ook dat de kans betrekkelijk groot is om een relatief geringe hoeveelheid DNA van onbekende personen op kleding aan te treffen, zogenoemd ‘achtergrond DNA’. Er zijn geen studies beschikbaar waarin specifiek onderzoek is gedaan naar de kans op het aantreffen van DNA aan de binnenzijde van schoenen. Op basis van mijn kennis van de dynamiek van biologische sporen en ervaring met onderzoek aan schoenen acht ik de kans op het verkregen resultaat eveneens betrekkelijk groot onder deze hypothese.
Ten aanzien van hypothese 2
De kans om DNA van de onbekende drager van de kleding tijdens het incident aan te treffen, is afhankelijk van de hoeveelheid biologisch materiaal van verdachte die reeds aanwezig was, en van de duur en frequentie van dragen door deze onbekende persoon. Onbekend is hoe frequent verdachte de kleding heeft gedragen voorafgaand aan het incident of wanneer dit voor het laatst was. Als verdachte de kleding gedurende minimaal een dag heeft gedragen en de kleding daarna niet meer is gewassen, is de kans groot om een prominente hoeveelheid DNA van verdachte in de bemonsteringen aan te treffen. Als we aannemen dat de kleding door de onbekende dader enige tijd is gedragen (zeg ten minste enkele minuten), dan is de kans betrekkelijk groot om (een geringe hoeveelheid) DNA van de onbekende persoon op de kleding aan te treffen nadat deze eerder door verdachte is gedragen. Naarmate de duur van dragen door de onbekende persoon toeneemt, zal de relatieve hoeveelheid DNA van de onbekende drager toenemen ten opzichte van de hoeveelheid DNA van verdachte.
Interpretatie en conclusie
De bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek zijn geëvalueerd onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1: De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Hypothese 2: Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Op basis van de genoemde overwegingen (en onder de gegeven context-informatie en aannamen) acht ik de resultaten van de onderzoeken ongeveer even waarschijnlijk als hypothese 1 waar is, als wanneer hypothese 2 waar is, wanneer de kleding door de onbekende dader hoogstens enkele minuten is gedragen, en daaraan voorafgaand ten minste enkele uren door de verdachte. Naarmate de kleding door de onbekende dader langer is gedragen, zal het onderzoeksresultaat in een bepaalde mate onwaarschijnlijker worden onder hypothese 2, omdat er geen prominentere hoeveelheid DNA van een onbekende persoon is aangetroffen in de bemonsteringen. Omdat mij geen informatie bekend is over de duur en frequentie van dragen van de kleding door de verdachte voorafgaand aan het incident, of over de duur van dragen door de onbekende dader, kan ik de bewijskracht van het onderzoeksresultaat niet nauwkeurig bepalen.
19. Een Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met de bijbehorende bijlagen, d.d. 29 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door drs. J.A. de Koeijer, NFI-deskundige Interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO). Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige: