ECLI:NL:PHR:2023:1086

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
27 november 2023
Zaaknummer
22/00504
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302.1 SrArt. 41.2 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op noodweerexces bij zware mishandeling met scheermes

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, wegens zware mishandeling door met een scheermes meerdere snijwonden toe te brengen aan het slachtoffer.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces en het oordeel dat haar handelen als aanvallend moest worden gezien. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van twee getuigen die een heftige confrontatie met gelijktijdig duwen, trekken en slaan beschreven.

De verdediging voerde aan dat het slachtoffer de confrontatie had gezocht en de eerste duw had gegeven, waardoor sprake zou zijn van noodweerexces. Het hof oordeelde echter dat beide partijen gelijktijdig de aanval waren aangegaan en dat het handelen van de verdachte als aanvallend moest worden beschouwd, zodat het beroep op noodweerexces niet slaagde.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld en dat het hof een zekere vrijheid heeft bij de waardering van getuigenverklaringen. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling en schadevergoedingsmaatregel in stand blijven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor zware mishandeling met scheermes blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00504

Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 15 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "zware mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 13.020,60 en daarbij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot hetzelfde bedrag.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste en tweede middel

2.1
Het eerste middel klaagt dat de verwerping van het beroep op noodweerexces niet toereikend is gemotiveerd. Het hof zou zich in dat kader “niet op het juiste bewijsmiddel, althans niet op de volledige inhoud daarvan” hebben gebaseerd. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte als aanvallend moet worden gezien. Volgens de steller van het middel zou dat oordeel gebaseerd zijn op de onjuiste aanname dat de verdachte niet eerst werd aangevallen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij op 21 september 2018 te [plaats], gemeente Velsen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere snijwonden in haar gezicht en een gat in haar wang, heeft toegebracht door met een scheermes meermalen in het gezicht van [slachtoffer] te snijden.”
2.3
De bewezenverklaring berust – voor zover hier relevant – op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] door de raadsheer-commissaris van dit hof van 28 april 2021.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:
Ik zat [het hof begrijpt: op 21 september 2018] in mijn woning aan de [a-straat] [het hof begrijpt: te [plaats]] toen ik geschreeuw hoorde. Ik zag twee vrouwen die tegenover elkaar een beetje te schreeuwen stonden. Ik kende die vrouwen wel uit de buurt van het voorbij lopen. Ik wist dat ze allebei in de twaalf hoog flat aan de [b-straat] [het hof begrijpt: te [plaats]] woonden. Ze stonden eerst te schreeuwen, toen werd het duwen en trekken en aan het haar trekken. Toen werd het menens. De vrouw met de boblijn met kroeshaar gaf de andere vrouw een duw zodat die tegen de poort aan viel. Toen greep de vrouw die tegen de poort aan viel ineens aan haar wang. De vrouw met de boblijn, die een kind bij zich had, liep richting haar huis, de twaalf hoog flat.
U vraagt mij of ik gezien heb wie er met het fysieke duwen en trekken is begonnen. Eigenlijk allebei, eerst duwden ze met schouders tegen elkaar en daarna werd het duwen en aan de haren trekken. Het begon met tegen elkaar schreeuwen.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2018183741-3 van 21 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant], doorgenummerde pagina’s 189-190.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:
Vandaag, vrijdag 21 september 2018, was ik aan het werk op het [a-straat] in [plaats]. Ik zag een stevige negroïde vrouw lopen op het [a-straat] komende vanuit de richting [b-straat]. Ik zag dat deze vrouw een beetje stevig was en zwart haar had tot op de schouder en dat ze een Dekamarkt tasje vasthield. Tevens zag ik dat er nog een negroïde vrouw liep op het [a-straat] maar die kwam vanuit de 12 hoog flat van de [b-straat], zij droeg iets lichts gekleurd. Toen die vrouw met het Dekamarkttasje de hoek omliep kwamen beide vrouwen elkaar tegen. Ik zag dat ze meteen ruzie kregen. Ik hoorde ook geschreeuw, en keek uiteraard naar die vechtende vrouwen. Ze sloegen op elkaar in en heel kort stopten ze even. Ik zag toen dat die negroïde vrouw met dat Dekamarkt tasje haar hand omhoog deed en weer sloeg. Ik zag toen dat die negroïde vrouw met dat lichtgekleurde shirt tegen een stenen muur aanviel, ik zag die andere negroïde vrouw toen weglopen in de richting van de 12 hoog flat aan de [b-straat]. Ik ben toen richting die gewonde vrouw gelopen en zag dat ze bloedde in haar gezicht, ik dacht op haar linkerwang.”
2.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

Ter discussie staande feiten
De rechtbank overweegt in het vonnis dat de precieze aanleiding niet duidelijk is geworden. Op grond van de verklaring van [getuige 2] stelt de rechtbank dat er over en weer is geduwd en getrokken en dat zij daarmee gelijktijdig zijn begonnen. Het is om die reden dat de rechtbank meent dat van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding geen sprake is en mede als gevolg daarvan een beroep op noodweer faalt.
[getuige 2] is bij de RHC gehoord en verklaart daar onder meer:
"Toen ik op een gegeven moment naar buiten kwam zag ik twee vrouwen die een woordenwisseling hadden. Het dochtertje van één van beide stond erbij. Ik heb het laten gaan. Ze spraken geen Nederlands. Ik weet niet waar het over ging. Opeens zag ik één van de vrouwen gaan zitten. Het was niet zo dat ze in elkaar zakte, maar ze ging zelf zitten".
In zijn algemeenheid kan de verdediging zich slecht voorstellen dat een woordenwisseling of duwen en trekken door partijen gelijktijdig ontstaat. Het is altijd een wisselwerking, een actie en een reactie, hoe kort de tijd tussen actie en reactie ook is, van een gelijktijdigheid kan geen sprake zijn.
Naast het feit dat [getuige 2] delen niet heeft gezien, maakt het dossier ook melding van de verklaring van getuige [getuige 1]. Deze verklaring is door de rechtbank niet gebruikt. [getuige 1] verklaart dat zij van begin tot eind heeft gezien wat er gebeurde. Desgevraagd verklaart zij ook
“Het slachtoffer gaf de eerste duw, zoals ik u zojuist vertelde, waarbij de dader niet viel maar het tasje wel”.
Getuige [getuige 1] verklaart weliswaar op 28 april 2021 - ruim drie jaren later - bij de RHC genuanceerd anders, maar legt dat uit door te stellen:
"Het is al zo'n tijd geleden. Ik heb nu vandaag verklaard zoals het bij mij is blijven hangen. Destijds wist ik het veel beter en heb ik verklaard wat ik gezien heb".
Scenario
Het scenario dat zich volgens de verdediging uit het dossier laat opmaken is dan ook het volgende.
(…)
In de supermarkt ontstaat een woordenwisseling en op straat lijkt aangeefster specifiek van huis teruggelopen te zijn om de confrontatie met cliënte op te zoeken. Aangeefster was immers ook in eerste instantie in aanwezigheid van haar kind. Bij het tegemoet lopen van cliënte, komend uit de richting van de flat, was aangeefster niet meer in aanwezigheid van haar kind. Aangeefster schreeuwt en spreekt dreigende woorden naar cliënte, vrijwel direct nadat zij cliënte in het vizier heeft.
Cliënte is samen met haar dochter op straat en kan dit keer de confrontatie letterlijk niet uit de weg. Volgens getuige [getuige 1], die een en ander vanaf het balkon aanschouwt, geeft aangeefster de eerste duw.
Daarmee is de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding naar de mening van de verdediging een gegeven. Dat getuige [getuige 2] anders verklaart doet daar niet aan af, nu uit zijn verklaring ook blijkt dat hij eigenlijk geen acht heeft geslagen op de - in een vreemde taal - schreeuwende vrouwen. Hij heeft het eindresultaat gezien, maar de relevante ontwikkeling vanaf het geschreeuw niet.
2.5
Het hof heeft het beroep op noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat het de aangeefster is geweest die de confrontatie heeft opgezocht, dat de aangeefster de eerste duw heeft gegeven waartegen de verdachte zich genoodzaakt zag zich te verweren en dat de hevige gemoedsbeweging (waardoor de grens van proportionele verdediging is overschreden) en overreactie van de verdachte zijn ingegeven door de panieksituatie en het bij de verdachte geconstateerde beperkte copingsmechanisme die haar gedragskeuzemogelijkheden in aanzienlijke mate beperken.
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer(exces) kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waar onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.
Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De aangeefster en de verdachte, die al enige tijd met elkaar in onmin leven, lopen elkaar op 21 september 2018 in [plaats] op straat tegemoet. Op het moment dat zij elkaar zien, krijgen zij direct ruzie en beginnen zij tegen elkaar te schreeuwen. Zij zijn op dat moment nog enkele meters van elkaar verwijderd. Nadat de aangeefster en de verdachte schreeuwend naar elkaar zijn toegelopen, wordt de ruzie heftiger en ontstaat er gelijktijdig (dat wil zeggen: op hetzelfde moment van de zijde van de verdachte en van de aangeefster) duw- en trekwerk tussen de aangeefster en de verdachte en trekken zij aan elkaars haren. Ook slaan de aangeefster en de verdachte elkaar met de vuisten. De gewelddadige confrontatie komt snel ten einde, nadat de aangeefster naar de grond is gezakt. De verdachte loopt dan weg met haar dochter in de richting van haar flat aan de [b-straat], de aangeefster achterlatend met diepe wonden in haar gezicht, waaruit zij hevig bloedt. Op genoemde looproute laat de verdachte een bebloed scheermesje achter in een container, waarmee zij tijdens de confrontatie de aangeefster meermalen in het gezicht heeft gesneden.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de aangeefster en de verdachte gelijktijdig, en - op dat moment - met gelijke middelen, de confrontatie zijn aangegaan en aldus beide (gelijktijdig) de aanval hebben ingezet, waarna de verdachte vervolgens op enig moment tijdens de confrontatie met een scheermesje in het gezicht van de aangeefster heeft gesneden. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Immers, het is niet aannemelijk geworden dat de aangeefster als eerste geweld / dreiging heeft uitgeoefend of dat zich gaandeweg de confrontatie een noodweersituatie voor de verdachte heeft ontwikkeld. Om die reden komt een beroep op noodweerexces niet aan de orde, en dient het verweer te worden verworpen. Bovendien is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte [met betrekking tot het scheermesje] [1] als aanvallend moet worden gezien en dat ook om die - de verwerping van het verweer zelfstandig dragende - reden het beroep op noodweerexces niet kan worden aanvaard.”
2.6
Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788 heeft overwogen:
“2.5. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Blijkens de wettelijke omschrijving van noodweer gaat het bij deze strafuitsluitingsgrond om de "verdediging" van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. HR 10 februari 1987, NJ 1987, 950 en HR 16 november 2004, LJN AR2443, NJ 2007, 467). In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen.” [2]
2.7
Verder moet worden vooropgesteld dat bij een beroep op noodweer(exces) de rechter de feitelijke grondslag van dat verweer moet onderzoeken en moet beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan en dat de rechter vervolgens een gemotiveerde beslissingen moet geven op dat verweer. Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag gaat het erom of die, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. [3]
2.8
In het kader van de verwerping van het beroep op noodweerexces heeft het hof geoordeeld dat de feitelijke grondslag van dat verweer niet aannemelijk is geworden omdat (onder meer) “de aangeefster en de verdachte (…) beide (gelijktijdig) de aanval hebben ingezet” en dat “het handelen van de verdachte [met betrekking tot het scheermesje] als aanvallend moet worden gezien”. Die vaststellingen over de aard van de gedragingen van de verdachte zijn, ook in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en dragen – gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6 is vooropgesteld – de verwerping van het beroep op noodweerexces zelfstandig. Dat het hof zich daarbij kennelijk (mede) heeft gebaseerd op slechts een gedeelte van de verklaring van [getuige 1], doet aan die begrijpelijkheid niet af. De rechter komt immers, ook als het gaat om de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond, een zekere vrijheid toe bij de selectie en waardering van verklaringen waarmee hij zich in dat verband geconfronteerd ziet. [4] Bovendien vindt dat deel van die verklaring van [getuige 1] steun in de hiervoor onder 2.3 weergegeven verklaring van [getuige 2].

Afronding

3.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.De aanvulling op het verkorte arrest houdt ten aanzien van deze zinsnede het volgende in: “In het arrest op pagina 3, tweede alinea laatste volzin, ontbraken de hierna gecursiveerde woorden. Die zin dient dus als volgt te worden gelezen: Bovendien is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte
2.Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.3.
3.Vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417.
4.Vgl. AG Vegter, ECLI:NL:PHR:2022:745, randnummer 14 en AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2022:892, randnummer 5.2.