Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof het met betrekking tot het eerste feit gevoerde noodweerverweer niet begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
eerste middeldat uitsluitend de onvoldoende dan wel onbegrijpelijke motivering van de verwerping van het beroep op noodweer betreft is vooral een herhaling van zetten uit de feitelijke instanties. Daar is namelijk gewezen op de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . De verklaringen van deze beide Litouwers zijn niet voor het bewijs gebezigd, maar wel betrokken bij de verwerping van het beroep op noodweer. De bewijsmotivering wordt in cassatie niet bestreden zodat vaststaat dat verdachte [benadeelde] tweemaal met kracht met een mes in de buik heeft gestoken en ook met een mes in het hoofd heeft gestoken. Het middel zelf bestrijdt de (motivering van de) bewezenverklaring niet, terwijl de toelichting op het middel dat in ieder geval niet duidelijk en stellig doet. Voor zover in de toelichting op het middel een poging wordt gedaan het bewezenverklaarde opnieuw ter discussie te stellen ga ik daaraan voorbij nu - als gezegd - van een duidelijke en stellige klacht tegen de motivering van de bewezenverklaring geen sprake is. Kortom uitgangspunt bij de bespreking van het middel is dat er van steken (en niet alleen zwaaien met een mes) en van opzet op de dood sprake is.
RC
eerste middelis kansloos.
tweede middelklaagt over de overschrijding van de inzendtermijn van de stukken naar de Hoge Raad. Dit middel is terecht voorgesteld, nu tussen het instellen van cassatie op 3 maart 2021 en de binnenkomst van het dossier bij de Hoge Raad op 30 november 2021 meer dan acht maanden [3] zijn verstreken. Dit dient te leiden tot strafvermindering aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.