ECLI:NL:PHR:2023:1081

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
27 november 2023
Zaaknummer
21/05330
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 27 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs opzettelijke brandstichting bedrijfspand

De zaak betreft een brandstichting in een bedrijfsverzamelgebouw op 19 juni 2016, waarbij verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aansteken van brand met gemeen gevaar voor goederen. Diverse bewijsmiddelen, waaronder forensisch onderzoek, DNA-onderzoek, technische rapporten en getuigenverklaringen, werden in hoger beroep en cassatie besproken.

De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat de brand opzettelijk was gesticht en dat de verdachte niet ter plaatse was tijdens de brand. Het hof oordeelde echter dat het bewijs, waaronder de aanwezigheid van benzine op kleding en schoenen met DNA van verdachte, en de brandwonden bij verdachte, voldoende was om opzettelijke brandstichting te bewijzen.

Het forensisch onderzoek toonde aan dat motorbenzine aanwezig was in een jerrycan zonder dop, kleding en schoenen, en dat de brand snel uitbrak bij de overheaddeur. Het DNA-onderzoek vond een prominente hoeveelheid DNA van verdachte op kleding en schoenen. Het letselonderzoek concludeerde dat de brandwonden bij verdachte waarschijnlijk recent waren ontstaan door blootstelling aan vuur.

De Hoge Raad beoordeelt in cassatie de bewijsvoering en oordeelt dat het niet kan worden bewezen dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting. De technische en tactische informatie vormt slechts een vermoeden, onvoldoende voor een veroordeling. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke brandstichting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05330
Zitting28 november 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 14 december 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarbij heeft het hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen medicijnen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.A. Blok en J. Vermaat, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelziet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering. Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de overwegingen in het vonnis weer op grond waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken. Vervolgens geef ik de bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen in het bestreden arrest, de bewijsmiddelen en een deel van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg weer. Ten slotte citeer ik uit de pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd.
Vonnis, bewezenverklaring, bewijsoverwegingen van het hof, bewijsmiddelen, proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg, pleitnota terechtzitting in hoger beroep
4. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2017 bevat de volgende passage (met weglating van een verwijzing):

4. Waardering van het bewijs
Standpunt verdediging
Aangevoerd is onder meer dat niet kan worden bewezen dat de brand in het in de tenlastelegging bedoelde bedrijfspand (waarin meerdere auto’s stonden) is ontstaan door opzettelijke brandstichting.
Standpunt officier van justitie
Aangevoerd is dat – hoewel uit het proces-verbaal van de politie d.d. 19 november 2016 (…) met betrekking tot het verrichte forensisch onderzoek blijkt dat de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld – de brandstichting niettemin kan worden bewezen door middel van andere beschikbare technische en tactische informatie. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de aanwezigheid van benzine op een schoen en een shirt (beide met DNA van de verdachte er op) die na de brand zijn aangetroffen nabij het in de tenlastelegging bedoelde bedrijfspand. Tevens heeft de officier van justitie gewezen op de na de brand in het bedrijfspand aangetroffen resten van een witte jerrycan in samenhang met de verklaringen van de eigenaren van het bedrijf waar de brand plaats vond dat zij geen lichte jerrycans hadden. Voorts is nog gewezen op het feit dat de roldeur van het brandende pand openstond en dat er brandende voorwerpen, zoals een lifehammer en vermoedelijk een (andere) schoen zijn aangetroffen aan de zijde van het pand waar de wind vandaan kwam.
Beoordeling
Het eerdergenoemde proces-verbaal van de politie met betrekking tot het forensisch onderzoek naar de brand houdt onder meer het volgende in:
Mede door de aanwezigheid van de verklaarbare ontbrandbare vloeistoffen uit de aanwezige personenauto’s en de aanwezigheid van grote hoeveelheden bluswater, welke een verspreiding van (ontbrandbare) vloeistoffen kan veroorzaken, was het niet mogelijk het eventueel opzettelijk sprenkelen/gieten van motorbenzine te bevestigen dan wel uit te sluiten en conclusies aan de verrichte metingen te verbinden. Een mogelijke oorzaak van de brand (werd) niet vastgesteld.
De politieambtenaren die het forensisch onderzoek hebben verricht zijn als forensisch expert werkzaam bij het Team Forensische Opsporing van de politie. Gezien hun deskundigheid gaat de rechtbank uit van de juistheid van hun conclusie dat niet vast te stellen is of er sprake is geweest van opzettelijke brandstichting, zoals is ten laste gelegd.
Blijkens het proces-verbaal waren de forensisch onderzoekers er van op de hoogte dat er na de brand in de nabijheid van het bedrijfspand een verbrande schoen en een kledingstuk waren aangetroffen. Tevens hebben zij in hun onderzoek betrokken dat in het pand een witte jerrycan aanwezig was met een benzinegeur. Deze informatie kan daarom niet worden aangemerkt als (zoals de officier van justitie het noemt: andere) technische en tactische informatie waaraan het bewijs kan worden ontleend, ook niet wanneer dit wordt bezien in samenhang met de andere door de officier van justitie genoemde aspecten, zoals het openstaan van de roldeur en de richting van de wind. De genoemde omstandigheden vormen hoogstens een vermoeden van brandstichting.
Omdat niet kan worden bewezen dat de onderhavige brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting zal de verdachte worden vrijgesproken.
Gelet daarop wordt niet toegekomen aan de vraag of, zoals ook is ten laste gelegd, de verdachte als dader of mededader betrokken is geweest bij de ten laste gelegde brandstichting.’
5. Het hof heeft in het bestreden arrest van 14 december 2021 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op of omstreeks 19 juni 2016 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een (bedrijfs)pand, gelegen aan de [a-straat 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en dat (bedrijfs)pand gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en belendende (bedrijfs)panden en zich in dat (bedrijfs)pand en die belendende (bedrijfs)panden bevindende goederen
te duchten was.’
6. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Gevoerd verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat er sprake is van opzettelijke brandstichting. Voorts kan niet bewezen worden verklaard dat de verdachte ten tijde van het ontstaan van de brand ter plaatse aanwezig was, nu het T-shirt en de schoen, waarop DNA-materiaal is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte, mogelijk door iemand anders zijn gebruikt ten tijde van het ontstaan van de brand .
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft in eerste aanleg aan de hand van de toen beschikbare stukken geoordeeld dat niet bewezen kan worden dat de onderhavige brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting. Gelet op de nadien opgemaakte rapporten van het NFI kan dit oordeel, in samenhang bezien met de bewijsmiddelen, niet langer in stand blijven. Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is van opzettelijke brandstichting.
Het DNA van de verdachte is zowel op het ter plaatse aangetroffen T-shirt als de aldaar aangetroffen schoen gevonden. Het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario dat iemand anders het T-shirt en de schoen van de verdachte heeft gebruikt, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat uitsluitend zijn 3 broers zijn schoenen konden dragen. Daarbij komt dat niet alleen op de schoen van verdachte sporen van brand zijn aangetroffen maar ook bij de verdachte (herstelde) brandwonden aan zijn handen en pols zijn aangetroffen. Bovendien heeft de verdachte de dag na de brand contact met de huisarts opgenomen en zijn die dag medicijnen aan hem afgegeven die passen bij de behandeling van brandwonden. De verklaring van de verdachte dat de brandwonden al voor de brand zijn ontstaan maar dat hij niet weet hoe lang geleden, dat de brandwonden aan zijn polsen waren gaan infecteren en dat hij om die reden de dag na de brand contact met zijn huisarts, heeft opgenomen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het had bij uitstek op de weg van verdachte gelegen om over het ontstaan van deze brandwonden openheid van zaken te geven. Verdachte heeft ervoor gekozen geen toestemming te geven voor het opvragen van medische informatie noch anderszins zelf een onderbouwde verklaring af te leggen over de wijze waarop en het moment van ontstaan van deze brandwonden. Dit terwijl het tijdstip van het medisch consult over brandwonden, daags na de brandstichting om een verklaring schreeuwt. De enkele verklaring van verdachte dat de brandwonden door het gebruik van een stoomapparaat zouden zijn ontstaan, volstaat niet nu verdachte verdere vragen daarover niet heeft willen beantwoorden. Gelet op het vorenstaande gaat het hof ervan uit dat het de verdachte was die op of omstreeks 19 juni 2016 opzettelijk de brand heeft gesticht.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de verdachte blijkens zijn telefoongegevens ten tijde van de brand niet bij de plaats van de brand is geweest, is het hof van oordeel dat de telefoongegevens geen ontlastend bewijs vormen. Uit de enkele omstandigheid dat het signaal van de telefoon van de verdachte op 19 juni 2018 om 00:11 uur de zendmast aan de Terbregseweg 300 aanstraalt, kan immers niet worden afgeleid waar de verdachte zich op dat moment precies bevond ten opzichte van de plaats van de brand en biedt daarmee onvoldoende grond voor de stelling dat de verdachte zich niet op de plaats van de brand bevond ten tijde van de brandstichting.
De verweren worden verworpen.’
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de daarbij behorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 19 juni (het hof begrijpt:
2016) omstreeks 00:15 uur kregen wij het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zou een inbraakalarm afgaan bij [B] .
Ter plaatse aangekomen zagen wij dat het pand waar wij moesten zijn te bereiken was via een hek. Achter dit hek zagen wij een bedrijfspand waarin verschillende bedrijven gevestigd waren. Tegen het hek aan zagen wij een sportschoen staan en vlak achter het hek een kledingstuk. Wij zagen dat op een pand een bord hing met [B] erop. Hieronder zagen wij een garagedeur en hier zagen wij vuur uitkomen. Ook zagen wij rookontwikkeling boven het pand uit komen.
De schoen en het kledingstuk hebben wij inbeslaggenomen in verband met sporen. Deze spullen zijn door het team brandonderzoek in een zogenoemde 'brandpot' gestopt (het hof begrijpt gelet op de bijbehorende bijlagen:
met SIN AAKW2862NL en AAKW2863NL). Dit omdat de schoen enorm stonk naar benzine. Dit is ook gemeten door team brandonderzoek.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
In de nacht van 18 juni 2016 op 19 juni 2016 was ik als officier van dienst politie in dienst bij de eenheid Rotterdam. Omstreeks 00.21 uur hoorde ik over de mobilofoon dat er een mogelijke brand in een gebouw zou zijn aan de [a-straat 1] te [plaats] . Een paar minuten eerder hadden er al een tweetal collega's de melding gehad om te gaan richting [a-straat 1] te [plaats] omdat er een inbraakalarm was afgegaan op meerdere zones. Omdat ik in de omgeving was, kwam ik enkele minuten na de eerste politie eenheid ter plaatse. Ik zag dat het ging om een bedrijfspand waar meerdere kleine bedrijfspandjes in waren gevestigd. Aan de zijde van de [b-straat] had het perceel een open stuk terrein wat slotvast was afgesloten door een groot schuifhek.
Toen ik daar aankwam, zag ik dat een deur van één van de subbedrijfjes wijd open stond en dat er daar ook veel rook uit dat pand kwam. Mijn collega's ter plaatse konden mij vertellen dat dit de deur was van een verhuur bedrijf genaamd [B] , gevestigd in [c-staat 1] . Mijn collega's wezen mij op een sportschoen die klem zat onder het schuifhek van het bedrijfspand. De sportschoen onder het hek is veilig gesteld voor onderzoek. De collega's die de schoen hebben veiliggesteld, gaven daar ter plaatse aan mij aan dat de schoen nattig was en rook de schoen naar een brandbare stof, vermoedelijk benzine. Op het afgesloten terrein van het bedrijf zelf lag op twee à drie meter van het hek iets hevig te branden. Aan de contouren van het brandend voorwerp gingen wij er op dat moment vanuit dat dit nog een sportschoen was. Door de open deur en de sportschoen was mijn eerste gedachte dat er hier mogelijk opzet in het spel was en dat we te maken konden hebben met een mogelijk plaats delict.
Omstreeks 00.49 uur kreeg ik van de brandweer te horen dat een groot deel van het pand verloren was.
Ik zag echt een enorme ravage in de [a-straat ] . Grote gedeelten van de pui van de kantoorhandel lag op de rijbaan, deels over en tegen de brandweerauto's aan. De glazen pui van garage [A] lag er ook geheel uit. Dit pand is gevestigd aan de overzijde van het brandende pand. Overal lag glas en puinresten. De zijde van het pand waar ooit de deur van [B] had gezeten was ook deels weggeblazen door de klap. Er lagen allerlei brokstukken op de in de [a-straat ] geparkeerde voertuigen.
Hierop zijn wij nog veel ruimer gaan afzetten. De gehele [b-straat] is ontruimd tot de [d-straat] en de [e-straat] . Ook de [f-straat] is afgesloten. Dit vanwege nog meer ontploffingsgevaar en de grote rookontwikkeling.
Pas om 05.49 uur was volgens de brandweer de brand meester. Dit betekent dat ze de brand toen pas onder controle hadden.
De resten van de mogelijke tweede sportschoen die in brand stond op het afgehekte terrein zelf, zijn niet meer onderzocht omdat deze niet meer vindbaar waren door mogelijk de explosie en het puin van het gebouw wat er op is gekomen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de daarbij behorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op donderdag 3 november 2016 bevonden wij ons in de brandweerkazerne te [plaats] gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] teneinde [betrokkene 1] geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] te horen als getuige.
[betrokkene 1] is werkzaam bij de brandweer en was op 19 juni 2016 werkzaam als bevelvoerder tijdens de brand aan de [a-straat 1] .
Hij verklaarde het volgende:
Op 19 juni 2016 kreeg ik de melding van een brand in een bedrijfspand aan de [a-straat 1] in [plaats] . Ik ben met mijn team uitgerukt en we waren als eerste ter plaatse. Het bedrijf was afgesloten door middel van een toegangshek dus we hadden niet direct toegang tot het pand. Ik zag dat één van de loodsen openstond en dat daar de brand vandaan kwam. Het viel mij direct op dat er een pluk brandend materiaal op het afgesloten terrein lag op een afstand van ongeveer 20 meter van de loods. Ik kreeg daardoor het idee dat er sprake was van brandstichting en ik heb dit doorgegeven aan de meldkamer in verband met het vormen van een plaats delict. De reden dat ik dacht dat er sprake was van brandstichting was, dat het brandende materiaal op een afstand van 20 meter lag en de wind de andere kant op stond. Het materiaal kan dus niet uit het pand gewaaid zijn. Ik trok om die reden de conclusie dat het materiaal daar door iemand moest zijn neergelegd of achtergelaten.
Bij het pand aangekomen, zag ik dat de roldeur openstond. Ik weet het niet meer 100% zeker of de roldeur half of helemaal omhoog stond, maar ik kon naar binnen kijken en ik zag een heftruck en een aantal auto's staan. Ik heb geen gesmolten aluminium gezien, dus ik denk niet dat het rolluik al uit was gebrand op dat moment.
Tijdens het blussen van de brand ontstond om nog onbekende reden een enorme explosie waardoor het puin in het rond vloog.
4. Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 19 november 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de daarbij behorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 21 juni 2016 werd door ons verbalisanten als forensische onderzoekers een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke brandstichting, van een bedrijfsverzamelgebouw, gepleegd op 19 juni 2016 omstreeks 00:15 uur.
Onderzoekslocatie
Het onderzoek is verricht in en rondom een bedrijfsverzamelgebouw gelegen aan de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] . De [a-straat ] bevond zich op het industriegebied [plaats] en was gelegen tussen de westelijk gelegen [b-straat] en de oostelijk gelegen [f-straat] . Het pand aan de [a-straat 1] , was opgedeeld in meerdere bedrijfsunits en bevond zich op een met hekwerk afgesloten gedeelte. Deze bedrijfsunits maakten deel uit van een aaneengesloten bebouwing. Deze bedrijfsunits waren opgetrokken uit een metalen constructie met gemetselde scheidingswanden. Aan de voorzijde waren de panden uitgerust met een overheaddeur met deels kunststof panelen en aparte voordeuren. De oorsprong van de brand zou gelegen zijn in/voor [unit ...] , waar het autoverhuurbedrijf “ [B] ” gevestigd was.
Onderzoek plaats delict
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door ons het navolgende bevonden en waargenomen. Wij zagen op het afgesloten terrein van de [a-straat ] gezien vanuit de richting van het toegangshek, dat het dak van het eerste (hoek)pand aan de linkerzijde ingestort was en dat de gevelelementen van de eerste verdieping op het trottoir en wegdek lagen. Wij zagen in/aan dit puin van de gevel en het dak op het trottoir nagenoeg geen brandschade. Wij zagen dat het tweede pand gelegen vanaf de linkerhoek ernstige brandschade had. Beide scheidingswanden waren aangetast door hitte en vuur. De dakconstructie was grotendeels ingestort. Wij zagen dat gezien vanaf de voorzijde de rechter scheidingswand ernstiger was aangetast door hitte en vuur dan de linker scheidingswand. Wij zagen dat het dak bestaande uit metalen platen, aan de rechterzijde meer aangetast was dan de linkerzijde. Het derde pand, in [unit ...] , zal separaat omschreven worden. Het vierde en vijfde pand waren compleet verwoest door de brand.
[unit ...] “ [B] ” betrof het derde pand links, gezien vanaf het toegangshek, zijde [a-straat ] . Wij zagen dat de ruit in de toegangsdeur van het pand, rechts naast de overheaddeur, stuk was. De aard van de breukranden in het overgebleven glas onder in de deur paste niet bij hittebreuken maar betroffen radiaalbreuken welke zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door mechanisch geweld (zoals: breken, ingooien, inslaan). Tijdens het bestuderen van de foto's genomen op 19 juni zag ik dat deze schade aan de ruit toen nog niet aanwezig was en kennelijk na de brand was ontstaan.
In het pand zagen wij dat beide scheidingswanden bol stonden en dat er metselstenen uit deze wanden gevallen waren. De metalen dakplaten hingen over en deels aan de metalen dakconstructie. Binnen in het pand zagen wij meerdere compleet verbrande personenauto's en een heftruck staan. Op de vloer van deze unit zagen wij plassen bluswater.
Binnen op de vloer in het pand, tussen de resten van de overheaddeur en een uitgebrande personenauto zagen wij de verbrande en gesmolten resten van een witte jerrycan liggen. Deze jerrycan hebben wij inbeslaggenomen, verpakt en gewaarmerkt met SIN AAKW1866NL. Wij roken hierbij een sterke zeer waarschijnlijk benzinelucht.
In het zandbed onder het wegdek direct tegen de ingang van het pand, hebben wij na verrichte metingen en op aanwijzing van een brandhond, een positieve indicatie verkregen voor de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. Wij hebben zand uit het zandbed bemonsterd, deze bemonstering hebben wij verpakt gewaarmerkt en voorzien van SIN AAKW1868NL.
Wij zagen dat het pand van “ [B] ” volledig was uitgebrand. De verwoestende werking van de brand werd mogelijk verhevigd door de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen.
Op het wegdek deels onder het puin, van het voornoemde pand waar de explosie had plaatsgevonden, zagen wij ter hoogte van de garagedeur, van een bedrijf genaamd “VKT” een stuk door brand aangetast textiel wat mogelijk een deel van een mouw betrof en een deels verbrande life-hammer liggen. Deze werden door ons ten behoeve van een nader in te stellen onderzoek veiliggesteld.
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Monster spoor
Spoornummer PL1700-2016200394-120264
SIN AAKW1868NL
Spooromschrijving Brandrest
Wijze veiligstellen Brandpot
Tijdstip veiligstellen 21 juni 2016 te 11:30 uur
Plaats veiligstellen Tussen stelconplaten voor overheaddeur (zand/grond)
Bijzonderheden Koeling
Sporendrager(s)
Goednummer PL1700-2016200394-5171950
SIN AAKW1866NL
Object Jerrycan
Land Nederland
Bijzonderheden Aangetroffen aan de voorzijde direct (binnen) achter de overheaddeur.
5. Een verkorte rapportage over vervolgonderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met bijbehorende bijlage, d.d. 28 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. J.N. Hendrikse, NFI-deskundige chemisch brandonderzoek. Deze rapportage houdt onder mee in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Te onderzoeken materiaal

Tabel I Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN Verzegeling Omschrijving door aanvrager
(Spooromschrijving; Plaats
Veiligstellen/Bijzonderheden)
AAKW1868NL antifraudezegel met Brandrest. Tussen stelconplaten
codering AA 54075 voor overheaddeur (zand/grond)
AAKW1866NL twee antifraudezegels Jerrycan. Aangetroffen aan de
één met codering AA 51905 direct achter de overheaddeur
één met codering AA 51906 voorzijde
Vraagstelling
Bevat het monster vluchtige stoffen die afkomstig zijn van een ontbrandbare vloeistof? Zo ja, in welke productklasse valt deze ontbrandbare vloeistof?
Conclusie
De conclusie van het uitgevoerde onderzoek is samengevat in tabel 2.

Tabel 2 Conclusie onderzoek naar ontbrandbare vloeistof

SIN Conclusie

AAKW1868NL In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine
AAKW1866NL In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
6. Een verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met bijbehorende bijlage, d.d. 28 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. J.N. Hendrikse, NFI-deskundige chemisch brandonderzoek. Deze rapportage houdt onder mee in – zakelijk weergegeven – (…) :
als relaas van deze deskundige:
Te onderzoeken materiaal

Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN Verzegeling Omschrijving door aanvrager
(Object; Merk/type)
AAKW2863NL Antifraudezegel met Schoeisel (Schoen) Nike sport
codering AA 59263
AAKW2862NL Antifraudezegel met Kleding.
codering AA 59264
Vraagstelling
Bevat het monster vluchtige stoffen die afkomstig zijn van een ontbrandbare vloeistof? Zo ja, in welke productklasse valt deze ontbrandbare vloeistof?
Conclusie
De conclusie van het uitgevoerde onderzoek is samengevat in tabel 2.

Tabel 2 Conclusie onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen

SIN Conclusie

AAKW2863NL In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine
AAKW2862NL In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine
7. Een rapportage over vergelijkend motorbenzine onderzoek, naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met bijbehorende bijlage, d.d. 2 juni 2020, opgemaakt en ondertekend door dr. M.M.P. Grutters, NFI-deskundige chemisch brandonderzoek. Deze rapportage houdt onder mee in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Te onderzoeken materiaal
SIN Verzegeling Omschrijving door aanvrager
(Object; Merk/type)
AAKW2863NL Antifraudezegel met Schoeisel (Schoen) Nike sport
codering AA 59263
AAKW2862NL Antifraudezegel met Kleding
codering AA 59264
SIN
Verzegeling
Omschrijving door aanvrager (Spooromschrijving; Plaats veiligstellen/Bijzonderheden)
AAKW1866NL
Twee antifraudezegels, één met codering AA 51905 en één met codering AA 51906
Jerrycan; Aangetroffen aan de direct achter de overheaddeur voorzijde
Vraagstelling
Vergelijking van de eerder onderzochte benzineresten van de jerrycan AAKW1866NL en de kleding AAKW2862NL en schoenen AAKW2863NL van de verdachte. Zijn de benzineresten afkomstig van dezelfde bron?
Conclusie
Er is een vergelijkend motorbenzine onderzoek uitgevoerd tussen de motorbenzine in de kleding [AAKW2862NL] en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL]. De conclusie van het onderzoek wordt geformuleerd aan de hand van de volgende hypothesen:
Hypothese A1: De motorbenzine in de kleding [AAKW2862NL] en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL] zijn afkomstig van dezelfde bron.
Hypothese A2: De motorbenzine in de kleding [AAKW2862NL] en de motorbenzine uit de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL] zijn afkomstig van een verschillende bron.
De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer hypothese A1 waar is dan wanneer hypothese A2 waar is.
Er is een vergelijkend motorbenzine onderzoek uitgevoerd tussen de motorbenzine in schoenen [AAKW2863NL] en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL]. De conclusie van het onderzoek wordt geformuleerd aan de hand van de volgende hypothesen:
Hypothese B1: De motorbenzine in de schoenen [AAKW2863NL] en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL] zijn afkomstig van dezelfde bron.
Hypothese B2: De motorbenzine in de schoenen [AAKW2863NL] en de motorbenzine uit de restanten van de jerrycan [AAKW1866NL] zijn afkomstig van een verschillende bron.
De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer hypothese B1 waar is dan wanneer hypothese B2 waar is.
Met ‘dezelfde bron’ wordt bedoeld dat de motorbenzine in beide monsters afkomstig is van dezelfde hoeveelheid motorbenzine, zonder dat er sprake is van nadere vermenging met andere hoeveelheden motorbenzine. Dit is bijvoorbeeld het geval als de motorbenzine in de kleding en/of de schoenen afkomstig is uit de jerrycan (als deze niet tussentijds is bijgevuld).
Verbale term Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk 1-2
Iets waarschijnlijker 2-10
Waarschijnlijker 10-100
Veel waarschijnlijker 100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 juni 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de daarbij behorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt, onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als de op 20 juni 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :
V: Wie zijn de aandeelhouders van [B] B.V.?
A: Ik en mijn compagnon. Mijn compagnon is [betrokkene 3] , [C] B.V. heeft de aandelen.
V: Hoe is de verdeling van de aandelen?
A: Ik heb 95%, hij heeft 5%.
V: Onder welke naam is uw bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel?
A: [B] B.V.
V: Voor de duidelijkheid, om welk pand gaat het dan precies?
A: [a-straat 1] [unit ...] te [plaats] .
V: Is het bedrijfspand voorzien van een inbraakalarm?
A: Ja. Februari (
het hof begrijpt: 2016) hebben wij het inbraakalarm opgeschroefd. Toen was voor de deur een auto in de brand gestoken. Toen plaatsten wij een sensoren bij de roldeur. Voor het geval een auto door de rolluik zou rijden.
V: Wie is de alarmmaatschappij?
A: [D] .
V: Heeft het bedrijfspand een brandalarm?
A: Ja.
V: Wat kunt u daarover vertellen?
A: Dat gaat ook via [D] . Die beheert dat systeem. [betrokkene 4] , hij is [E] . Hij heeft een uitdraai. Het brandde vanuit het midden uit.
(
BFK: meldingenrapport [D])
9. Een proces verbaal van verhoor aangever, d.d. 1 november 2016 (…) met de daarbij behorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…)
als de op 1 november 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :
Ik ben mede-eigenaar van het bedrijf [B] , destijds gevestigd aan de [a-straat 1] in [plaats] .
Ik wil aangifte doen van brandstichting, gepleegd op zondag 19 juni 2016 te 00:15 uur.
(..)
V: Tussen het laatste voertuig en de roldeur is een jerrycan aangetroffen.
A: Ik weet er niks van. Ik weet wel dat er in de loods jerrycans stonden in de omgeving van de werkbank.
V: Hoe zagen die jerrycans eruit?
A: Zwart van kleur, van die kleintjes die je bij het tankstation koopt. Die van 5 of 10 liter. Ik denk dat er een stuk of tien stonden, maar ze waren leeg.
10. Een proces-verbaal forensisch onderzoek alarmen en alarmering d.d. 9 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Detectoren
PIR(passief infra rood) detectoren registreren verschil in warmte tussen uitgezonden infrarood gordijnen. Plotselinge verschillen in warmte tussen deze gordijnen worden vertaald als zijnde beweging.
AIR(actief infra rood) Een zender straalt actief een niet zichtbare infraroodstraal uit naar een ontvanger, wanneer iets deze straal onderbreekt zal deze alarm geven.
Magneetcontactenkunnen schakelen zodra de afstand van de magneet en de bevestigde schakelaar te groot wordt. Dus zoals bijvoorbeeld het openen van een deur of raam.
Alarminstallatie
Zone-indeling, tijdstip van inschakelen en alarmering
De zone-indeling is als volgt:
01 - voordeur (magneetcontact)
02 - naast overheaddeur (PIR)
03 - midden loods (PIR)
04 - kantoor (PIR)
05 - dakkoepel (PIR)
06 - buitendetectie overheaddeur (AIR)
Tijdstip van inschakelen en alarmering
18-06-2016 17.06.03 uur inschakeling
19-06-2016 00.15.04 uur Inbraak zone 3
00.15.06
uur Inbraak zone 6
00.15.08
uur Inbraak zone 2
00.15.11
uur Inbraak zone 4
00.16.36
uur Inbraak zone 5
Zone 1: Betroffen magneet contacten die alleen melden wanneer de voordeur en/of de overheaddeur op normale wijze geopend worden. Van deze contacten is geen enkele melding binnen gekomen.
Zone 2: Zou zich rechts van de voordeur hebben bevonden, door verschil in diepte van de voorgevel en/of obstakels had deze PIR zeer waarschijnlijk geen zicht op het voorste deel van de ruimte, gezien vanaf de overheaddeur.
Zone 3: Bevond zich in het midden van de loods, dus gezien vanuit de richting van de roldeur, voorbij de laatst geparkeerde personenauto. Het detectiebereik van zone 3 zou door deze personenauto beperkt kunnen zijn. Dit houdt in dat deze PIR beweging achter de personenauto (dus tussen de personenauto en de overheaddeur) niet kon detecteren. De jerrycan werd aangetroffen in de loods tussen de overheaddeur en de personenauto.
Zone 4 : Bevond zich in een andere ruimte dan de loods.
Zone 5: De dakkoepel bevond zich volgens de omschrijving, gezien vanuit de richting van de overheaddeur, nabij de dakkoepels welke zich rechts achterin de loods bevonden. Het detectiebereik van deze PIR was zeer waarschijnlijk eveneens beperkt door de voornoemde personenauto.
Zone 6. Bevond zich aan de buitenzijde van het pand, voor de overheaddeur. Deze detector bevond zich ter hoogte van de deurklink van de loopdeur naast de overheaddeur (circa 80/90 centimeter hoogte vanaf het wegdek). Gezien het beperkte signaleringsgebied van zone 6, namelijk een enkele horizontale straal dichtbij het deurblad, bevond zich hieronder voldoende ruimte om bijvoorbeeld het onderste paneel te forceren. Deze duidelijk zichtbare detectoren, konden nog worden teruggevonden na de brand.
Alarmering 19 juni 2016
Zone 3 werd om 00:15:04 uur als eerste geactiveerd. Dit houdt in dat middenin de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd door de PIR. Dit kan onder andere zijn door de beweging van een persoon, maar ook door een warmteverschil door bij brand ontstane stralingshitte, vlammen en hete rookgassen.
Twee seconden na zone 3 werd ook zone 6 geactiveerd (tijdstip melding 00:15:06 uur). Deze AIR kan zijn geactiveerd doordat een persoon en/of een voorwerp de IR straal onderbrak, maar ook kan deze straal zijn onderbroken door rookgassen met daarin onverbrande roetdelen (dikke rook).
De aangetroffen jerrycan bevond zich het dichtst bij zone 6.
Voor het onderbreken van de AIR straal aan de buitenzijde van de overheaddeur kon ik binnen de context van het onderzoek twee aannemelijke scenario's bedenken.
Scenario 1: iets of iemand heeft zich op circa 80/90 centimeter hoogte, op een afstand van circa 10 centimeter vanaf de deur bevonden en de straal doorbroken, 2 seconden nadat binnen in de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd.
Scenario 2: hete rookgassen met onverbrande roetdelen (dikke rook) hebben deze straal doorbroken, 2 seconden nadat binnen in de loods een plotseling warmteverschil werd gedetecteerd.
Een onderdeel van scenario 2, namelijk het kunnen onderbreken van een AIR-straal met rook, werd door mij proefondervindelijk vastgesteld met rookdamp uit een E-smoker (elektrische sigaret) op een andere soortgelijke AIR installatie.
Indien scenario 2 waar is, zou dit de aanwezigheid van de aangetroffen jerrycan kunnen verklaren. Ik acht het namelijk mogelijk dat deze jerrycan van buitenaf tussen de overheaddeur en de binnen staande personenauto geplaatst kon worden door het verbreken dan wel verbuigen van het onderste kunststof paneel van de overheaddeur. Dit kan gedaan worden zonder een alarm te veroorzaken, middels het ontwijken van de eerste AIR-straal op 80/90 centimeter hoogte.
Indien zone 3 om 00:15:04 uur werd geactiveerd door een plotselinge brand in de loods terwijl de overheaddeur zich bevond in gesloten toestand met nog intact zijnde panelen, acht ik het niet waarschijnlijk dat deze brand zich binnen slechts 2 seconden zover zou hebben ontwikkeld dat hij om 00:15:06 uur al uitslaand was en zodoende de AIR-straal aan de buitenzijde van de overheaddeur kon onderbreken.
Mijn bevindingen passen beter wanneer er vuur is ontstaan ter hoogte van de vindplaats van de jerrycan, terwijl er op dat moment een open verbinding was tussen die locatie en de buitenlucht, zoals bijvoorbeeld een verbroken of weggebogen paneel in de overheaddeur. Dit vuur heeft de PIR in zone 3 kunnen activeren door direct opstijgende hitte en rookgassen van achter de personenauto. Kort daarop gevolgd door activatie van de AIR van zone 6 door uittredende rookgassen via een opening in de overheaddeur.
11. Een rapport Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 15 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door ing. F.W.N. van Rijswijk, NFI-deskundige brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek. Dit rapport houdt onder mee in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Vraagstelling
De vraagstelling van dit deelonderzoek, zoals opgenomen in het aanvraagformulier van 4 december 2019, luidt als volgt:
- Is er sprake van brandstichting?
- Bedenk mogelijke scenario's voor het ontstaan van de brand .
Betrek bij de evaluatie:
- het patroon van afgaan van de brandmelders;
- het patroon van de brandschade aan het bedrijf;
- de resultaten van de vergelijking van de benzineresten;
- de brandschade aan de kleding t.o.v. de locatie van de verwondingen bij verdachte.
De tijdlijn
Op basis van de verkregen informatie zijn de gebeurtenissen in het beginstadium van de brand bijeengebracht in de tijdlijn van tabel 3. De tijdlijn begint bij de registratie van de eerste alarmmelding van het inbraakalarm op 19 juni 2016. Het alarmsysteem werd op 18 juni 2016 om 17:06:03 uur ingeschakeld.
Tabel 3 Tijdlijn
Tijd
Omschrijving gebeurtenis
00:15:04
Inbraakalarm zone 3 (= PIR midden loods)
00:15:06
Inbraakalarm zone 6 (= buitendetectie overheaddeur)
00:15:08
Inbraakalarm zone 2 (= PIR naast overheaddeur)
00:15:11
Inbraakalarm zone 4 (= PIR kantoor)
00:15:28
[D] belt naar politie Rotterdam Rijnmond t/m 00:17:13
00:16:36
Inbraakalarm zone 5 (= PIR dakkoepel)
00:17:21
[D] belt naar [betrokkene 2] t/m 00:18:03
± 00:18 - 00:20
Na telefoongesprek met [D] kan [betrokkene 2] geen verbinding krijgen met de beveiligingscamera's.
00:19:50
“Uitval BACKUP (pad 2) (DPR)” / “IP-uitval” geen alarmmeldingen meer naar [D] .
± 00:21
Politie ter plaatse
00:21:55
Brandweer ter plaatse
00:23
Horen veel knallen, mogelijk gasflessen, brand wordt aardig groot al
± 00:33
[betrokkene 2] komt ter plaatse en belt in zodat de rolhekken opengingen
Jerrycan [AAKW1866NL]
Bevindingen visuele inspectie
De jerrycan [AAKW1866NL], zoals op 8 april 2020 nogmaals ontvangen op het NFI, was dubbel verpakt in brandzakken met een oververpakking van gewoon kunststof folie. Bij het openen van de verpakking werd een zeer sterke lucht van een petrochemische stof waargenomen. De jerrycan [AAKW1866NL] zelf bestond uit een brandrest in de vorm van een enigszins gebobbelde plak kunststof. Aan de bovenzijde zijn wat brandresten van ander materiaal met de kunststof van de jerrycan verkleefd. De onderzijde is redelijk schoon.
De brandrest is ongeveer 43 cm lang met een maximale lengte inclusief uitstekende delen tot circa 50 cm. De breedte is ongeveer 24 cm. In het midden over de lengte is een deelnaad te zien. Ook zijn er drie deelnaden overdwars aanwezig. Aan de linkerkant is een welving zichtbaar die qua vorm sterk overeenkomt met de voorzijde van een willekeurige stapelbare jerrycan. Nadat dit gedeelte was ontdaan van losse brandresten en gruis, werd een schenkopening zoals van een jerrycan zichtbaar. Ook de ribbels van de schroefdraad van de schenkopening zijn goed zichtbaar. In het midden van deze opening zijn de resten van wat lijkt op het handvat zichtbaar. Verder zijn in de kunststof nergens merktekens aangetroffen.
Tusseninterpretatie resultaten visuele inspectie
Uit het aantreffen van de oorspronkelijke schenkopening volgt dat de betreffende jerrycan zonder dop voorover heeft gelegen tijdens de brand. De schenkopening ligt dan vlak boven de vloer en de jerrycan, indien gevuld, loopt dan grotendeels leeg. Ook het aantreffen van de deelnaden in dwarsrichting, passen niet bij de bodem van een jerrycan maar juist wel bij de voorzijde. Jerrycans worden namelijk in grote aantallen en met verschillende inhouden geproduceerd. Het is dan mogelijk om met gelijkblijvende afmetingen en vorm van de bodem en de bovenzijde, een groter volume te bereiken door er enkel een segment tussen te plaatsen waardoor de jerrycan hoger wordt. Dit komt met name voor bij jerrycans van 20 en 25 liter, waarbij de 25 liter variant alleen in hoogte verschilt van de 20 liter versie. Het komt echter ook voor dat een 20 liter jerrycan een verlengde versie is van een 15 liter jerrycan.
De afmetingen van de brandrest zouden in principe kunnen passen bij een jerrycan met een oorspronkelijke inhoud van 15, 20 of 25 liter. Echter het aantreffen van de extra deelnaad op korte afstand van de onderste deelnaad, wijst op een verhoogde variant. Hieruit volgt dat jerrycan [AAKW1866NL] oorspronkelijk waarschijnlijk een inhoud van 20 of 25 liter had.
Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL]
De kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL], die werden aangetroffen bij het toegangshek van het bedrijfsterrein, werden op 6 juli 2016 ontvangen op het NFI voor onderzoek naar vluchtige brandbare stoffen en biologische sporen. Bij het onderzoek naar vluchtige brandbare stoffen werden in zowel de kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL] vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
De schoen [AAKW2863NL] betreft een rechter sportschoen. Met name aan de rechter zijkant zijn duidelijke sporen van verbranding en versmelting te zien. Op een aantal van de donkere plekken lijkt deels verbrand en/of gesmolten materiaal zich aan de tijk en de veters van de schoen gehecht te hebben.
Interpretatie van resultaten
Ontstaansgebied van de brand
Het bedrijfsverzamelgebouw als geheel beschouwend, zijn er twee bijzonder sterke aanwijzingen voor het ontstaansgebied van de brand in ruime zin. Ten eerste is dat de reeks alarmmeldingen van het inbraakalarmsysteem in het pand van [B] en ten tweede de bevindingen van de hulpdiensten die 6 à 7 minuten later ter plaatse kwamen en zagen dat de brand uit de opening van de overheaddeur naar buiten kwam. Hieruit volgt dat de brand in of direct bij de bedrijfsunit van [B] moet zijn ontstaan. De uitbreiding van de brand naar de naastgelegen bedrijfsunits en de explosie die in een bedrijfsunit plaatsvond, zijn logisch verklaarbaar als een gevolg van de bouwwijze van het bedrijfsverzamelgebouw en de windrichting.
Doordat de bedrijfsunit van [B] vrijwel geheel is uitgebrand, is er op basis van klassieke brandsporen zoals verschillen in inbranding en roetafzetting niet te herleiden waar in de bedrijfsunit de brand is begonnen. Echter, uit de eerder genoemde aanwijzingen (de reeks alarmmeldingen en de brand die in een vroeg stadium reeds door de overheaddeur naar buiten kwam) valt meer af te leiden dan enkel dat het in de bedrijfsunit van [B] is begonnen. De uitleg gaat het makkelijkst aan de hand van de tijdlijn van tabel 3. Wat opvalt is dat in 7 seconden vier detectoren geactiveerd worden. Achtereenvolgens zijn dat een bewegingsmelder in het midden van de loods, de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur en vervolgens de bewegingsmelders naast de overheaddeur in de loods en in het kantoor.
In het geval dat er enkel en alleen ergens brand in de loods ontstaat in een verder geheel afgesloten pand, is het heel vreemd dat de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur in dat tijdsbestek geactiveerd wordt. Deze detectie bestaat uit infrarood lichtstralen die op twee verschillende hoogten horizontaal langs de buitenzijde van de overheaddeur schijnen. De detectie wordt geactiveerd als een van deze lichtstralen wordt onderbroken door een object of door rook. Als er rook door een kier in de overheaddeur naar buiten komt, zou dat de buitendetectie kunnen activeren. Echter, de rook bij een brand in een pand trekt vooral omhoog en komt dan ergens door kieren rond het dak naar buiten. Bij het grote volume van het bedrijfspand is een relatief grote en plotseling optredende brand nodig om voldoende drukopbouw te krijgen dat ook rook door lager gelegen kieren naar buiten wordt geperst.
Daarnaast is de activatie van de bewegingsmelder in het kantoor in een dergelijke korte tijd bijzonder. In het geval van inbraak, zou iemand in zeer korte tijd door de loods heen de trap op moeten lopen en de deur van het kantoor forceren. In het geval van brand kan een bewegingsmelder ook geactiveerd worden. Een bewegingsmelder reageert namelijk op een zich verplaatsende warmtebron en een vuur dat opeens ontstaat, en flakkerende vlammen zijn ook bewegende warmtebronnen. In het geval van de bewegingsmelder in het kantoor, is echter nog een scheidingswand met glazen ruiten aanwezig tussen deze bewegingsmelder en de brand in de loods. De warmtestraling wordt voor een deel door de glazen ruiten in deze scheidingswand tussen het kantoor en de loods tegenhouden. Een bewegingsmelder zal niet snel reageren op een mens die aan de andere kant van een ruit beweegt. De warmte die een mens afgeeft is daarvoor te gering. Een brand geeft echter zoveel warmte af, dat er voldoende straling door de ruit heen zal kunnen komen om de bewegingsmelder in het kantoor wel te activeren.
Het activeren van zone 5 (dakkoepel) van het inbraakalarm ongeveer 1,5 minuut na de eerste vier alarmen, is lastig te interpreteren. Met name omdat onduidelijk is waar die nu precies aanwezig was en welk gebied binnen het detectiebereik lag. Gegeven de beschrijving ‘dakkoepel’, zou het duiden op een bewegingsmelder die hoog in de ruimte is aangebracht en dan zodanig dat die kan detecteren of iemand door een dakkoepel naar binnen komt. Een brand, waarbij uiteraard hete rook vrijkomt die zich onder het dak begint op te hopen, zou een dergelijke bewegingsmelder ook na verloop van tijd kunnen activeren.
Binnen 5 minuten na het ontstaan van de eerste alarmmeldingen verloor het inbraakalarm de verbinding met de particuliere alarmcentrale en konden de eigenaren van [B] geen verbinding meer krijgen met het systeem van de beveiligingscamera's. Dit is goed verklaarbaar als het internetmodem uitvalt, bijvoorbeeld door het wegvallen van de netspanning. Een minuut later ziet de inmiddels ter plaatse gekomen politie een uitslaande brand uit de opening van de overheaddeur. Het is daarbij heel aannemelijk dat dan al delen van elektrische installatie zover zijn aangetast dat daardoor bepaalde delen van het pand spanningsloos werden. Om in ongeveer 6 minuten na de eerste alarmmeldingen een uitslaande brand uit de opening van de overheaddeur te krijgen, moet de brand in de directe nabijheid van deze overheaddeur zijn ontstaan en ook snel tot ontwikkeling zijn gekomen.
Het ontstaan van de brand
In het ontstaansgebied van de brand in enge zin, te weten de directe nabijheid van de overheaddeur, waren twee mogelijke bronnen van brandbaar materiaal aanwezig. Enerzijds is dat de auto die als laatste naar binnen was gereden en met de achterzijde dicht achter de overheaddeur stond. Anderzijds is dat jerrycan [AAKW1866NL] die tussen de achterzijde van de auto en de overheaddeur werd aangetroffen en waarvan in de brandresten vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine zijn aangetoond.
In principe is het mogelijk dat in een stilstaande geparkeerde auto spontaan brand ontstaat. Het is daarbij ook mogelijk dat indien de brand bijvoorbeeld in of onder het dashboard ontstaat, dat de brand zich eerst in het interieur van de auto ontwikkelt zonder dat de bewegingsmelders van het inbraakalarmsysteem dit detecteren. Die zouden pas kunnen reageren als de brand, door het breken van een autoruit, opeens uit de auto komt. Vanaf dat moment kan de brandontwikkeling van een auto zeer snel gaan en een patroon van inbraakmeldingen geven zoals gezien in de tijdlijn. Echter met één uitzondering en dat is de activatie van de detectie aan de buitenzijde van de overheaddeur. Het is niet te verwachten dat er bij een gesloten overheaddeur rook door lager gelegen kieren naar buiten wordt geperst.
Van jerrycan [AAKW1866NL] kan worden vastgesteld dat dit waarschijnlijk een standaard stapelbare jerrycan is geweest 20 à 25 liter. Daarnaast kon worden vastgesteld dat jerrycan [AAKW1866NL] zonder schroefdop en voorover gekanteld heeft gelegen tijdens de brand. Daarnaast werden in de resten van jerrycan [AAKW1866NL] vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine. Dat is op zich niet heel bijzonder om aan te treffen in een autoverhuurbedrijf, maar het zonder dop voorover liggen tijdens de brand is dat wel.
Daarnaast zijn er nog drie andere brandsporen waarbij mogelijk een relatie bestaat met het ontstaan van de brand :
a. Brandrest [AAKW1868NL] tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
b. Brandend materiaal op de straat een eind richting het toegangshek.
c. Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
Ad a. Brandrest [AAKW1868NL] tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
In brandrest [AAKW1868NL] die bestond uit grond van uit de voegen tussen de betonplaten voor de overheaddeur werden vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine aangetoond. Dit brandmonster werd op die bewuste plek genomen op aangeven van een brandhond en door meting met een elektronisch detectieapparaat voor vluchtige organische stoffen. Het is opvallend dat deze plek exact ter hoogte is gelegen van waar aan de binnenzijde van de overheaddeur jerrycan [AAKW1866NL] werd aangetroffen. In het scenario waarbij een met motorbenzine gevulde jerrycan zonder schroefdop voorover wordt gelegd, zal de motorbenzine zich daar over de vloer verspreiden. Normaal gesproken loopt een drempel naar buiten toe af om ervoor te zorgen dat regenwater niet naar binnen stroomt. Het is dan ook zeer aannemelijk om ter hoogte van de plek waar de jerrycan ligt, aan de buitenzijde van de overheaddeur motorbenzine aan te treffen als die tot over de drempel in de grond tussen de voegen van de betonplaten is gelopen.
Een andere verklaring voor het aantreffen van motorbenzine in brandrest [AAKW1868NL] wordt gegeven door zowel de politie als [betrokkene 5] en is gelegen in het feit dat bij het verwijderen van de uitgebrande auto's bleek dat van een aantal de brandstoftank lek was. Drijvend op het bluswater zou dan ook motorbenzine daar op die plek voor de overheaddeur terecht kunnen zijn gekomen. Als dit het geval is, dan moet de motorbenzine uit de lekkende brandstoftanks van de voertuigen daarbij ook langs jerrycan [AAKW1866NL] zijn gestroomd.
Ad b. Brandend materiaal op de straat een eind richting het toegangshek.
Door zowel de politie als de brandweer, die in een vroeg stadium van de brand ter plaatse kwamen, werd enig brandend materiaal gezien dat op de straat lag. Het betreffende brandende materiaal is nog op een foto te zien die door een persfotograaf werd gemaakt. Op deze foto is ook te zien dat het rolhek open staat en dat de brandweer achter dit geopende hek bezig is met het blussen van de brand in de bedrijfsunit van [B] . Gegeven het feit dat het hek pas werd geopend nadat [betrokkene 2] ter plaatse kwam, moet deze foto tenminste 18 minuten na de eerste reeks alarmmeldingen van het alarmsysteem zijn genomen. Het materiaal heeft dan een aanzienlijke tijd zelfstandig op straat liggend kunnen branden. Het is goed mogelijk dat het daarbij vrijwel is opgebrand en dat aan de brandresten moeilijk te zien is wat voor materiaal het is geweest.
Het is hoe dan ook opmerkelijk dat daar op straat iets ligt te branden en dan ook gedurende een langere tijd, terwijl even verderop een gebouw in brand staat. Dit is niet te verklaren als iets dat tijdens de brand werd weggeslingerd. Dan zou het voor de opening van de overheaddeur zijn aangetroffen en niet op zo'n afstand (tegen de windrichting in) naar de zijkant.
Ad c. Kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
Zowel in kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL] zijn vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine aangetoond. Daarnaast bleken de resultaten van het vergelijkend motorbenzine onderzoek waarschijnlijker als de motorbenzine in kleding [AAKW2862NL], schoen [AAKW2863NL] en jerrycan [AAKW1866NL] afkomstig zijn van dezelfde bron dan als ze afkomstig zijn van een verschillende bron. Dit geeft veel steun voor het scenario dat kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] voorafgaande aan de brand in contact zijn gekomen met de motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL] en vervolgens van elkaar zijn gescheiden waarbij de jerrycan in het pand achterbleef en de kleding en schoen bij het toegangshek terecht zijn gekomen.
Uit de resultaten van het vergelijkend motorbenzine onderzoek volgt ook dat de motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL], zoals die na de brand daarin werd aangetoond, nauwelijks in samenstelling is veranderd. Dit is heel moeilijk te verklaren als tijdens het blussen van de brand er motorbenzine, eventueel ook nog gemengd met diesel, uit de lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand, drijvend op het bluswater richting de overheaddeur zou zijn gestroomd. Dan is het namelijk te verwachten dat dan ook de jerrycan [AAKW1866NL] daarmee gecontamineerd zou worden en daarmee af zou gaan wijken in samenstelling ten opzichte van de motorbenzine die is aangetoond in kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW28-63NL].
De aanwijzing dat de motorbenzine, die is aangetoond in jerrycan [AAKW1866NL], niet is gecontamineerd met op het bluswater drijvende brandstoffen uit de voertuigen in het pand, vormt ook een sterke aanwijzing dat de motorbenzine, die is aangetoond in brandmonster [AAKW1868NL] van tussen de betonplaten voor de overheaddeur, niet afkomstig is van met het bluswater meegevoerde autobrandstoffen. Als dat namelijk wel het geval zou zijn, zouden er zoveel autobrandstoffen met het bluswater over de drempel van de overheaddeur zijn gestroomd, dat dan ook te verwachten is dat de brandrest van jerrycan [AAKW1866NL] daarmee gecontamineerd zou zijn. Dit, samen met de bevindingen dat jerrycan [AAKW1866NL] tijdens de brand zonder dop voorover heeft gelegen en de korte afstand tussen de jerrycan [AAKW1866NL] en de plaats waar het brandmonster [AAKW2868NL] werd genomen, past veel beter bij een scenario waarbij er een hoeveelheid motorbenzine uit de jerrycan is gestroomd en over de drempel van de overheaddeur naar buiten is gestroomd, dan dat de motorbenzine voor de overheaddeur daar terecht is gekomen door op bluswater meegevoerde autobrandstoffen uit lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand.
Resumé ontstaan van de brand
De bevindingen die bij dit brandtechnisch onderzoek worden beschouwd zijn:
- De snelle opeenvolging en volgorde van alarmmeldingen van het inbraakalarmsysteem.
- De buitendetectie van de overheaddeur die daarbij ook geactiveerd werd.
- Dat binnen zes minuten na de opeenvolging van alarmmeldingen, de brand reeds vol uit de deuropening van de overheaddeur naar buiten kwam.
- Het aantreffen van jerrycan [AAKW1866NL] tussen de achterzijde van de auto en de overheaddeur.
- Dat jerrycan [AAKW1866NL] zonder schroefdop voorover, heeft gelegen tijdens de brand.
- Dat jerrycan [AAKW1866NL] oorspronkelijk een inhoud van 20 à 25 liter moet hebben gehad.
- De aanwezigheid van motorbenzine in jerrycan [AAKW1866NL].
- De aanwezigheid van motorbenzine in brandrest [AAKW2868NL] van tussen de betonplaten voor de overheaddeur.
- Het aantreffen van brandend materiaal op de straat een eind opzij van de overheaddeur in de richting van het toegangshek.
- Het aantreffen van kleding [AAKW2862NL] en een schoen met brandsporen [AAKW2863NL] bij het toegangshek.
- De aanwezigheid van motorbenzine in kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL].
- De bevindingen van het motorbenzine vergelijkend onderzoek die waarschijnlijker zijn als de motorbenzine in kleding [AAKW2862NL], schoen [AAKW2863NL] en jerrycan [AAKW1866NL] van een gelijke bron afkomstig zijn, dan dat ze een verschillende bron hebben.
Al deze bevindingen zijn volledig en logisch verklaarbaar in een scenario waarbij de overheaddeur werd geforceerd waardoor er een gat in ontstond of deze deels geopend werd, er een jerrycan met een aanzienlijke hoeveelheid motorbenzine achter deze overheaddeur zonder schroefdop voorover werd neergelegd, waardoor de motorbenzine over de vloer en de drempel van de overheaddeur begon uit te vloeien, de motorbenzine is ontstoken waarbij de opeenvolgende alarmmeldingen van het inbraakalarm ontstonden, er brandende delen en met de motorbenzine in contact gekomen kleding en schoen op de vluchtroute richting het toegangshek werden achtergelaten, de brand zich in het pand intussen snel kon ontwikkelen waarbij de ter plaatse gekomen hulpdiensten korte tijd later een uitslaande brand uit de overheaddeur zagen, de kleding en schoen bij het toegangshek aantroffen en ook het op de straat brandende materiaal.
Het is niet gelukt een ander scenario voor het ontstaan van de brand te bedenken waarbij al deze bevindingen, vooral in samenhang met elkaar, verklaard kunnen worden. Dit sluit echter het bestaan van een dergelijk ander scenario niet geheel uit. Derhalve wordt geconcludeerd dat de bevindingen van het brandtechnisch onderzoek zeer veel steun geven voor de hypothese dat de brand door brandstichting is ontstaan dan als de brand op een andere manier is ontstaan.
Brandschade kleding en verwondingen bij verdachte
Een beschouwing tussen kleding [AAKW2862NL] en schoen [AAKW2863NL] enerzijds en de verwondingen bij verdachte anderzijds, veronderstelt dat de kleding en de schoen door verdachte werden gedragen op het moment dat beide in aanraking kwamen met een brandproces. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn. De sporen op de kleding en de schoen kunnen ook los van de verwondingen bij verdachte zijn ontstaan. Bij die beoordeling spelen veel meer dan alleen brandtechnische aspecten een rol. Daarom is de vergelijking tussen de brandschade op de kleding en schoen en de verwondingen bij verdachte niet meegenomen in de beantwoording van de vraag hoe de brand is ontstaan. Toch zijn er brandtechnische aspecten aan deze vergelijking die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de zaak als geheel en dan met name voor de weging van hypothesen die betrekking hebben op een eventueel verband tussen de verdachte en de brand.
Van kleding [AAKW2862NL] kon niet worden vastgesteld of, en zo ja, waar deze kleding in contact is geweest met een brandproces. Hierdoor is zowel in het algemeen als in het specifieke geval met betrekking tot de verwondingen bij verdachte, geen nadere duiding mogelijk. Van schoen [AAKW2863NL] is de aantasting door brand maar zeer beperkt. De schoen heeft dan ook nauwelijks zelf in brand gestaan. Echter, dit sluit niet uit dat de broek van de drager van de schoen in brand stond. Op het moment dat als eerste de schoen wordt uitgetrokken om uit een brandende broek te kunnen stappen, kan de brandende broek leiden tot brandwonden bij de drager ervan zonder dat de schoen verder door de brand wordt aangetast.
Uit de letselbeschrijving blijkt dat bij verdachte oppervlakkige brandwonden aan beide handen, de rechter pols en aan de voorzijde van de rechter enkel werden vastgesteld. Deze verwondingen kunnen niet direct verklaard worden door de sporen op zowel kleding [AAKW2862NL] als schoen [AAKW2863NL]. Echter, op grond van de beperkte brandschade op schoen [AAKW2863NL] kan niet worden geconcludeerd dat verdachte deze schoen niet heeft gedragen. De sporen op schoen [AAKW2863NL] en de brandwond op de enkel van verdachte, zijn immers ook verklaarbaar indien de verdachte een broek droeg die in brand stond.
Conclusie
De bevindingen die in het brandtechnisch onderzoek worden beschouwd zijn zeer veel waarschijnlijker als de brand is ontstaan door brandstichting dan als de brand op een andere manier is ontstaan.
Verbale term Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk 1-2
Iets waarschijnlijker 2-10
Waarschijnlijker 10-100
Veel waarschijnlijker 100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
12. Een rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting gepleegd in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met bijbehorende bijlage, d.d. 19 augustus 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. C. van Kooten, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AAKW2862NL#01 bemonstering van de binnenzijde van de kraag van een T-shirt
AAKW2863NL#01 bemonstering van de instapopening van de schoen
Resultaten, interpretatie en conclusie
In Tabel 1 staat vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn.
Tabel 1 Resultaten interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
SIN
Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans DNA-profiel
AAKW2862NL#01
T-shirt
DNA-profiel van een man
[verdachte] (zie ‘DNA-databank’)
kleiner dan 1 op 1 miljard
AAKW2863NL#01
Schoen
DNA-profiel van een man
[verdachte]
kleiner dan 1 op 1 miljard
DNA-databank
Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAKW2862NL#01 is op 17 augustus 2016 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte] RAAR0947NL. Dit betekent dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte] .
13. Een proces-verbaal Letsel verdachte d.d. 16 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zondag 16 oktober 2016 omstreeks 11.00 uur werd door [betrokkene 6] , Farr-arts te Rotterdam, met schriftelijke toestemming van de verdachte;
[verdachte] ,
geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
mogelijk door de verdachte opgelopen letsel bekeken. Ik was daarbij aanwezig.
Het ging om letsel op de rechtervoet van de verdachte en op de bovenzijde van beide handen.
Het (het hof begrijpt:
letsel op de rechtervoet), was brandletsel.
Voornoemde Farr-arts maakt omtrent dit onderzoek een rapportage op.
Voornoemde Farr-arts gaf mij aan dat;
- het letsel op de rechtervoet soortgelijk is aan de letsels op beide handen
- dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het letsel op de voet 6 jaar geleden is ontstaan, dat is te lang geleden. Dit letsel is ook niet heel recent.
14. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring inhoudende de medische informatie/letselbeschrijving met betrekking tot. de verdachte [verdachte] d.d. 21 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door de arts [betrokkene 6] . Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze arts:
Aan de rechter voet, op de grens met onderbeen, voorzijde, bevindt zich een rozekleurige stervormige huidverkleuring +/- 1,5 bij 1 cm. De rand eromheen is donkerbruin, de breedte van de rand is +/- 0,3 cm.
Op de linker handrug, naast duim, in verticale richting is een ovaalvormige roze huidverkleuring + /- 1,3 bij 2 cm. Er omheen is een donkere bruine rand +/- 0,5 cm. Aan onderkant, richting handknokkels is een ronde roze huidverkleuring +/- 0,3-0,5 cm.
Op de rechter handrug, van duimwortel richting tweede vinger, verticaal is een S vormige roze huidverkleuring +/- 0,5-1,5 bij 4,3 cm. Roze verkleuring bij duimwortel is smaller +/ 0,3cm, die loopt door met een verbreding tot +/- 1,5 cm richting tweede vinger.
Op de duim is een E vormige roze huidverkleuring +/- 1,3 bij 0,7 cm.
Op de handknokkels van tweede en derde vinger zijn ronde rooskleurige huid veranderingen zichtbaar +/- 0,3 bij 0,3 cm en 1 bij 0,5 cm.
Deze roze huidverkleuringen hebben een donkerbruine rand +/- 0,3-0,5 cm breed.
De veranderingen op de huid kunnen passen bij hypopigmentatie (huidskleur vermindering) van huid bij littekenvorming na oppervlakkige brandverwondingen. De roze verkleuring van huid en zichtbare donkere randen rondom deze verkleuringen kunnen passen bij genezingsproces en consolidatie (samenvoeging) van huid bij ondiepe brandverwondingen.
15. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op dinsdag 25 oktober 2016 heeft, met machtiging van de rechter-commissaris, een doorzoeking plaatsgevonden in een woning aan de [g-straat 1] te [plaats] . Dit betreft de woning van de ouders van de verdachte, echter heeft deze verklaard in die woning onder andere nog kleding te hebben liggen. Tijdens deze doorzoeking is een doosje met medicijnen met daarbij verbandgazen aangetroffen. De medicijnen zijn afgegeven op naam van de verdachte en draagt de naam Amoxicilline/Clavulaanzuur Sandoz. In het doosje zaten nog 2 pillen.
Volgens de sticker zijn deze medicijnen op 20/06/2016 door dokter [betrokkene 7] afgegeven aan de verdachte door apotheek [F] te [plaats] .
Opgemerkt wordt dat de medicijnen een dag na de brand zijn afgegeven. Na een zoekslag op het internet naar ‘dokter’ en ‘ [betrokkene 7] ’ kreeg ik als resultaat Dokter [betrokkene 7] , huisartsenpraktijk [betrokkene 7] gevestigd aan de [h-straat 1] , [plaats] .
Hierop heb ik bij de Forensische artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) de volgende vraagstelling (inclusief inleiding) gedaan:
‘In verband met een onderzoek naar een grote brandstichting (…) is een doorzoeking bij de verdachte gedaan. Daar zijn medicijnen in beslaggenomen die een dag na de brandstichting zijn uitgegeven op naam van de verdachte. Aangezien hij brandwonden heeft, waarvoor hij bijna zeker behandeld moet zijn, is de vraag of naar aanleiding van de naam, dan wel soort, aangegeven kan worden waarvoor deze medicijnen gebruikt/gegeven worden.’
Hierop is door dr. P.M.P. van Dorst, het volgende geantwoord:
‘De
medicijnen (amoxicilline/clavulaanzuur) betreffen antibiotica die vaak gegeven worden bij infecties, dan wel preventief gegeven worden bij een verhoogde kans op infecties.
Het is zeer goed mogelijk dat een dergelijke antibioticakuur verstrekt wordt aan iemand met forse letsels van de huid, zoals brandwonden, met een daarbij passend verhoogd risico op infecties.’
16. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 november 2017 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het klopt dat ik een dag na de brand contact heb opgenomen met een huisarts in Dordrecht.
Het klopt dat de politie bij mij thuis verbandgazen en medicijndoosjes heeft gevonden. Er zaten nog twee tabletten tegen infecties in.
Ik ben inderdaad op 20 juni niet gaan werken. De ontstekingen waren te erg.
17. Een rapport Forensisch geneeskundig onderzoek naar aanleiding van een brandstichting op 19-06-2016 in [plaats] van het Nederlands. Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 3 februari 2017, opgemaakt en ondertekend door H.N.J.M. van Venrooij, NFI-deskundige Forensische Geneeskunde. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas, van deze deskundige:
Vraagstelling
Deze is in de onderzoekaanvraag als volgt geformuleerd:
Hypothese 1a: het letsel aan de voet is circa 6 jaar geleden ontstaan, op een niet nader omschreven wijze.
Hypothese 1b: het letsel aan de handen is op een niet nader omschreven tijdstip, maar in ieder geval eerder dan op 19-06-2016, ontstaan door blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat.
Hypothese 2: de letsels zijn op 19-06-2016 ontstaan, door blootstelling aan open vuur/hitte via brandende kleding/schoeisel, al dan niet in combinatie met een brandende en/of hete vloeistof.
En rapporteer vervolgens de waarschijnlijkheid van onderzoeksresultaten in de combinaties: hypothese 1a/hypothese 2 en hypothese 1b/hypothese 2.
Onderzoeksresultaten
Onderzoek van het beschikbare fotomateriaal
(
BFK: foto’s 1 en 2)
Foto 1 en foto 2 zijn overzichtsopnamen van een deel van de onderarmen, de polsen en de handen. Aan de buig- en strekzijde van de rechterpols en plaatselijk op beide handruggen zijn diverse scherp begrensde, roze huidverkleuringen zichtbaar die zijn aangeduid met drie paarse pijlen.
Aan de buig- en strekzijde van de rechteronderarm is een gebied zichtbaar waarin de huid donkerder is gekleurd dan de huid in de omgeving. Dit gebied is aangeduid met de twee gele pijlen. Naar elleboogwaarts is de begrenzing onscherper dan naar polswaarts.
(
BFK: foto’s 3 en 4)
A. Foto 3 toont de buigzijde van de rechterpols meer in detail. Daar bevindt zich een roze huidverkleuring met een scherpe, vrijwel rechte lijnvormige begrenzing naar polswaarts, en een golvend verlopende begrenzing naar elleboogwaarts. Daar zijn tevens enkele kleine, eveneens scherp begrensde, roze huidverkleuringen zichtbaar. De oriëntatie van de polswaartse begrenzing van de roze huidverkleuring is dwars ten opzichte van de lengteas door de onderarm. Naar pinkwaarts is er een versmalling tot een breedte van circa 0,5 cm die is aan geduid met de groene pijlen (foto 3 en foto 4).
In het gebied met roze huidverkleuring bevinden zich twee dunne, evenwijdige, streepvormige, lichtrode huidverkleuringen. Deze verlopen parallel ten opzichte van de lengteas door de onderarm en zijn aangeduid met de twee zwarte pijlen.
B. Polswaarts van de roze huidverkleuring (A) is een tamelijk scherp begrensd bandvormig, donkerder gebied zichtbaar op de overgang naar de omgevende huid, dat is aangeduid met de rode pijl. Dit smalle bandvormige gebied zet zich elleboogwaarts voort in het gebied met donkere huidverkleuring zoals eerder vermeld. Naar de elleboog toe gaat deze donkere huidverkleuring tamelijk geleidelijk over in de omgeving.
Foto 4 toont de strekzijde van de rechterpols meer in detail. Met twee blauwe pijlen is de tamelijk scherpe, dwars georiënteerde polswaartse begrenzing van het gebied met donkere huidverkleuring (B) aangeduid. Tevens is te zien dat er plaatselijke, onscherp begrensde gebieden zijn waar de huid nog donkerder is en waar het patroon van de huidlijnen grover is dan in de directe omgeving, met overigens aanwezige beharing. Twee van dergelijke gebieden zijn aangeduid met de witte pijlen.
(
BFK: foto’s 5 en 6)
Foto 5 is een overzichtsopname van het duimwaartse deel van de rechterhandrug, foto 6 toont het gebied polswaarts van het basisgewricht van de wijsvinger en de duim meer in detail.
C. Hier is een tamelijk ovale roze huidverkleuring van maximaal circa 2,5 cm bij 1,2 cm zichtbaar. Deze heeft een oriëntatie die evenwijdig is aan de lengteas door de wijsvinger. De begrenzing met de omgeving is scherp, met een wat golvend verloop. Het dichtst bij de wijsvinger is een kleine ronde uitbreiding zichtbaar waarin zich een eilandvormige huidpigmentatie bevindt, aangeduid met de rood-witte pijl. De directe omgeving van deze roze huidverkleuring is over een breedte van circa 0,5 cm donkerder dan de omgevende huid, en gaat daarin geleidelijk over.
(
BFK: foto’s 7 en 8)
Foto 7 is een overzichtsopname van het duimwaartse deel van de linkerhandrug, foto 8 toont het gebied tussen de basisgewrichten van de duim en van de wijsvinger meer in detail.
D. Aan de pinkwaartse zijde van het basisgewricht van de duim, aangeduid met de blauw-witte pijlen (foto 7 en foto 8), bevindt zich een grillig gevormde roze huidverkleuring van maximaal circa 1,0 cm bij 0,7 cm. De begrenzing is scherp, met een golvend verloop en de directe omgeving is plaatselijk donkerder, met een geleidelijke overgang naar de omgevende huid.
(
BFK: foto’s 9 en 10)
Foto 9 toont het gebied tussen de basisgewrichten van de duim en van de wijsvinger meer in detail.
E. Aan de polswaartse zijde van het basisgewricht van de wijsvinger, aangeduid met de zwart-witte pijlen (foto 7 en foto 9), bevindt zich een langgerekte roze huidverkleuring van maximaal circa 4,5 cm bij 1,5 cm die de contouren van dit basisgewricht volgt. De oriëntatie is evenwijdig aan de lengteas door de wijsvinger. De begrenzing van deze roze huidverkleuring is scherp, met een golvend verloop. Naar polswaarts is er een smalle uitloop van maximaal circa 0,2 cm breed, die eindigt in een rond gebied met een doorsnede van circa 0,4 cm. Dit is aangeduid met de rood-zwarte pijl. De directe omgeving van deze roze huidverkleuring is plaatselijk, over een breedte van maximaal circa 0,5 cm, donkerder dan de omgevende huid, en gaat daarin geleidelijk over.
F. Voorbij het basisgewricht van de wijsvinger is een tamelijk ovale, donkerrode huidverkleuring met een maximale doorsnede van circa 0,5 cm zichtbaar. Deze is op foto 7 aangeduid met de grijs-witte pijl.
G. Zoals in detail afgebeeld op foto 10 is aan de duimwaartse zijde van het basisgewricht van de linkermiddenvinger een roze huidverkleuring zichtbaar van maximaal circa 1,0 cm bij 0,5 cm. Deze is aangeduid met de groen-witte pijlen (foto 7 en foto 10). De begrenzing naar de iets donkerdere omgeving is scherp, en deze overgangszone gaat geleidelijk over in de omgevende huid.
H. Ter plaatse van de overgang van de middelvinger naar de ringvinger op de handrug is, aangeduid met de paars-witte pijl (foto 10), een puntvormige roze huidverkleuring te zien. Naar de omgevende huid toe is er een iets donkerder gekleurde overgangszone.
(
BFK: foto’s 11 en 12)
Foto 11 is een overzichtsopname van de strekzijde van de rechtervoet en -enkel, foto 12 toont de voorzijde van de rechterenkel meer in detail.
I. In dat gebied is een grillig gevormde roze huidverkleuring van maximaal circa 1,5 cm bij 0,8 cm zichtbaar. De begrenzing is scherp en heeft een golvend verloop. In de directe omgeving is een donkerder gekleurde, onscherp begrensde overgang naar de omgeving zichtbaar. De breedte daarvan varieert van enkele millimeters tot maximaal circa 1,0 cm in hoofdwaartse richting.
Interpretatie
De scherp begrensde roze huidverkleuringen aan de buigzijde van de rechterpols (A), op de duimzijde van de rechterhandrug (C), op de linkerhandrug (D, E, G, H) en aan de voorzijde van de rechterenkel (I) passen, gezien de combinatie van centrale gebieden met ontbreken van huidpigmentatie (‘depigmentatie’) met daar omheen gelegen overgangszones van donkerdere huidverkleuringen door toegenomen huidpigmentatie ('hyperpigmentatie'), en het ontbreken van meer of minder uitgebreide littekenvorming (‘contracturen’) bij grotendeels genezen, relatief oppervlakkige brandwonden. Gezien de roze kleur van de centrale gedepigmenteerde gebieden wordt de leeftijd van alle beschreven letsels geschat op weken tot enkele maanden. Indien deze brandwonden veel ouder zouden zijn, in de orde van grootte van vele maanden tot jaren, zouden de gebieden met depigmentatie geheel ontkleurd, en daarom wit zijn. In dit verband wordt, mede gelet op de voorliggende vraagstelling, opgemerkt dat de diverse letsels, in het bijzonder de brandwonden aan de rechteronderarm en aan de handen en de brandwond aan de rechterenkel niet gelijktijdig en/of bij dezelfde gelegenheid ontstaan hoeven te zijn, maar dat de geschatte ouderdom van deze letsels gezien de beschreven wondkenmerken wel in dezelfde orde van grootte van weken tot enkele maanden ligt.
De afgeronde, deels golvende begrenzingen van deze huidverkleuringen ten opzichte van de intacte huid in de omgeving kunnen in algemene zin verklaard worden door verbrandingen die zijn ontstaan door plaatselijk inwerkingen van een hete en/of brandende vloeistof op het lichaam. Het al dan niet bedekt zijn van (delen van) het lichaam door kleding en de mogelijke invloed daarvan op de uiteindelijk resulterende letsels dient bij het duiden van deze brandwonden in aanmerking te worden genomen.
Het deels gegroepeerd, maar ook los van elkaar voorkomen van letsels van diverse afmetingen op de beide handruggen (C, D, E, G en H), de rechterpols (A) en de rechterenkel (I) kan in dit verband (mede) verklaard worden door blootstelling aan spatten (‘splashing stains’) van/met een dergelijke vloeistof.
De onder F beschreven donkerroze en tamelijk ronde huidverkleuring aan de strekzijde van de linkerwijsvinger past bij een grotendeels genezen, echter minder diepe brandwond die eveneens door spatten kan zijn ontstaan.
De lijnvormige en scherpe afgrenzing van de roze huidverkleuring (A) aan de polswaartse zijde daarvan kan, in combinatie met het smalle verloop naar de pinkzijde van de pols, worden verklaard door de inwerking van hitte door uitvloeien van een hete en/of brandende vloeistof langs een bandvormig object of (deel van een) kledingstuk rondom die pols (‘running off stains’). De onder E beschreven smalle uitloper met het bredere ronde uiteinde op de linkerhandrug kan, in combinatie met de langgerekte vorm van de huidverkleuring en het verloop langs de contour van het basisgewricht van de wijsvinger, eveneens worden verklaard door verbranding met een dergelijke uitvloeiende hete en/of brandende vloeistof.
De onder B beschreven gebieden van donkere huidverkleuring rondom de rechterpols en -onderarm, met in het bijzonder aan de strekzijde plaatselijk intensere huidverkleuringen, kunnen worden verklaard door plaatselijke toename van pigment als gevolg van relatief oppervlakkige en/of kortdurende blootstelling aan hitte (‘flame pattern’). Door een dergelijke blootstelling aan hitte kan ook de beschreven plaatselijke vergroving van het patroon van huidplooien aan de strekzijde van de rechteronderarm worden verklaard.
De twee onder A beschreven dunne, evenwijdige, streepvormige, lichtrode huidverkleuringen in de roze huidverkleuring aan de buigzijde van de rechterpols berusten mogelijk op een schaduweffect door de contour van op die locatie dicht onder de huid gelegen buigpezen van de hand en vingers. Daarnaast kunnen plaatselijke variaties in het (vorderende) genezingsproces een verklaring zijn voor deze lijnvormige kleurverschillen.
Thermische geweldsinwerkingen en letsel in het licht van de hypotheses
Op basis van hetgeen is vermeld over de kenmerken van de letsels zoals beschreven onder A tot en met I passen deze bij grotendeels genezen brandwonden van weken tot maanden oud. Deze kunnen worden verklaard door plaatselijke inwerkingen van thermisch geweld in de vorm van al dan niet spattende hete en/of brandende vloeistof op diverse plaatsen op het lichaam, al dan niet in combinatie met effecten van ten tijde van deze geweldsinwerkingen gedragen kleding/schoeisel.
De thermische geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden op de rechterpols (A) en rechteronderarm (B), de rechterhandrug (C), de linkerhandrug (D t/m H) en de voorzijde van de rechterenkel (I). Hoewel theoretisch op basis van de wondkenmerken niet kan worden bepaald of deze letsels gelijktijdig zijn ontstaan of dat één of meer van deze letsels op (één of meer) andere momenten zijn ontstaan, is het aannemelijk dat de letsels die kunnen worden verklaard door (spatten met) een hete en/of brandende vloeistof op de strekzijde van de hand(en), in het bijzonder de letsels beschreven onder C t/m H, gelijktijdig ontstaan zijn. Daarmee blijft de mogelijkheid aanwezig dat het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I) op een ander moment is ontstaan, echter binnen hetzelfde geschatte tijdsinterval van weken tot enkele maanden voorafgaand aan het fotografisch vastleggen van de letsels op 16-10-2016 als alle overige letsels (beschreven onder A t/m H).
In algemene zin zou blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat in een periode van weken tot enkele maanden voorafgaand aan 16-10-2016 het oplopen daarvan, gezien het aspect en de geschatte ouderdom van deze letsels, kunnen verklaren.
Gezien de wondkenmerken en de daarop gebaseerde geschatte leeftijd van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), van weken tot enkele maanden, kan dit letsel niet worden verklaard door een, overigens niet nader omschreven, ontstaanswijze circa zes jaar voor 16-10-2016.
In het licht van de voorliggende vraagstelling wordt gesteld dat het aantreffen van deze wondkenmerken veel waarschijnlijker is indien alle letsels weken tot maanden oud zijn dan dat deze jaren oud zijn.
Beantwoording vraagstelling
Hypothese 1a: het letsel aan de voet is circa 6 jaar geleden ontstaan, op een niet nader omschreven wijze.
Hypothese 1b: het letsel aan de handen is op een niet nader omschreven tijdstip, maar in ieder geval eerder dan op 19-06-2016, ontstaan door blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat.
Hypothese 2: de letsels zijn op 19-06-2016 ontstaan, door blootstelling aan open vuur/hitte via brandende kleding/schoeisel, al dan niet in combinatie met een brandende en/of hete vloeistof.
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, in het bijzonder de kenmerken van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), is waarschijnlijker als hypothese 2 waar is dan als hypothese 1a waar is.
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen betreffende de verwondingen aan de rechterpols (A), rechteronderarm (B) en aan beide handen (C t/m H) is ongeveer even waarschijnlijk onder hypothese 2 als onder hypothese 1b.
Verbale term
Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk
1-2
Iets waarschijnlijker
2-10
Waarschijnlijker
10-100
Veel waarschijnlijker
100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker
10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker
> 1.000.000
18. Een rapport Evaluatie van resultaten van onderzoek naar biologische sporen en DNA gegeven hypothesen op activiteitniveau naar aanleiding van een brandstichting gepleegd in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…), d.d. 29 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door dr. B. Kokshoorn, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Dit rapport houdt, onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
Vraagstelling
Deskundige Interdisciplinair Forensisch Onderzoek drs. J.A. de Koeijer heeft verzocht om de resultaten van de onderzoeken naar biologische sporen en DNA in deze zaak te evalueren onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1: De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Hypothese 2: Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
De kans is...
betekent dat de kans wordt ingeschat…
zeer klein
als kleiner dan 0,05
klein
tussen 0,05 en 0,25
betrekkelijk groot
tussen 0,25 en 0,75
groot
tussen 0,75 en 0,95
zeer groot
als groter dan 0,95
Toelichting: Kansen bestrijken een gebied tussen nul en één. Een kans van 0,05 kan gelezen worden als een 5% kans, een kans van 0,95 als een 95% kans.
Aannamen
Aangenomen wordt dat bemonsteringen AAAKW2862NL#01 (T-shirt) en AAKW2863NL#01 (schoen) daadwerkelijk DNA bevatten van verdachte [verdachte] . Deze aanname is gebaseerd op de met het DNA-profiel van de verdachte overeenkomende DNA-profielen en de bijbehorende hoge bewijskracht, en dat niet betwist wordt dat de bemonsteringen DNA van verdachte bevatten.
Onderzoeksresultaten
Van bemonsteringen van de binnenzijde van de kraag van T-shirt AAKW2862NL#01 en de binnenzijde van de instapopening van schoen AAKW2863NL#01 zijn DNA-mengprofielen verkregen. Beide bemonsteringen bevatten een prominente hoeveelheid DNA van verdachte [verdachte] , en een zeer geringe hoeveelheid DNA van een of meer onbekende personen. Deze geringe hoeveelheid DNA is niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.
Overwegingen
Ten aanzien van hypothese 1
Uit onderzoek door Szkuta et al. blijkt dat de kans betrekkelijk groot is om een relatief grote hoeveelheid DNA van de drager aan te treffen in bemonsteringen van de binnenzijde van de kraag als een kledingstuk enkele uren is gedragen. Uit dezelfde studie blijkt ook dat de kans betrekkelijk groot is om een relatief geringe hoeveelheid DNA van onbekende personen op kleding aan te treffen, zogenoemd ‘achtergrond DNA’. Er zijn geen studies beschikbaar waarin specifiek onderzoek is gedaan naar de kans op het aantreffen van DNA aan de binnenzijde van schoenen. Op basis van mijn kennis van de dynamiek van biologische sporen en ervaring met onderzoek aan schoenen acht ik de kans op het verkregen resultaat eveneens betrekkelijk groot onder deze hypothese.
Ten aanzien van hypothese 2
De kans om DNA van de onbekende drager van de kleding tijdens het incident aan te treffen, is afhankelijk van de hoeveelheid biologisch materiaal van verdachte die reeds aanwezig was, en van de duur en frequentie van dragen door deze onbekende persoon. Onbekend is hoe frequent verdachte de kleding heeft gedragen voorafgaand aan het incident of wanneer dit voor het laatst was. Als verdachte de kleding gedurende minimaal een dag heeft gedragen en de kleding daarna niet meer is gewassen, is de kans groot om een prominente hoeveelheid DNA van verdachte in de bemonsteringen aan te treffen. Als we aannemen dat de kleding door de onbekende dader enige tijd is gedragen (zeg ten minste enkele minuten), dan is de kans betrekkelijk groot om (een geringe hoeveelheid) DNA van de onbekende persoon op de kleding aan te treffen nadat deze eerder door verdachte is gedragen. Naarmate de duur van dragen door de onbekende persoon toeneemt, zal de relatieve hoeveelheid DNA van de onbekende drager toenemen ten opzichte van de hoeveelheid DNA van verdachte.
Interpretatie en conclusie
De bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek zijn geëvalueerd onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1: De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Hypothese 2: Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Op basis van de genoemde overwegingen (en onder de gegeven context-informatie en aannamen) acht ik de resultaten van de onderzoeken ongeveer even waarschijnlijk als hypothese 1 waar is, als wanneer hypothese 2 waar is, wanneer de kleding door de onbekende dader hoogstens enkele minuten is gedragen, en daaraan voorafgaand ten minste enkele uren door de verdachte. Naarmate de kleding door de onbekende dader langer is gedragen, zal het onderzoeksresultaat in een bepaalde mate onwaarschijnlijker worden onder hypothese 2, omdat er geen prominentere hoeveelheid DNA van een onbekende persoon is aangetroffen in de bemonsteringen. Omdat mij geen informatie bekend is over de duur en frequentie van dragen van de kleding door de verdachte voorafgaand aan het incident, of over de duur van dragen door de onbekende dader, kan ik de bewijskracht van het onderzoeksresultaat niet nauwkeurig bepalen.
19. Een Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een brand in [plaats] op 19 juni 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, (…) met de bijbehorende bijlagen, d.d. 29 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door drs. J.A. de Koeijer, NFI-deskundige Interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO). Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van deze deskundige:
2.2
Formulering van de conclusies
Verbale term
Ordegrootte bewijskracht
Ongeveer even waarschijnlijk
1-2
Iets waarschijnlijker
2-10
Waarschijnlijker
10-100
Veel waarschijnlijker
100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker
10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker
> 1.000.000
4. Vraagstelling IDFO
Het uitvoeren van een Interdisciplinair Forensisch Onderzoek, waarin op basis van deelrapportages een interdisciplinaire rapportage wordt opgesteld, waarin de samenhang van alle onderzoeksresultaten worden beschouwd, kijkend naar de hypotheses, om tot een totaalconclusie te komen waarin de totale bewijskracht van alle forensische onderzoeken wordt gegeven. Uitgaande van de volgende twee scenario's:
Scenario van het Openbaar Ministerie
De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Scenario van de verdediging
Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Bij het IDFO-onderzoek dienen de volgende onderzoeken betrokken te worden:
1. (..)
2. onderzoek aan de brandresten AAKW1868NL,
3. onderzoek aan de jerrycan AAKW1866NL,
4. onderzoek aan het schoeisel AAKW2863NL,
5. onderzoek aan de kleding AAKW2862NL,
6. de registratie van de telefoon op de telefoonmast vanaf de plaats delict,
7. het patroon van meldingen van het inbraakalarm en de brandmelders.
Verder is in een e-mailwisseling in de periode 12 december 2019 en 9 januari 2020 tussen mijzelf en het kabinet RHC afgestemd dat door het NFI ook nader onderzoek wordt gedaan naar verschillende brandoorzaakscenario's om nadere duiding te kunnen geven aan de mogelijkheid dat hier sprake zou zijn van brandstichting.
In feite zouden dus de volgende twee vragen moeten worden beantwoord:
1. Is er sprake geweest van brandstichting?
2. Zo ja, wie heeft er brand gesticht?
Ten aanzien van vraag 1 zijn de volgende hypothesen opgesteld:
Hypothese 1a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is ontstaan door brandstichting.
Hypothese 2a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni .2016 in [B] is op een andere manier ontstaan.
Ten aanzien van vraag 2 zijn de volgende hypothesen opgesteld:
Hypothese 1b. Verdachte [verdachte] heeft in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] gesticht.
Hypothese 2b. Iemand anders heeft in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] gesticht. Verdachte [verdachte] heeft niets met de brand te maken.
5. Overzicht van de onderzoeksresultaten
5.2
Chemisch brandonderzoek (rapport 2)
In eerdere onderzoeken aan de in de nacht van 18 op 19 juni 2016 bij het toegangshek van [B] aangetroffen kleding AAKW2862NL en schoenen AAKW2863NL en aan de restanten van de achter de overheaddeur van het bedrijf aangetroffen jerrycan AAKW1866NL zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
Om te onderzoeken of de motorbenzine aangetroffen in de kleding en de schoenen een gezamenlijke herkomst kan hebben met de motorbenzine in de restanten van de jerrycan zijn de resultaten uit dit eerder onderzoek onderling vergeleken.
De conclusie van dit vergelijkend onderzoek wordt geformuleerd aan de hand van de volgende hypothesen:
Hypothese CB1: De motorbenzine in de kleding/schoenen en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan zijn afkomstig van dezelfde bron.
Hypothese CB2: De motorbenzine in de kleding/schoenen en de motorbenzine uit de restanten van de jerrycan zijn afkomstig van een verschillende bron.
Ten aanzien van zowel de kleding als de schoenen wordt de volgende conclusie getrokken:
De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese CB1 waar is dan wanneer hypothese CB2 waar is.
5.3
Technisch brandonderzoek (rapport 3)
De brand werd op 19 juni 2016 omstreeks 00:15 uur gemeld door de inbraakalarminstallatie in het pand van [B] aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Gedane waarnemingen
Door de gealarmeerde hulpdiensten werden ter plaatse onder meer de volgende waarnemingen gedaan:
- Er lag een schoen AAKW2863NL tegen het toegangshek en vlak achter het hek lag een kledingstuk AAKW2862NL. Beiden gaven een sterke geur af, lijkend op die van benzine;
- Boven het pand van [B] was er rookontwikkeling en er kwam vuur uit de overheaddeur (roldeur);
- Er lag op 2 à 3 meter van het toegangshek een brandend voorwerp (mogelijk een sportschoen of kledingstuk), deze was na de explosie verdwenen;
- Onder het puin werd een door de brand aangetast stuk textiel (mogelijk een deel van een mouw) en een deels verbrande ‘life hammer’ aangetroffen;
- Vlak achter de overheaddeur stond een uitgebrande auto. Midden achter deze auto, op de vloer van het pand werden de verbrande en gesmolten resten van een jerrycan AAKW1866NL aangetroffen;
- Door een brandhond en door meting met een elektronisch detectieapparaat werden tussen de betonplaten aan de buitenzijde van de overheaddeur vluchtige organische stoffen aangetoond (brandrest AAKW1868NL).
De tijdlijn
Op basis van de verkregen informatie zijn de gebeurtenissen in het beginstadium van de brand bijeengebracht in de tijdlijn van Tabel 1. De tijdlijn begint bij de registratie van de eerste alarmmelding van het inbraakalarm op 19 juni 2016. Het alarmsysteem werd op 18 juni 2016 om 17:06:03 uur ingeschakeld.
Tabel 1 Tijdlijn
Tijd
Omschrijving gebeurtenis op 19 juni 2016
00:15:04
Inbraakalarm zone 3 (= PIR midden loods)
00:15:06
Inbraakalarm zone 6 (= buitendetectie overheaddeur)
00:15:08
Inbraakalarm zone 2 (= PIR naast overheaddeur)
00:15:11
Inbraakalarm zone 4 (= PIR kantoor)
00:15:28
[D] belt naar politie Rotterdam Rijnmond t/m 00:17:13
00:16:36
Inbraakalarm zone 5 (= PIR dakkoepel)
0:17:21
[D] belt naar [betrokkene 2] t/m 00:18:03
± 00:18 - 00:20
Na telefoongesprek met [D] kan [betrokkene 2] geen verbinding krijgen met de beveiligingscamera’s.
00:19:50
“Uitval BACKUP (pad 2) (DPR)” / “IP-uitval” geen alarmmeldingen meer naar [D] .
± 00:21
Politie ter plaatse
00:21:55
Brandweer ter plaatse
00:23
Horen veel knallen, mogelijk gasflessen, brand wordt aardig groot al
± 00:33
[betrokkene 2] komt ter plaatse en belt in zodat de rolhekken opengaan
Het ontstaan van de brand
Bij de evaluatie van de wijze van het ontstaan van de brand zijn bij het brandtechnisch onderzoek de volgende bevindingen betrokken:
- De snelle opeenvolging en volgorde van alarmmeldingen van het inbraakalarmsysteem;
- Dat de buitendetectie van de overheaddeur ook geactiveerd werd;
- Dat binnen zes minuten na de opeenvolging van alarmmeldingen, de brand reeds vol uit de deuropening van de overheaddeur naar buiten kwam;
- De aanwezigheid van een jerrycan tussen de achterzijde van de auto en de overheaddeur;
- Dat deze jerrycan zonder schroefdop voorover heeft gelegen tijdens de brand;
- De aanwezigheid van motorbenzine in de jerrycan;
- De aanwezigheid van motorbenzine in de brandrest van tussen de betonplaten voor de overheaddeur;
- De aanwezigheid van brandend materiaal op de straat een eind opzij van de overheaddeur in de richting van het toegangshek;
- De aanwezigheid van de kleding en de schoen met brandsporen bij het toegangshek;
- De aanwezigheid van motorbenzine in de. kleding en de schoen;
- Dat het chemisch brandonderzoek overeenkomsten heeft aangetoond tussen de motorbenzine aangetroffen in de kleding, de schoenen en de jerrycan.
Al deze bevindingen zijn volledig en logisch verklaarbaar in een scenario waarbij de overheaddeur werd geforceerd waardoor er een gat in ontstond of deze deels geopend werd, er een jerrycan met een aanzienlijke hoeveelheid motorbenzine achter deze overheaddeur zonder schroefdop voorover werd neergelegd, waardoor de motorbenzine over de vloer en de drempel van de overheaddeur begon uit te vloeien, de motorbenzine is ontstoken waarbij de opeenvolgende alarmmeldingen van het inbraakalarm ontstonden, er brandende delen en met de motorbenzine in contact gekomen kleding en schoen op de vluchtroute richting het toegangshek werden achtergelaten, de brand zich in het pand intussen snel kon ontwikkelen waarbij de ter plaatse gekomen hulpdiensten korte tijd later een uitslaande brand uit de overheaddeur zagen, de kleding en schoen bij het toegangshek aantroffen en ook het op de straat brandende materiaal.
Het is niet gelukt een ander scenario voor het ontstaan van de brand te bedenken waarbij al deze bevindingen, vooral in samenhang met elkaar, verklaard kunnen worden. Dit sluit echter het bestaan van een dergelijk ander scenario niet geheel uit. Derhalve wordt geconcludeerd dat de bevindingen van het brandtechnisch onderzoek zeer veel meer steun geven voor de hypothese dat de brand door brandstichting is ontstaan dan voor de hypothese dat de brand op een andere manier is ontstaan.
Brandschade kleding en verwondingen bij verdachte
Van de kleding kon niet worden vastgesteld of, en zo ja, waar deze kleding in contact is geweest met een brandproces. Hierdoor is zowel in het algemeen als in het specifieke geval met betrekking tot de verwondingen bij verdachte, geen nadere duiding mogelijk. Van de schoen is de aantasting door brand maar zeer beperkt. De schoen heeft dan ook nauwelijks zelf in brand gestaan. Echter, dit sluit niet uit dat de broek van de drager van de schoen in brand kan hebben gestaan. Op het moment dat als eerste de schoen wordt uitgetrokken om een brandende broek uit te kunnen trekken, kan de brandende broek leiden tot brandwonden bij de drager daarvan zonder dat de schoen verder door de brand wordt aangetast.
Uit de letselbeschrijving blijkt dat bij verdachte genezen en relatief oppervlakkige brandwonden aan beide handen, de rechter pols en aan de voorzijde van de rechter enkel werden vastgesteld. Deze verwondingen kunnen niet direct verklaard worden door de brandsporen op de kleding of op de schoen. Evenmin kan op grond van de beperkte brandschade aan de schoen worden geconcludeerd dat verdachte deze schoen niet heeft gedragen. De sporen op de schoen en de brandwond op de enkel van verdachte, zijn immers ook verklaarbaar indien de verdachte een broek droeg die in brand stond.
Conclusie technisch brandonderzoek
De bevindingen van het brandtechnisch onderzoek zijn geëvalueerd onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is ontstaan door brandstichting.
Hypothese 2a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is op een andere manier ontstaan.
De deskundige komt daarbij tot de volgende conclusie: De bevindingen die in het brandtechnisch onderzoek worden beschouwd zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de brand is ontstaan door brandstichting (Hypothese 1a) dan wanneer de brand op een andere manier is ontstaan (Hypothese 2a).
5.4
Biologische sporen en DNA-onderzoek (rapport 4)
Van bemonsteringen van de binnenzijde van de kraag van T-shirt AAKW2862NL#01 en de binnenzijde van de instapopening van schoen AAKW2863NL#01 zijn DNA-mengprofielen verkregen. Beide bemonsteringen bevatten een prominente hoeveelheid DNA van verdachte [verdachte] .
De bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek zijn geëvalueerd onder de volgende hypothesen:
Hypothese DNA1: De verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
Hypothese DNA2: Een ander dan de verdachte heeft de kleding gedragen bij het plegen van het delict in de nacht van 18 op 19 juni 2016.
De DNA-deskundige komt daarbij tot de volgende conclusie:
Op basis van de in zijn rapport genoemde overwegingen (en onder de gegeven context-informatie en aanname dat de bemonsteringen daadwerkelijk DNA bevatten van verdachte [verdachte] ) acht de DNA-deskundige de resultaten van de onderzoeken
ongeveer even waarschijnlijkals hypothese DNA1 waar is, als wanneer hypothese DNA2 waar is. Uitgangspunt daarbij, is dat de kleding door de onbekende dader gedurende hoogstens enkele minuten is gedragen, en daaraan voorafgaand minstens enkele uren door de verdachte. Naarmate de kleding door de onbekende dader langer is gedragen, zal het onderzoeksresultaat in een bepaalde mate onwaarschijnlijker worden onder hypothese DNA2, omdat er geen prominentere hoeveelheid DNA van een onbekende persoon is aangetroffen in de bemonsteringen. Omdat bij de DNA-deskundige geen informatie bekend is over de duur en frequentie van dragen van de kleding door de verdachte voorafgaand aan het incident, of over de duur van dragen door de onbekende dader, kan deze de bewijskracht van het onderzoeksresultaat niet nauwkeurig bepalen.
5.5
Forensisch geneeskundig onderzoek (rapport 5)
De forensisch arts werd verzocht de letsels aan de handen en voet van verdachte te beoordelen en te evalueren in het licht van de volgende hypothesen:
Hypothese FG1: De letsels zijn op 19-06-2016 ontstaan, door blootstelling aan open vuur/hitte via brandende kleding/schoeisel, al dan niet in combinatie met een brandende en/of hete vloeistof.
Hypothese FG2a: Het letsel aan de voet is circa 6 jaar geleden ontstaan, op een niet nader omschreven wijze.
Hypothese FG2b: Het letsel aan de handen is op een niet nader omschreven tijdstip, maar in ieder geval eerder dan op 19-06-2016, ontstaan door blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat.
Op basis van foto's heeft de forensisch arts de letsels aan beide handen, de rechterpols en rechterenkel van de verdachte beoordeeld. Het betreft:
1. (tamelijk) scherp begrensde, roze huidverkleuringen aan de buigzijde van de rechterpols (letsel A), op de duimzijde van de rechterhandrug (letsel C), op de linkerhandrug (letsels D, E, G, H) en aan de voorzijde van de rechterenkel (letsel I);
2. een donkere huidverkleuring aan de rechterpols (letsel B);
3. een donkerroze huidverkleuring aan de linkerwijsvinger (letsel F).
Bovengenoemde letsels (A t/m I) passen bij grotendeels genezen, relatief oppervlakkige brandwonden van weken tot enkele maanden oud. Deze kunnen worden verklaard door plaatselijke inwerkingen van thermisch geweld in de vorm van al dan niet spattende hete en/of brandende vloeistof op diverse plaatsen op het lichaam, al dan niet in combinatie met effecten van ten tijde van deze geweldsinwerkingen gedragen kleding/schoeisel.
Hoewel theoretisch op basis van de wondkenmerken niet kan worden bepaald of deze letsels gelijktijdig zijn ontstaan of dat één of meer van deze letsels op (één of meer) andere momenten zijn ontstaan, is het aannemelijk dat de letsels die kunnen worden verklaard door (spatten met) een hete en/of brandende vloeistof op de strekzijde van de hand(en), in het bijzonder de letsels beschreven onder C t/m H, gelijktijdig ontstaan zijn.
Daarmee blijft de mogelijkheid aanwezig dat het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I) op een ander moment is ontstaan, echter binnen hetzelfde geschatte tijdsinterval van weken tot enkele maanden voorafgaand aan het fotografisch vastleggen van de letsels op 16-10-2016 als alle overige letsels (beschreven onder A t/m H).
In algemene zin zou blootstelling aan stoom/kokend water en/of hete onderdelen van een stoomapparaat in een periode van weken tot enkele maanden voorafgaand aan 16-10-2016 het oplopen daarvan, gezien het aspect en de geschatte ouderdom van deze letsels, kunnen verklaren.
Gezien de wondkenmerken en de daarop gebaseerde geschatte leeftijd van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), van weken tot enkele maanden, kan dit letsel niet worden verklaard door een, overigens niet nader omschreven, ontstaanswijze circa zes jaar vóór 16-10-2016.
De uit bovenstaande bevindingen resulterende conclusies luiden:
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, in het bij de kenmerken van het letsel aan de voorzijde van de rechterenkel (I), is
waarschijnlijkerwanneer hypothese FG1 waar is dan wanneer hypothese FG2a waar is.
Het aantreffen van de onderzoeksbevindingen betreffende de verwondingen aan de rechterpols (A), rechteronderarm (B) en aan beide handen (C t/m H) is
ongeveer even waarschijnlijkonder hypothese FG1 als onder hypothese FG2b.
6.1
Oorzaak van de brand
Het onderzoek naar de brandoorzaak bestond uit een combinatie van twee onderzoeken:
1a. Het chemisch brandonderzoek waarvan de resultaten zijn samengevat in 5.2
1b. Het technisch brandonderzoek waarvan de resultaten zijn samengevat in 5.3
De bevindingen van deze twee onderzoeken zijn in rapport 3 betreffende het technisch brandonderzoek gezamenlijk beschouwd onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is ontstaan door brandstichting.
Hypothese 2a. De brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is op een andere manier ontstaan.
De in rapport 3 gerapporteerde gezamenlijke conclusie ten aanzien van de oorzaak voor het ontstaan van de brand luidt:
De bevindingen van het chemisch en technisch brandonderzoek in gezamenlijkheid zijn
zeer veel waarschijnlijkerals de brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is ontstaan door brandstichting (Hypothese 1a) dan als de brand op een andere manier is ontstaan (Hypothese 2a).
6.2
Mogelijke betrokkenheid van verdachte [verdachte]
Een evaluatie van bovengenoemde interdisciplinaire resultaten in het licht van de hypothesen:
Hypothese 1b. Verdachte [verdachte] heeft in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] gesticht.
Hypothese 2b. Iemand anders heeft in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] gesticht. Verdachte [verdachte] heeft niets met de brand te maken.
leidt daarom tot de volgende conclusie:
De in dit rapport beschouwde forensische onderzoeken zijn
ten minste waarschijnlijkerwanneer verdachte [verdachte] in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] heeft gesticht (Hypothese 1b) dan wanneer iemand anders dat heeft gedaan en verdachte [verdachte] niets met de brand te maken heeft (Hypothese 2b).
De bewijskracht
‘ten minste waarschijnlijker’ is opgebouwd uit een combinatie van de bewijskracht van enerzijds het forensisch geneeskundig onderzoek en anderzijds het DNA-onderzoek en het chemisch brandonderzoek. De duiding ‘ten minste’ komt doordat de DNA-deskundige op basis van een zeer korte draagtijd van de kleding (hoogstens enkele: minuten) door de onbekende dader een minimumwaarde voor de bewijskracht heeft gerapporteerd.
Benadrukt wordt dat:
- De in bovenstaande conclusie gebruikte verbale term ‘
waarschijnlijker’ de ondergrens van de bewijskracht aangeeft. Zoals door de DNA-deskundige is aangegeven, zal de bewijskracht van het DNA-onderzoek toenemen in de richting van Hypothese 1 naarmate uit mag worden gegaan van een langere draagtijd van de kleding door de onbekende dader (daar is nu hoogstens enkele minuten draagtijd voor aangenomen). Indien de bewijskracht van het DNA-onderzoek toeneemt, zal ook de hierboven gerapporteerde bewijskracht van de gecombineerde bevindingen verder toenemen in de richting van Hypothese 1b.
- De bewijskracht van resultaten van forensisch onderzoek afhankelijk zijn van de hypothesen, de aannamen, de contextinformatie en het onderzoeksresultaat. Indien deze wijzigen, kan dit invloed hebben op de conclusie. Indien noodzakelijk kan dan een nieuwe evaluatie worden uitgevoerd.
- Er geen uitspraak gedaan wordt over de waarschijnlijkheid van de hypothesen zelf. Er wordt een uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheid van de verkregen onderzoeksresultaten indien de voorgelegde hypothesen waar zijn. Hoe waarschijnlijk de hypothesen (en de daaraan ten grondslag liggende scenario’s) zelf zijn, is mede afhankelijk van de overige feiten en omstandigheden van de zaak. Dit ligt buiten het bereik van de forensisch deskundige en valt daardoor buiten de reikwijdte van dit rapport.
- Elementen buiten het forensisch domein die eveneens van belang kunnen zijn om vast te kunnen stellen hoe waarschijnlijk de hypothesen/scenario’s zijn door mij niet bij de evaluatie betrokken. Dit zijn bijvoorbeeld:
- de geloofwaardigheid en uitvoerbaarheid van de aangeboden scenario’s;
- de grootte van de potentiële dadergroep;
- de informatie op grond waarvan een verdachte in beeld is gekomen in het onderzoek;
- eventuele gelegenheid en motief van een verdachte;
- eventuele andere, niet in deze evaluatie meegenomen forensische en tactische onderzoeksresultaten.
Deze en eventuele andere aanwezige informatie en bewijs bepalen gezamenlijk de zogenoemde a priori kansen op de hypothesen/scenario's.’
8. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, gehouden op 29 november 2017, houdt onder meer het volgende in:

De verdachteverklaart:
Ik heb niets met de brandstichting te maken. Ik ben daar niet geweest. U houdt mij voor dat er in de nabijheid van het pand een schoen en een T-shirt is gevonden waarop benzine en mijn DNA is aangetroffen. Ik slaap op verschillende plaatsen, onder andere bij verschillende broers en heb daar ook kleding achtergelaten. Wij dragen elkaars kleding. Ik draag maat S en dat is wel de maat van die kleding. Het door u genoemde telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer] is inderdaad mijn telefoonnummer. Ik ben mijn telefoon op een gegeven moment kwijtgeraakt, maar denk dat ik de telefoon op het moment van de brand nog had. Bij de politie heb ik gezegd dat ik me niet kan herinneren dat ik op de datum van de brand in Rotterdam ben geweest. Dat kan ik me nu nog steeds niet herinneren, maar ik kwam vaker in Rotterdam, dus het zou wel kunnen.
De voorzitterhoudt voor:
De melding van de inbraak was om 00:11 uur en rond dat tijdstip is de telefoon met het nummer eindigend op [telefoonnummer] , in verband met een ontvangen sms-bericht, aangestraald bij het opstelpunt op de Terbregseweg te Rotterdam.
Tussen 00.45 uur en 00.50 uur heeft iemand (getuige [betrokkene 8] ), aanrijdend naar de brand, een man zien rennen die tussen de 18 en 25 jaar oud was. De man rende vanuit de [a-straat ] , was gekleed in een T-shirt en had donker, kort, niet krullend haar.
De verdachteverklaart:
Ik heb inderdaad kort, niet krullend haar.
Ik heb die nacht contact gehad met vriendinnen. Ik heb daar bij de politie niet zoveel over verklaard omdat ik vind dat dit over mijn persoonlijke situatie gaat.
U vraagt mij naar de brandwonden. De brandwonden aan mijn voet heb ik opgelopen in Marokko. Ik was nog jong en mijn slipper viel in het vuur. Ik was zo dom om te proberen de slipper uit het vuur te halen. De brandwonden aan mijn handen heb ik opgelopen in maart of april. Dat is geweest toen ik met een stoommachine aan het werk was. Ik was toen bij mijn broer aan het klussen.
De voorzitterhoudt voor:
Het NFI concludeert dat het even waarschijnlijk is dat de brandwonden aan de handen van de verdachte zijn ontstaan door stoom dan dat ze zijn ontstaan op de dag van de brand door een brandende/hete vloeistof. Met betrekking tot het letsel aan de voet wordt het waarschijnlijker geacht dat dit is ontstaan op de dag van de brand dan zes jaar geleden.
De verdachteverklaart:
Hoe kan de lip van de gevonden schoen nog intact zijn als de brandwond bovenop op mijn voet zit. De conclusies van het NFI zijn gebaseerd op de verkleuringen van mijn huid. Een roze kleur zou duiden op brandwonden die enkele weken of maanden oud zijn. Ik toon u de brandwonden op mijn polsen. Hoewel dat om oude wonden gaat is de kleur nog steeds roze. De conclusies van het NFI kloppen dus niet.
Waarom [betrokkene 9] heeft verklaard dat ik een ongeluk heb gekregen bij het aansteken van een barbecue kan ik niet verklaren. Ik weet niet hoe hij daar bij komt.
Het klopt dat ik een dag na de brand contact heb opgenomen met een huisarts in Dordrecht. De brandwonden aan mijn polsen, die ik eerder had opgelopen en waarvoor ik eerder medicijnen had gekregen, gingen infecteren. Ik had ze niet goed verzorgd. Dus het klopt dat de politie bij mij thuis verbandgazen en medicijndoosjes heeft gevonden. Er zaten nog twee tabletten tegen infecties in.
U vraagt mij waarom ik niet gewoon toestemming heb gegeven om informatie bij de huisarts op te vragen. Ik antwoord u dat ik een beetje klaar was met de politie. Ze stelden mij eigenlijk geen vragen. Het was meer beledigend dan dat ze mij iets vroegen. Ik moest ook steeds maar wachten. Dan moest ik weer op transport en dan weer niet.
Toen ik hoorde dat de politie mij zocht, ben ik mij gaan melden. Ik heb niets met de brand te maken.
Ik heb inderdaad contact gehad met een autoverhuurbedrijf. Ik wilde een auto huren.
Ik ben inderdaad op 20 juni niet gaan werken. De ontstekingen waren te erg. Op 17 juni dacht ik nog dat het wel zou gaan, maar dat bleek op 20 juni niet zo te zijn.’
9. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 30 november 2021, houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat de raadsvrouw het woord tot verdediging voert overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

Proces-verbaal forensisch onderzoek alarmen en alarmering d.d. 9 februari 2020
37. Verbalisant [verbalisant] heeft de verklaring van de alarminstallateur beoordeeld. Het was [verbalisant] opgevallen dat de verschijnselen die bij een brand ontstaan in mindere mate werden meegenomen in het verklaren van de alarmmeldingen. Blijkens het alarmrapport is zone 3 om 00.15.04 afgegaan en zone 6 om 00.15.06 uur. Zone 3 bevond zich midden in de loods. De verbalisant gaat er vanuit dat het detectiebereik van zone 3 door de laatst geparkeerde auto beperkt zou kunnen zijn en dat de PIR bewegingen achter deze personenauto (dus tussen de personenauto en de overheaddeur) niet kon detecteren.
38. De verdediging merkt op dat onduidelijk is waar de PIR zone 3 nu daadwerkelijk was bevestigd. Foto 1 is niet de situatie van de loods maar het betreft een foto die de werking van PIR weergeeft. De uitspraak van [verbalisant] over het bereik van het detectiegebied wordt niet bevestigd door informatie uit het dossier.
39. Uit het rapport blijkt duidelijk dat er 2 seconden zitten tussen het activeren van een bewegingssensor midden in de loods en een sensor buiten de loods. Activeren kan door beweging maar ook door warmteverschil.
40. De verbalisant concludeert dat zijn bevindingen beter passen wanneer er vuur is ontstaan ter hoogte van de vindplaats van de jerrycan, terwijl er op dat moment een open verbinding was tussen die locatie en de buitenlucht, zoals bijvoorbeeld een verbroken of weggebogen paneel in de overheaddeur. Dit vuur heeft de PIR in zone 3 kunnen activeren door direct opstijgende hitte en rookgassen van achter de personenauto. Kort daarop gevolgd door activatie van de AIR van zone 6 door uittredende rookgassen via een opening in de overheaddeur.
41. De verdediging heeft moeite met deze conclusie. Allereerst neemt de verbalisant bij deze conclusie de omstandigheid aan dat de overheaddeur is opengebroken dan wel is verbogen. De verdediging heeft dit nergens gelezen. Gelet op onder andere de verklaring van getuige [betrokkene 1] heeft deze overheaddeur opengestaan.
42. Tevens zou bij het verbreken van de overheaddeur, zoals daar nu van wordt uitgegaan, de magneetcontacten moeten afgaan, terwijl dat niet is gebeurd. De overheaddeur was immers extra beveiligd door twee magneetcontacten aan de binnenzijde. Het alarm is niet afgegaan. De verbalisant merkt op dat het verbuigen dan wel verbreken van de overheaddeur gedaan zou kunnen zijn door het ontwijken van de AIR-straal aan de buitenzijde van de overheaddeur. Dit veronderstelt wetenschap van de AIR-straal op die hoogte. Er kan niet worden uitgegaan van wetenschap als dit nergens uit blijkt.
43. Daarbij komt dat het de verdediging vreemd voorkomt dat bij het scenario dat de jerrycan is aangestoken dan wel dat het vuur ter hoogte van de jerrycan is ontstaan, eerst zone 3 is afgegaan. Indien de overheaddeur inderdaad openstond dan lijkt het logischer dat het vuur en de rook eerst zone 6 bereikt dan zone 3, nu de jerrycan zeer dicht bij de overheaddeur lag en zone 6 moet zijn afgegaan door het warmteverschil. Tevens zoeken rook en vuur een weg naar buiten zoeken. Zoals gezegd weten we niet exact waar zone 3 was bevestigd, maar het lijkt het er op dat de detectie op hoogte was gemonteerd.
44. De verdediging is van mening dat de conclusie van de verbalisant dat er vuur is ontstaan ter hoogte van de jerrycan niet kan worden gedragen op basis van de aanwijzingen in het dossier.
Rapportage over vergelijkend motorbenzine onderzoek d.d. 2 juni 2020
45. Eerder was gerapporteerd dat er vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine waren aangetroffen op de schoen en het T-shirt. Ook de jerrycan was onderzocht en ook daar zijn er vluchtige stoffen afkomstig zijn van motorbenzine aangetroffen.
46. In het rapport van 2 juni staat de vraag centraal of de benzineresten afkomstig zijn van dezelfde bron. Het NFI komt tot de conclusie dat het waarschijnlijker is dat zowel de motorbenzine op de kleding en schoen uit dezelfde bron komen als de motorbenzine in de jerrycan.
47. Het valt de verdediging alleen op dat er geen rekening is gehouden met de hoeveelheid bluswater en de lekkende benzine uit de auto’s in de loods. Tevens is er geen rekening gehouden met het feit dat de schoen en het shirt niet direct zijn veiliggesteld, dus vóór het blussen. Beide stukken van overtuiging zijn
tijdenshet blussen in de brandpot gedaan en waren toen hoogstwaarschijnlijk al vermengd met bluswater, dat op zichzelf weer was vermengd met de benzine uit de lekkende personenauto’s in de loods.
48. De bewijskracht van de resultaten ten aanzien van de hypothesen zou met de ontbrekende informatie anders kunnen uitvallen, waardoor de bewijskracht minder wordt.
Rapport Evaluatie van resultaten van onderzoek naar biologische sporen en DNA gegeven hypothesen op activiteitenniveau d.d. 29 juli 2020
49. Aan de binnenzijde van de kraag van het T-shirt en de binnenzijde van de instapopening van de schoen is DNA van cliënt aangetroffen en van een andere man.
50. Het NFI komt tot de conclusie dat gegeven de context-informatie en aannamen het ongeveer even waarschijnlijk is dat cliënt de kleding heeft gedragen bij het plegen van het delict dan dat een ander dan de verdachte de kleding heeft gedragen bij het plegen van het delict. Ik zal hier later nog verder op ingaan.
Brandtechnisch onderzoek d.d. 15 juli 2020
51. In deze strafzaak dienen er twee vragen te worden beantwoord. Vraag 1 is of er sprake is geweest van brandstichting. Vraag 2 is, bij een bevestigend antwoord op vraag 1, of cliënt de dader is.
52. In dit deelrapport zijn diverse bevindingen samengebracht tot een conclusie, namelijk dat de bevindingen in het brandtechnisch onderzoek moeten worden beschouwd als
zeer veel waarschijnlijkerdat de brand is ontstaan door brandstichting dan de brand op een andere manier is ontstaan.
53. Deze conclusie is gebaseerd op de analyse van de onderzoeksbevindingen van brandlocatie, de alarminstallatie, de tijdlijn, de jerrycan en de aangetroffen schoenen kleding. Bij het bestuderen van dit rapport zijn de verdediging een aantal punten opgevallen, welke invloed hebben op de geformuleerde conclusie.
54. Over het onderzoek met betrekking tot het alarm heb ik reeds het nodige opgemerkt en ik verzoek u mijn pleitnota op dat punt hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Ter aanvulling op dat verhaal wil ik verwijzen naar de opmerking op pagina 17 van 22 van het rapport bovenaan. Er wordt gezegd dat als er rook door een kier in de overheaddeur naar buiten komt, zou dat de buitendetectie kunnen activeren. Ik citeer: “Echter, de rook bij een brand in een pand trekt vooral omhoog en komt dan ergens door kieren rond het dak naar buiten. Bij het grote volume van het bedrijfspand is een relatief grote en plotseling optredende brand nodig om voldoende drukopbouw te krijgen dat ook rook door lager gelegen kieren naar buiten wordt geperst.”
55. Juist die laatste opmerking is interessant, nu uit de stukken blijkt dat er binnen zeer korte tijd, lees enkele seconden, een enorme brand woedde. Tevens wordt er door deskundigen vanuit gegaan dat de brand ter hoogte van de jerrycan plaatsvond wat de activering van zone 6 zou kunnen verklaren. Een spontane brand die in een stilstaande auto ontstaat kan zorgen voor een zeer snelle brandontwikkeling en een patroon geven zoals gezien in de tijdlijn. De uitzondering zou zijn de activering van zone 6. Echter, wordt hier uitgegaan van een gesloten overheaddeur, terwijl het op basis van diverse verklaringen in het dossier waarschijnlijk is dat deze overheaddeur heeft opengestaan c.q. een stukje open heeft gestaan.
56. Op pagina 20 wordt geconcludeerd dat de bevindingen veel beter passen bij het scenario dat er een hoeveelheid motorbenzine uit de jerrycan is gestroomd en over de drempel van de overheaddeur naar buiten is gestroomd, dan dat de motorbenzine voor de overheaddeur daar terecht is gekomen door bluswater meegevoerde autobrandstoffen uit lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand.
57. De verdediging merkt op dat deze conclusie is gebaseerd op o.a. de aanname dat de motorbenzine in de jerrycan volgens de deskundige niet is gecontamineerd met het op het bluswater drijvende brandstoffen uit de voertuigen. Het bevreemdt echter dat deze conclusie wordt getrokken nu uit het onderliggende rapport alleen blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de motorbenzine in de jerrycan en niet naar de samenstelling van het bluswater. In de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wordt er gesproken over benzine en de nieuwe Opel die er stond met een volle tank. Op zich opmerkelijk dat niet is onderzocht of deze nieuwe Opel de auto was die als laatst naar binnen is gereden. Voorts wordt bij het bergen gezien dat er brandstof uit de voertuigen stroomt.
58. Wat betreft de bevindingen op pagina 21 m.b.t. de broek en schoenen wordt opgemerkt dat niet kon worden vastgesteld of, en zo ja, waar deze kleding in contact is geweest met een brandproces. Van de schoen is de aantasting door brand maar zeer beperkt. De deskundige merkt in dit kader op dat niet uit te sluiten is dat de broek van de drager van de schoen in brand stond. Op het moment dat als eerste de schoen wordt uitgetrokken om uit een brandende broek te kunnen stappen, kan de brandende broek leiden tot brandwonden bij de drager ervan zonder dat de schoen verder door de brand wordt aangetast.
59. Maar de oppervlakkige wonden bij cliënt kunnen niet direct verklaard worden door de sporen op zowel de kleding ais schoen, vanwege het ontbreken van brandschade.
60. Desondanks werpt de deskundige het scenario van de broek op. Deze wending bevreemd de verdediging. Nu de sportschoen zelf geen brandschade had aan de lip dan wel aan de bovenzijde van de schoen om de brandwond aan de enkel te kunnen verklaren is het aandragen van het scenario dat de broek dan wel brand gevat had moeten hebben niet aannemelijk. Indien de broek in brand had gestaan dan was dit veronderstellende wijs door resten benzine. Benzine is niet makkelijk te doven dus zou de schade aan de benen groter moeten zijn dan de kleine wond op de enkel van cliënt. De broek had dan ook uitgetrokken moeten worden en dan had de brand grotere schade aangericht aan het lichaam. Voorts was de schoen volgens de verbalisanten nattig en stonk deze naar benzine. Indien er sprake zou zijn geweest van een brandende broek, dan zou het logisch zijn dat ook de nattige schoen vlam had gevat. Van dat alles is geen sprake.
61. In dit kader moet ook opgemerkt worden dat getuige [betrokkene 8] een persoon ziet rennen rond het tijdstip van de brand uit de richting van de [a-straat ] . Het enige wat hem opvalt is dat deze persoon aan het sprinten is. Wat hem op had moeten vallen is dat de man geen broek aan zou hebben. Dit valt hem niet op, dus veronderstel ik dat de broek niet uit was en de schoenen ook niet.
62. Daarbij komt ook dat moeder heeft verklaard dat cliënt aan zijn voet is geholpen zowel in Marokko als in Nederland en dat dit enige tijd geleden is geweest.
63. De conclusie dat de bevindingen die in het brandtechnisch onderzoek als
zeer veel waarschijnlijkerworden beschouwd als de brand is ontstaan door brandstichting dan als de brand op een andere manier is ontstaan, kan m.i. niet overeind blijven nu de aanwijzingen en aannames die deze conclusie dragen op diverse punten onjuist c.q. onvolledig zijn, De feiten en omstandigheden zijn niet gewijzigd, maar in de recentere rapportages zijn voornoemde ontlastende punten niet meegenomen.
Interdisciplinair rapport van de NFI-onderzoeken d.d. 29 juli 2020
64. Uiteindelijk zijn alle deelrapporten opgenomen in het interdisciplinaire rapport. Samenvattend komt het hier op neer:
-
Dactyloscopisch onderzoek: ongeschikt spoor
-
Chemisch brandonderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer de motorbenzine in de kleding/schoen en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan afkomstig zijn van dezelfde bron dan deze afkomstig zijn van een verschillende bron.
-
Technisch brandonderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer de brand is ontstaan door brandstichting dan deze op een andere manier is ontstaan.
-
Biologische sporen en DNA-onderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
ongeveer even waarschijnlijkerwanneer de kleding door cliënt is gedragen bij het plegen van het delict als wanneer een ander deze gedragen zou hebben bij het plegen van het delict.
-
Forensisch geneeskundig onderzoek: De onderzoeksbevindingen betreffende de verwondingen aan de handen zijn
ongeveer even waarschijnlijkerwanneer deze zijn ontstaan op 19 juni als eerder dan op 19 juni. Wat betreft de enkel is de
waarschijnlijkerdat de verwonding is ontstaan op 19 juni dan 6 jaar eerder.
65. De verdediging is van mening dat de overkoepelende conclusie in het rapport gebaseerd is op incorrectheden in de interpretatie van de aanwijzingen en aannames en het niet meenemen van ontlastende bewijsmiddelen.
66. De peiling van de telefoon van cliënt is ontlastend. De telefoon van cliënt is op 8,5 kilometer afstand van de brandlocatie aangestraald. Client kan op basis van dit gegeven niet op de locatie van de brand zijn geweest om de brand te stichten.
67. De kleding en de schoen zijn verplaatsbare voorwerpen. Client had verklaard dat hij in die periode geen vaste woon- en verblijfplaats had en dat hij bij zijn broers en vrienden sliep. Dat een ander zijn kleding meegenomen zou kunnen hebben is mogelijk. Tevens is er op het T-shirt geen brandschade aangetroffen. Er is een vlek zichtbaar net onder de oksel, maar nu de stukken van overtuiging zijn vernietigd kunnen we dat niet met zekerheid vaststellen.
68. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat het aantreffen van DNA op verplaatsbare voorwerpen niet gelijk aan een bewezenverklaring voor de aanwezigheid van die verdachte op het plaats delict.
69. Hoewel er geen wettelijk of uit de jurisprudentie volgend bewijsminimum voor deskundigenbewijs geldt moet wel worden aangenomen dat het deskundigenrapport van het NFI naar aanleiding van een DNA-databank match onvoldoende (overtuigend) kan zijn om een verdachte op te veroordelen, in het bijzonder wanneer niet uit de feiten kan volgen dat het aangetroffen DNA-spoor een daderspoor betreft.
70. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als uit ander bewijsmateriaal blijkt dat het niet heel waarschijnlijk is dat de verdachte zelf ter plaatse is geweest en de verdachte een aannemelijke verklaring heeft willen of kunnen geven voor de aanwezigheid van het DNA-spoor op het plaats delict. Dat doet zich in casu voor.
71. Client heeft bij de politie een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de aangetroffen kleding, namelijk dat hij zijn kleding uitleent en dat zijn kleding op diverse plaatsen ligt. Zijn schoenen zou hij niet uitlenen, maar het is alleen niet uit te sluiten dat schoenen en kleding wel door anderen worden gepakt en gebruikt, zonder dat cliënt daar wetenschap van heeft. Zijn broers hebben dezelfde maat en kleding wordt over en weer gedragen.
72. Belangrijk detail is, is dat cliënt dit bij de politie heeft verklaard nog voordat hij wist dat er kleding dan wel een schoen op plaats delict was aangetroffen. Het is derhalve goed mogelijk dat zijn kleding via via bij iemand terecht is gekomen die op het moment van de brand op die locatie aanwezig was.
73. Het enkele feit dat er DNA van cliënt is aangetroffen op verplaatsbare voorwerpen in de nabijheid van het plaats delict, wettigt niet de conclusie dat het hoogst waarschijnlijk is dat hij dan ook de brand heeft gesticht dan wel als medepleger betrokken is geweest. Het bewijs laat andere mogelijkheden open, waaronder het scenario van cliënt dat anderen zijn kleding gebruiken.
74. In het scenario dat cliënt de kleding heeft gedragen en de brand zou hebben gesticht, dan zou hij de kleding hebben uitgetrokken op het moment dat hij al vlam had gevat. Dan zou je kunnen verwachten dat het T-shirt in ieder geval brandschade zou hebben gehad. Dit is niet geconstateerd.
75. De schoen had geen brandschade aan de lip. Hier wordt het alternatieve scenario van de brandende broek weer gebruikt om de bewijskracht van de aanwijzing te doen stijgen. Echter, eerder heb ik reeds bepleit dat dit scenario niet logisch is en niet wordt ondersteund door andere aanwijzingen uit het dossier. De wond aan de enkel is de enige wond aan het been van cliënt. Als cliënt die avond de schoen gedragen zou hebben en de broek van cliënt zou vlam gevat hebben, dan zou je verwachten dat de broek op het terrein lag en dat er meerdere brandwonden aan het been zichtbaar zouden zijn. Van dit alles niets.
76. En ook hier weer de verklaring de [betrokkene 8] over de wegrennende man die al zijn kleding nog aan had, maar zeker een T-shirt.
77. Over de interpretatie van de wonden blijft het vreemd dat de wonden van cliënt nog steeds roze van kleur waren, anderhalf jaar na ontstaan van de brandwonden.
Conclusie
78. De verdediging stelt zich op het standpunt dat, door de bevindingen van de diverse onderzoeken te combineren met de feiten en omstandigheden uit het dossier die door de verdediging per aanwijzing zijn aangedragen, de wetenschappelijke bewijswaarde uit het interdisciplinair rapport zou moeten afnemen.
79. Anders dan de deskundigen stellen is het niet zeer veel waarschijnlijker dat er sprake is geweest van brandstichting en is het niet ten minste waarschijnlijker dat cliënt die brand heeft gesticht. De aanwijzingen en aannames tezamen kunnen die conclusies niet dragen.
80. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken ter zake het tenlastegelegde.’
Bespreking van het middel
10. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de ten laste gelegde brandstichting bewezen heeft verklaard en/of het verweer dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte te veroordelen ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. Ook zou het hof de bewezenverklaring op onbegrijpelijke wijze hebben gemotiveerd en/of hebben nagelaten op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te reageren. De stellers van het middel voeren aan dat de raadsvrouw heeft betoogd dat de bevindingen waar het NFI van uitgaat ‘voor een flink aantal feitelijk niet kloppen dan wel geen steun vinden in het dossier’ en dat de conclusies ‘gebaseerd zijn op aannames’. Daarom zouden ‘ook de uiteindelijke conclusies in het interdisciplinair eindrapport (…) t.a.v. de waarschijnlijkheid van hypotheses’ niet opgaan. Tegen die achtergrond, en nu de verdachte ‘eerder een ontzenuwende en redelijke verklaring’ had afgelegd, had het hof – zo begrijp ik – niet van de verdachte mogen verlangen ‘dat voor het aannemelijk worden van diens verklaring er medische bewijsstukken overgelegd hadden moeten worden.’
11. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het DNA van de verdachte zowel op het ter plaatse aangetroffen T-shirt als op de daar aangetroffen schoen is gevonden. Het hof acht het alternatieve scenario dat iemand anders het T-shirt en de schoen van de verdachte heeft gebruikt niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat uitsluitend zijn drie broers zijn schoenen konden dragen. Daarbij komt ‘dat niet alleen op de schoen van verdachte sporen van brand zijn aangetroffen maar ook bij de verdachte (herstelde) brandwonden aan zijn handen en pols zijn aangetroffen’. Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte de dag na de brand contact heeft opgenomen met de huisarts en dat die dag medicijnen aan hem zijn afgegeven die passen bij de behandeling van brandwonden. Het hof overweegt vervolgens dat de verklaring van de verdachte dat de brandwonden al voor de brand zijn ontstaan maar dat hij niet weet hoe lang geleden, dat de brandwonden aan zijn polsen waren gaan infecteren en dat hij om die reden de dag na de brand contact met zijn huisarts heeft opgenomen, niet aannemelijk is geworden. Het hof wijst er daarbij op dat het op de weg van de verdachte lag om openheid van zaken te geven over het ontstaan van de brandwonden maar dat hij ervoor gekozen heeft geen toestemming te geven voor het opvragen van medische informatie noch anderszins zelf een onderbouwde verklaring af te leggen over de wijze waarop en het moment van ontstaan van deze brandwonden.
12. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv en art. 6, tweede lid, EVRM niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. [1]
13. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk als een redengevende omstandigheid aangemerkt dat de verdachte, wiens DNA ter plaatse van de brand is aangetroffen op een T-shirt en op een schoen, daags na de brand contact heeft opgenomen met de huisarts en dat die dag medicijnen aan hem zijn afgegeven die passen bij de behandeling van brandwonden. En het heeft bij zijn bewijsoordeel in aanmerking genomen dat de verdachte voor deze redengevende omstandigheid die ‘om een verklaring schreeuwt’ geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft afgelegd. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof voor een dergelijke verklaring het overleggen van medische bewijsstukken vereist achtte, berust het op een onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen. Het hof wijst er ook op dat de verdachte geen ‘onderbouwde verklaring’ heeft afgelegd over de wijze waarop en het moment van ontstaan van de brandwonden. Dat het hof de enkele verklaring van de verdachte dat de brandwonden door het gebruik van een stoomapparaat zijn ontstaan niet als een ‘ontzenuwende en redelijke’ verklaring heeft aangemerkt ‘nu verdachte verdere vragen daarover niet heeft willen beantwoorden’ is voorts niet onbegrijpelijk.
14. Ik merk nog op dat hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht over bevindingen van het NFI er niet aan afdoet dat het hof het aantreffen van DNA op T-shirt en schoen alsmede het contact met de huisarts en het afgeven van de medicijnen daags na de brand als redengevende omstandigheden heeft kunnen aanmerken. [2] Dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken doet er evenmin aan af dat het hof betekenis kon hechten aan de omstandigheid dat de verdachte noch voordien noch nadien een verklaring heeft afgelegd die de redengevendheid ontzenuwt van de omstandigheid dat de verdachte daags na de brand contact heeft opgenomen met de huisarts en dat die dag medicijnen aan hem zijn afgegeven die passen bij de behandeling van brandwonden.
15. De stellers van het middel voeren voorts aan dat hetgeen door de raadsvrouw op de zitting naar voren is gebracht bezwaarlijk anders valt te beschouwen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend ‘dat de bewuste deelrapportages én het interdisciplinair rapport niet tot bewijs kunnen bijdragen, maar ook niet doorslaggevend kunnen zijn in het oordeel van het Hof t.a.v. een eventuele bewezenverklaring nu hier onvoldoende bewijswaarde vanuit gaat’. Het hof zou hebben nagelaten op dat standpunt te reageren.
16. Vooropgesteld kan worden dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. [3]
17. De tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv brengt mee dat de rechter de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal nader dient te motiveren indien deze beslissing in strijd is met een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Die nadere motivering kan ook in de bewijsmiddelen of een aanvullende bewijsmotivering besloten liggen. De motiveringsplicht gaat niet zover dat bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [4]
18. De stellers van het middel citeren de hele pleitnota. Zij geven niet aan op welke argumenten het hof zou hebben nagelaten te reageren. Het komt mij voor dat een klacht inhoudend dat niet is gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarbij niet is aangegeven aan welke argumenten het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan, niet als een middel kwalificeert. De algemene, niet nader toegelichte klacht dat niet is gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, kan bij een pleitnota als de onderhavige, waarin bij een proces-verbaal en enkele rapporten een reeks kanttekeningen worden gemaakt, niet gelden als een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [5]
19. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Het pleidooi loopt uit op de conclusie ‘dat, door de bevindingen van de diverse onderzoeken te combineren met de feiten en omstandigheden uit het dossier die door de verdediging per aanwijzing zijn aangedragen, de wetenschappelijke bewijswaarde uit het interdisciplinair rapport zou moeten afnemen’. En dat het anders dan de deskundigen stellen ‘niet zeer veel waarschijnlijker (is) dat er sprake is geweest van brandstichting’ en dat het niet ten minste waarschijnlijker is dat de verdachte die brand heeft gesticht. Het hof heeft het verweer aldus samengevat ‘dat niet bewezen kan worden verklaard dat er sprake is van opzettelijke brandstichting’ en dat niet bewezen kan worden verklaard ‘dat de verdachte ten tijde van het ontstaan van de brand ter plaatse aanwezig was, nu het T-shirt en de schoen, waarop DNA-materiaal is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van verdachte, mogelijk door iemand anders zijn gebruikt ten tijde van het ontstaan van de brand ’. Daarmee heeft het hof beide elementen van het verweer in ogenschouw genomen.
20. Het hof heeft een overweging gewijd aan de omstandigheid dat het DNA van de verdachte zowel op het ter plaatse aangetroffen T-shirt als op de aldaar aangetroffen schoen is gevonden, en aangegeven waarom het hof het alternatieve scenario inhoudend dat iemand anders het T-shirt en de schoenen heeft gedragen niet aannemelijk geworden acht. Daarmee heeft het hof gerespondeerd op een deel van de opmerkingen die in de pleitnota naar voren zijn gebracht.
21. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de andere opmerkingen naast de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen geen afzonderlijke reactie behoeven. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Inzake het proces-verbaal forensisch onderzoek alarmen en alarmering is aangevoerd dat bij het verbreken van de overheaddeur de magneetcontacten zouden moeten zijn afgegaan (randnummer 42). De verbalisant acht het evenwel mogelijk dat de jerrycan ‘van buitenaf tussen de overheaddeur en de binnen staande personenauto geplaatst kon worden door het verbreken dan wel verbuigen van het onderste kunststof paneel van de overheaddeur. Dit kan gedaan worden zonder een alarm te veroorzaken, middels het ontwijken van de eerste AIR-straal op 80/90 centimeter hoogte’ (bewijsmiddel 10). In het interdisciplinair rapport van het NFI wordt aangegeven dat de aldaar samengevatte bevindingen verklaarbaar zijn in een scenario ‘waarbij de overheaddeur werd geforceerd waardoor er een gat in ontstond of deze deels geopend werd’ (bewijsmiddel 19). Ik merk daarbij nog op dat uit het ‘Onderzoek plaats delict’ blijkt dat ‘tussen de resten van de overheaddeur (…) de verbrande en gesmolten resten van een witte jerrycan’ zijn aangetroffen (bewijsmiddel 4). Daarmee volgt uit de bewijsvoering dat het hof is uitgegaan en kon uitgaan van een scenario waarin de magneetcontacten niet behoefden af te gaan.
22. Ik merk voorts op dat de opmerkingen over genoemd proces-verbaal uitlopen op de stelling ‘dat de conclusie van de verbalisant dat er vuur is ontstaan ter hoogte van de jerrycan niet kan worden gedragen op basis van de aanwijzingen uit het dossier’ (randnummer 44). Het hof heeft evenwel kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat de kanttekeningen die de raadsvrouw plaatst bij de wijze waarop vuur en rook zone 6 (voorbij de overheaddeur) hebben bereikt, niet afdoen aan de aanwijzingen op basis waarvan de verbalisant heeft aangenomen dat zijn bevindingen beter passen bij een scenario waarin ‘vuur is ontstaan ter hoogte van de vindplaats van de jerrycan, terwijl er op dat moment een open verbinding was tussen die locatie en de buitenlucht, zoals bijvoorbeeld een verbroken of weggebogen paneel in de overheaddeur’ (bewijsmiddel 10).
23. Inzake de rapportage over vergelijkend motorbenzine onderzoek is aangevoerd dat geen rekening is gehouden ‘met de hoeveelheid bluswater en de lekkende benzine uit de auto’s in de loods’ (randnummer 47). Dat doet evenwel niet af aan de resultaten van dit onderzoek, die erop neerkomen dat de resultaten van het vergelijkend onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de hypotheses waar zijn dat de motorbenzine in de kleding en de schoenen en in de restanten van de jerrycan afkomstig zijn uit dezelfde bron (bewijsmiddel 7).
24. Inzake het rapport brandtechnisch onderzoek is aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de samenstelling van het bluswater en naar de benzine in ‘de nieuwe Opel die er stond met een volle tank’ (randnummer 57). Naar het mij voorkomt heeft het hof kunnen oordelen dat dit niet afdoet aan de bewijswaarde van dit rapport. In het rapport is vermeld dat het niet in samenstelling veranderd zijn van de motorbenzine in de jerrycan ‘heel moeilijk te verklaren (is) als tijdens het blussen van de brand er motorbenzine, eventueel ook nog gemengd met diesel, uit de lekgeraakte brandstoftanks van de voertuigen in het pand, drijvend op het bluswater richting de overheaddeur zou zijn gestroomd’ (bewijsmiddel 11). Het hof heeft mede tegen deze achtergrond kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, voortvloeit dat en waarom motorbenzine uit de auto’s in de loods geen rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de brand .
25. In de pleitnota wordt ook nog ingegaan op de omstandigheid dat de schoen maar zeer beperkt door de brand is aangetast en ‘het scenario van de broek’ (randnummers 58-61). In het rapport brandtechnisch onderzoek is vastgesteld dat van de aangetroffen kleding niet kon worden vastgesteld of deze in contact is geweest met een brandproces. In verband met het uittrekken van de schoen wordt de mogelijkheid geopperd dat de broek van de drager van de schoen in brand stond; op het moment dat ‘als eerste de schoen wordt uitgetrokken om uit een brandende broek te kunnen stappen, kan de brandende broek leiden tot brandwonden bij de drager ervan zonder dat de schoen verder door de brand wordt aangetast’ (bewijsmiddel 11). De pleitnota brengt daar evenwel enkel veronderstellingen tegen in (randnummer 60). Daar kon het hof naar het mij voorkomt aan voorbijgaan. In zoverre de pleitnota refereert aan de waarneming van een sprintende man door getuige [betrokkene 8] (randnummer 61) merk ik op dat het hof deze waarneming niet tot het bewijs heeft gebezigd.
26. In zoverre in de pleitnota wordt ingegaan op de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte op 8,5 km van de brandlocatie is aangestraald (randnummer 66) merk ik ten slotte op dat het hof daaraan een afzonderlijke bewijsoverweging heeft gewijd. Daarin heeft het hof overwogen dat ‘de telefoongegevens geen ontlastend bewijs vormen’. Uit de enkele omstandigheid dat het signaal van de telefoon van de verdachte op 19 juni 2018 om 00:11 uur de zendmast aan de Terbregseweg 300 aanstraalde, kan – aldus het hof – ‘niet worden afgeleid waar de verdachte zich op dat moment precies bevond ten opzichte van de plaats van de brand’. Deze omstandigheid biedt ‘daarmee onvoldoende grond voor de stelling dat de verdachte zich niet op de plaats van de brand bevond ten tijde van de brandstichting’. Ik merk in dit verband nog op dat de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij zijn telefoon op een gegeven moment is kwijtgeraakt, maar dat hij dacht dat hij de telefoon op het moment van de brand nog had.
27. Het middel faalt. In verband met de afdoening in cassatie attendeer ik erop dat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep op 23 december 2021 is ingesteld en dat Uw Raad mogelijkerwijs niet binnen twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. Dat zou tot strafkorting dienen te leiden. Ik ben daar in het volgende randnummer niet vanuit gegaan. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97,
2.Uit het navolgende volgt voorts dat hetgeen namens de verdachte over die bevindingen naar voren is gebracht niet (wezenlijk) aan de bewijswaarde van die bevindingen afdoet.
3.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.2. Zie eerder bijvoorbeeld HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780,
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
5.Vgl. HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR2004:AR4898; HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8288.