ECLI:NL:PHR:2023:1135

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
23/00481
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 27 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beklag tegen inbeslagname handelsvoorraad en overige goederen telefoonwinkel en loodsen

Klager, eigenaar van een telefoonwinkel, diende een klaagschrift in tegen de inbeslagname van zijn handelsvoorraad mobiele telefoons en overige goederen in zijn winkel en loodsen. De rechtbank verklaarde het beklag niet-ontvankelijk voor de handelsvoorraad telefoons omdat het strafvorderlijk beslag daarop was opgeheven en verklaarde het beklag voor het overige gegrond, waarna zij teruggave van de overige inbeslaggenomen goederen gelastte.

Het Openbaar Ministerie stelde in cassatie dat het klaagschrift niet ziet op de administratie en goederen in de loodsen, en dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave vanwege lopend onderzoek naar mogelijke diefstal. De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van het klaagschrift door de rechtbank, mede gelet op de beperkte informatiepositie van klager, niet onbegrijpelijk is en dat een mondelinge toelichting het klaagschrift niet onrechtmatig wijzigt.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat het belang van strafvordering door het OM onvoldoende was onderbouwd met stukken en dat de rechtbank terecht oordeelde dat dit belang zich niet tegen teruggave verzet. Het cassatieberoep werd verworpen met motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00481 B
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 12 juli 2022 de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag ten aanzien van de handelsvoorraad telefoons van de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] en het beklag voor het overige gegrond verklaard en de teruggave aan de klager gelast van de overige inbeslaggenomen voorwerpen - niet zijnde de hiervoor genoemde handelsvoorraad - van het [a-straat 1] te [plaats] en alle inbeslaggenomen voorwerpen afkomstig van de adressen [b-straat 1] , [b-straat 2] , [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] .
Het cassatieberoep is ingesteld door M.P. Visser, officier van justitie. Namens het Openbaar Ministerie heeft H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het procesverloop

3.1
Het op 24 maart 2022 ter griffie van de rechtbank ontvangen klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“ [klager] drijft onder de naam [A] een eenmanszaak, te weten een telefoonwinkel te [plaats] aan het [a-straat 1] .
Op 28 februari jl. is door de politie een doorzoeking uitgevoerd in - ondermeer - dit bedrijfspand, waarbij de gehele handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen in beslag is genomen.
Klager beschikt niet over een verslag van binnentreden in zijn bedrijfspand noch van een kennisgeving van inbeslagneming.
[klager] kan zich met (het voortduren van) deze inbeslagneming niet verenigen en voert daartoe het navolgende aan.
1. Wetmatigheid van de inbeslagneming.
[klager] beschikt niet over de stukken in de strafzaak waaruit blijkt op welke gronden de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Bij gebrek aan wetenschap derhalve wordt de wetmatigheid van de inbeslagneming betwist.
2. Rechtmatigheid van (het voortduren van) het beslag.
[klager] is rechthebbende (eigenaar) van de inbeslaggenomen goederen.
Gelet op het bovenstaande is uitgesloten, danwel hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend, het voertuig van [klager] aan het verkeer zal onttrekken of dat hierop enige vordering kan worden verhaald. Het strafvorderlijk belang bij voortduren van de inbeslagneming is daarmee niet aanwezig.
De raadsman van [klager] verzoekt om toezending van een afschrift van de processtukken voorafgaand aan de raadkamerbehandeling.
Redenen waarom:
[klager] zich wendt tot uw rechtbank met het verzoek het klaagschrift gegrond te verklaren, het beslag op te heffen en de teruggave van de goederen te bevelen.”
3.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 31 mei 2022 [1] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Raadsman
Ik weet niet of klager verdachte is of dat sprake is van derdenbeslag. Het enige dat ik ontvangen heb, is een email van de parketsecretaris met KVI nummers van goederen waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat die zijn overgedragen aan de Belastingdienst. Wij weten nog steeds niet wat er allemaal in beslag is genomen omdat klager geen complete lijst heeft. Als klager de lijst die hij ontvangen heeft naast zijn voorraden lijst legt, mist hij tientallen telefoons. Het standpunt van klager is dat er handelsvoorraad in beslag is genomen die niet op de lijst vermeld staat. Ik weet uit de krant en via klager dat er ook bedrijfsvoorraad uit het bedrijfspand in de [b-straat ] in beslag is genomen maar daarvan heb ik geen stukken ontvangen. Het klaagschrift richt zich ook tegen dat beslag. Ik weet de grond van het beslag niet en ook niet waarom het nog voortduurt. Zonder inkomsten kan klager zijn bedrijf niet voortzetten en dreigt een enorme kostenpost. Er wordt niet aangetoond waarom de goederen nog steeds onder het beslag vallen. U houdt mij het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 mei 2022 voor.
Klager
De [b-straat ] is de hoofdingang van het pand. [c-staat ] ligt daar om de hoek.
Officier van justitie
Het strafrechtelijke beslag op de handelsvoorraad is op 11 mei 2022 opgegeven. Daarom heeft klager mijns inzien geen belang meer bij het klaagschrift. In het klaagschrift wordt alleen gesproken over mobiele telefoons die zich op het [a-straat ] bevonden. Dat er inmiddels door de Belastingdienst beslag is gelegd op de mobiele telefoons in verband met openstaande belastingschulden doet er niets aan af. Het klopt dat er op 1 maart 2022 ook in andere panden goederen in beslag zijn genomen. Er is een aanvullend proces-verbaal in het dossier opgenomen naar aanleiding van de vragen die de raadsman daarover per email heeft gesteld. Als klager stelt eigenaar te zijn van de goederen die in de andere panden in beslag zijn genomen, zal klager een nieuw klaagschrift in moeten dienen. Het Openbaar Ministerie kan dan stukken verstrekken en er een standpunt over innemen.
Raadsman
In het klaagschrift is aangegeven dat klager een eenmaanszaak drijft. Met de bepertke informatie die voorhanden was, is het klaagschrift zo goed mogelijk geformuleerd. Daarin staat vermeld dat het gaat om de handelvoorraad van klager. Daar vallen ook andere goederen en andere panden van klager onder. De handelsvoorraad lag verdeeld over meerdere panden. Ik weet niet of in de [b-straat ] nog meer goederen lagen maar ik stel vast dat daar ook handelsvoorraad lag. Ik verzoek het klaagschrift gegrond te verklaren. Los van het beslag dat de Belastingdienst heeft gelegd, verzoek ik op grond van het strafrecht een last tot teruggave.
Klager
Ik wil mijn eigendommen graag terug. Mijn zaak ligt al een aantal maanden stil. Ik kan zonder handelsvoorraad de kost niet verdienen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de rechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.”
3.3
Het in raadkamer voorgehouden aanvullende proces-verbaal van 24 mei 2022 houdt het volgende in:
“PROCES-VERBAAL VAN BEVINDINGEN
Proces-verbaalnummer: LEFCC21007-201
Onderzoek: 26Osselt / LEFCC21007
Behandelend ovj: mr. P. Visser
Betreft: nader onderzoek aan inbeslaggenomen goederen
Parketnummer: 01/041017-22
PROCES-VERBAAL
Ik, verbalisant, [verbalisant 1] , als inspecteur werkzaam bij de Landelijke Eenheid, verklaar het volgende:
In het opsporingsonderzoek 26Osselt vond op dinsdag 1 maart 2022 een doorzoeking ter inbeslagname plaats in de telefoonwinkel [A] , [a-straat 1] te [plaats] . Tijdens deze doorzoeking zijn diverse goederen inbeslaggenomen, waaronder honderden mobiele telefoons van het merk Samsung en Apple. Ok werd administratie inbeslaggenomen en producten die niet telefoon gerelateerd zijn, zoals tandenborstels en scheerapparaten van het merk Philips en videogames voor de Xbox.
Op 1 en 2 maart 2022 vond tevens in onderzoek 26Osselt een doorzoeking ter inbeslagname plaats in de [b-straat 1] , [b-straat 2] , [b-straat 3] en [c-staat 1] te [plaats] . Tijdens deze doorzoekingen werd in totaal acht vrachtwagens aan goederen inbeslaggenomen.
Naar de herkomst van de inbeslaggenomen goederen in de telefoonwinkel en de inbeslaggenomen goederen in de panden aan de [b-straat ] en [c-staat ] wordt, gezien de grote hoeveelheid inbeslaggenomen goederen, nog steeds nader onderzoek gedaan. Het onderzoek naar de herkomst van de inbeslaggenomen goederen, mogelijk van diefstal afkomstig, is tot op heden niet afgerond en ook het onderzoek naar de inbeslaggenomen administratie loopt nog.
Waarvan door mij is opgemaakt dit proces-verbaal, dat ik sloot en ondertekende te Driebergen op
dinsdag 24 mei 2022.
[verbalisant 1] op ambtsbelofte”
3.4
Verder houdt het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie van 7 juni 2022 nog het volgende in:
“Geachte rechter,
Van mijn collega heb ik de terugkoppeling ontvangen dat de beslagstukken binnen een week dienen te worden aangeleverd van zowel de telefoonwinkel aan het [a-straat 1] als de loodsen gelegen aan de [b-straat ] en [c-staat ] te [plaats] . Omdat ik geen proces-verbaal van de in raadkamer gehouden zitting van 31 mei 2022 heb ontvangen en evenmin een (tussen)beschikking, zal ik afgaan op hetgeen mijn collega mij heeft meegedeeld. Vanzelfsprekend wil ik graag aan uw bevel voldoen.
Informatie omtrent het beslag in de telefoonwinkel treft u in het als bijlage 1 gevoegde proces-verbaal met daarbij behorend overzicht.
Ten aanzien van het beslag in de loodsen het volgende. Hoewel ik graag aan uw bevel zou willen voldoen, is dit een voor mij onmogelijk uit te voeren opdracht. Het beslag in de loodsen betreft hier namelijk acht vrachtwagens aan inbeslaggenomen goederen dat meerdere politiemensen zeer lange tijd zal kosten om dit te inventariseren. Wel kan ik het als bijlage 2 gevoegde proces-verbaal
met daarbij behorend overzicht bieden, dat een (globale) inventarisatie biedt van het beslag afkomstig uit de loodsen. Ik ga er van uit dat dit voldoende is om het klaagschrift te beoordelen.
Via mijn collega gehoord hebbend het bevel gegeven in raadkamer van 31 mei 2022 zal ik nog enige toelichting geven op het beslag en een nadere zienswijze op het standpunt van het OM ten aanzien van het klaagschrift en hetgeen ter zitting is ingebracht.
[a-straat 1] (de telefoonwinkel)
Bij e-mail van 24 maart 2022 gericht aan de strafgriffie heeft de verdediging een klaagschrift ingediend namens klager. Daarin staat, voor zover hier relevant, het volgende:
" [klager] drijft onder de naam [A] een eenmanszaak, te weten een telefoonwinkel te [plaats] aan het [a-straat 1] .
Op 28 februari jl. is door de politie een doorzoeking uitgevoerd in - ondermeer - dit bedrijfspand, waarbij de gehele handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen in beslag is genomen. Klager beschikt niet over een verslag van binnentreden in zijn bedrijfspand noch van een kennisgeving van inbeslagneming."
Klager klaagt dus (uitsluitend) over de gehele handelsvoorraad die bestaat uit honderden mobiele telefoons in de telefoonwinkel aan het [a-straat 1] . Klager klaagt niet over andere goederen in de telefoonwinkel of over goederen op een of meer andere locaties.
Bij e-mail van 11 mei 2022 heeft het OM de verdediging in kennis gesteld dat het beslag op de gehele handelsvoorraad is opgeheven. Daarbij is melding gemaakt dat de Belastingdienst beslag heeft gelegd wegens een belastingschuld. Het OM heeft de verdediging verzocht het klaagschrift in te trekken.
Bij e-mail van 23 mei 2022 is door het OM een kennisgeving van inbeslagneming aan de verdediging gestuurd, welke onderdeel uitmaakt van het dossier.
Een proces-verbaal van 24 mei 2022 is door het OM eveneens toegevoegd aan het dossier. Hieruit volgt dat onderzoek gaande is naar de overige inbeslaggenomen goederen anders dan de handelsvoorraad mobiele telefoons, .
Het klaagschrift beperkt zich uitsluitend tot de handelsvoorraad mobiele telefoons, zodat het beslag op de andere goederen geen onderdeel is van deze klaagschriftprocedure. Mocht u dit standpunt niet volgen, dan verzet zich het belang van strafvordering tegen teruggave van deze goederen
(ECLI:NL:HR:2010:BL2823 r.o. 2.8. en 2.9), omdat er nog onderzoek naar plaatsvindt.
[b-straat 1] , [b-straat 3] en [c-staat 1] (de loodsen)
Het bij e-mail van 24 maart 2022 ingediende klaagschrift ziet uitsluitend op de gehele handelsvoorraad mobiele telefoons die in beslag is genomen in de telefoonwinkel. De verdediging rept bij dit klaagschrift niet over de loodsen aan de [b-straat ] en [c-staat ] en de daar in beslaggenomen goederen. Integendeel, het gaat in het klaagschrift uitsluitend over de gehele handelsvoorraad mobiele telefoons gerelateerd aan de telefoonwinkel aan het [a-straat 1] .
Nadat het OM op 11 mei 2022 aan de verdediging heeft gecommuniceerd dat het beslag op de handelsvoorraad [mobiele telefoons] is opgeheven en verzocht het klaagschrift in te trekken, heeft de verdediging op 19 mei 2022 schriftelijk gesteld richting het OM (dus niet naar de griffie van de rechtbank; vgl. art. 552a lid 4 Sv) dat het klaagschrift door gebruikmaking van de woorden "onder meer" ook op andere goederen betrekking zou hebben.
Deze stelling kan niet worden gevolgd. Zowel zuiver taalkundig als in de context gelezen is het klaagschrift naar de mening van het OM niet anders te lezen dan dat het klaagschrift betrekking heeft op uitsluitend de gehele handelsvoorraad mobiele telefoons in de telefoonwinkel.
De verdediging schrijft immers: "Op 28 februari jl. is door de politie een doorzoeking uitgevoerd in - ondermeer - dit bedrijfspand, waarbij de gehele handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen in beslag is genomen."
De woorden "onder meer" staan tussen "doorzoeking" en "bedrijfspand". Daarmee slaat "onder meer" op "bedrijfspand" en niet op de inbeslaggenomen goederen. Vervolgens heeft de verdediging de inbeslaggenomen goederen nader gespecificeerd: "de gehele handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen". Dit laat, wat het OM betreft, dus geen enkele ruimte voor een lezing waarbij andere goederen al dan niet in andere panden worden bedoeld. De
woorden "onder meer" staan tenslotte ook niet tussen de woorden "uit" en "honderden". Dan zou mogelijk nog een pleitbaar standpunt kunnen geweest dat het klaagschrift ook zag op eventuele andere goederen in de telefoonwinkel, maar nog steeds niet op andere goederen in andere locaties.
De onhoudbare stelling van de verdediging in de communicatie naar het OM van 19 mei 2022 (niet naar de griffie van de rechtbank) kan en mag ook niet worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift:
(ECLI:NL:HR:2022:497, r.o. 2.5): "Opmerking verdient dat als een klager het beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering wil uitbreiden tot voorwerpen waarop het ingediende klaagschrift geen betrekking heeft, hij daartoe een nieuw klaagschrift kan indienen." Oftewel, klager zou een nieuw klaagschrift moeten indienen.
Kennelijk heeft de verdediging dit (nieuwe) standpunt ook mondeling ter zitting van de raadkamer ingenomen. Gezien uw aan het OM gegeven bevel lijkt u dit standpunt volgen. Maar ook mondelinge uitbreiding van het klaagschrift kan niet bij de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift worden betrokken (ECLI:NL:HR:2004:AP1533). De omvang van het geding ziet dus niet op de goederen in de loodsen. Mocht uw rechtbank daar anders over oordelen dan geldt ook voor deze goederen, dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, meer in het bijzonder het belang van de waarheidsvinding.
Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het belang van strafvordering zich niet langer zou verzetten tegen teruggave, is het maar zeer vraag of het beslag aan klager dient te worden teruggegeven. Kennelijk heeft klager in raadkamer het standpunt betrokken dat hij rechthebbende is op inbeslaggenomen goederen in loodsen aan de [b-straat ] en [c-staat ] . Dit is merkwaardig, omdat klager kennelijk ten overstaan van een journalist van het Eindhovens Dagblad heeft verklaard: "(...) maar ik weet niets van die opslag." (bijlage 3). Daaruit kan dus weer worden afgeleid dat hij geen rechthebbende is.
In raadkamer heeft vervolgens de raadsman weer wat anders gesteld door te melden dat goederen ook van anderen kunnen zijn. Van welke goederen stelt klager dan rechthebbende te zijn? Wie zijn nog meer rechthebbende(n)? Deze vraag is relevant vanwege het volgende (ECLI:NL:HR:2010:BL2823, r.o. 2.5):
"Het wettelijk stelsel brengt mee dat op de rechter de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat geval mag de rechter niet treden in de beoordeling van het klaagschrift zonder dat die belanghebbende - indien deze bekend of gemakkelijk traceerbaar is - in de gelegenheid is gesteld
om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.
Aangezien de verdediging zelf komt met andere rechthebbende(n) zal het voor de verdediging eenvoudig zijn deze op te voeren, en zijn deze dus "gemakkelijk traceerbaar". Door immers onder deze omstandigheden te beslissen over deze goederen, zouden de belangen van anderen in het gedrang kunnen komen.
Conclusies
Ik kom tegemoet aan uw bevel door inzicht te geven in het beslag.
Primair meen ik dat u uitsluitend kunt beslissen op de in het klaagschrift genoemde inbeslaggenomen goederen, te weten "de gehele handelsvoorraad mobiele telefoons" in de telefoonwinkel. De beslissing zou moeten inhouden dat klager niet ontvankelijk is, nu het strafvorderlijk beslag op de handelsvoorraad mobiele telefoons is opgeheven. Alle overige na het klaagschrift per e-mail of mondeling gedane aanvullingen, dienen buiten de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift te blijven.
Subsidiair: voor zover u zou oordelen dat het klaagschrift op alle inbeslaggenomen goederen in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] zou zien, geldt ten aanzien van de mobiele telefoons dat klager niet ontvankelijk is om bovenstaande redenen en vordert het belang van strafvordering het voortduren van het overige beslag. Dit blijkt evident uit het eerder aan het dossier
gevoegde proces-verbaal. Het klaagschrift dient - dus subsidiair - deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard.
Meer subsidiair: voor zover u zou oordelen dat het klaagschrift ook op alle inbeslaggenomen goederen in de loodsen gelegen aan de [b-straat ] en [c-staat ] zou zien, het volgende. Aan die goederen vindt onderzoek plaats, waardoor zich het belang van strafvordering verzet tegen teruggave, meer in het bijzonder de waarheidsvinding.
Nog meer subsidiair: voor zover u zou oordelen dat het belang van strafvordering zich niet meer zou verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen in de loodsen gelegen aan de [b-straat ] en [c-staat ] , dient de verdediging het standpunt van de andere rechthebbenden nader in te kleuren, zodat ook die anderen, zijnde belanghebbenden, op het klaagschrift kunnen reageren en eventueel zelf een klaagschrift kunnen indienen.”
3.5
Bijlage 1 bij voornoemd schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“PROCES-VERBAAL VAN BEVINDINGEN
Proces-verbaalnummer: LEFCC21007-229
Documentcode: [A]
Onderzoek: 26Osselt / LEFCC21007
Behandelend ovj: mr. P. Visser
Betreft. Overzicht beslag winkelpand [A]
PROCES-VERBAAL
Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , inspecteur werkzaam bij de Eenheid Oost-Brabant,
verklaar het volgende:
Op 1 maart vond in het kader van het onderzoek 26Osselt een doorzoeking ter inbeslag-name
plaats in het winkelpand van de onderneming [A] gevestigd aan het [a-straat 1] te
[plaats]
Bij deze doorzoeking werden de goederen aangetroffen in het betreffende winkelpand ter waarheidsvinding in beslag genomen
Naar de herkomst van deze goederen, vermeld in de bijlage, wordt onderzoek verricht.
Het beslag de telefoons vermeld op de betreffende bijlage werd inmiddels door het Openbaar Ministerie opgeheven.
Van een aantal andere goederen genoemd in het overzicht werd vastgesteld dat deze goederen afkomstig zijn van diefstal Naar de overige goederen wordt nog steeds onderzoek verricht.
Het Excel-bestand met betrekking tot het overzicht is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Waarvan door mij is opgemaakt dit proces-verbaal, dat ik sloot en ondertekende te Eindhoven op
dinsdag 7 juni 2022
[verbalisant 2] (…) op ambtsbelofte”
3.6
Bijlage 2 bij voornoemd schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“PROCES-VERBAAL VAN BEVINDINGEN
Proces-verbaalnummer: LEFCC21007-227
Onderzoek: 26Osselt / LEFCC21007
BVH nummer: 2022117859
Behandelend ovj: mr. P. Visser
Betreft: inschatting in kaart brengen inbeslaggenomen goederen
PROCES-VERBAAL
Ik, verbalisant, [verbalisant 1] , als inspecteur werkzaam bij de Landelijke Eenheid, verklaar het volgende.
Op 1 en 2 maart 2022 vonden doorzoekingen ter inbeslagname plaats in loodsen gelegen aan [b-straat 1] , [b-straat 2] en [b-straat 3] en [c-staat 1] allen te [plaats] . Op locatie [b-straat 2] te [plaats] werden geen goederen inbeslaggenomen. Tijdens de doorzoekingen werden in totaal
acht vrachtwagens met goederen inbeslaggenomen. Deze goederen zijn op 1 en 2 maart 2022 overgebracht naar een locatie van Domeinen. Het vermoeden bestond en bestaat dat de inbeslaggenomen goederen van diefstal afkomstig zijn. Hieronder volgen een aantal afbeeldingen
van het aantreffen van de inbeslaggenomen goederen in de loodsen in [plaats] .
[Afbeelding 1]
[Afbeelding 2]
[Afbeelding 3]
Van 7 maart 2022 tot en met 10 maart 2022 hebben dagelijks zeven tot acht personen de inbeslaggenomen goederen geïnventariseerd. De belangrijkste doelen van deze inventarisatie waren om de goederen in palletboxen en op pallets te plaatsen zodat deze niet in de weg stonden
bij Domeinen. En ten tweede om in kaart te brengen welke goederen allemaal in beslag waren genomen om zodoende op een later tijdstip in de politiesystemen te achterhalen of bij de inbeslaggenomen goederen aangiften van diefstal waren te vinden. Tijdens deze inventarisatie was het doel niet om de precieze aantallen in kaart te brengen. Dit had mede te maken met het feit dat de goederen in allerlei verschillende eenheden verpakt waren, zoals losse goederen, goederen los in dozen, goederen in een doos in dozen, goederen in dozen op pallets en verschillende soorten goederen op eenzelfde pallet.
Het is niet eenvoudig om een inschatting te maken hoeveel tijd het kost om de inbeslaggenomen goederen te identificeren, te tellen en te verwerken op KVI’s. Bij de eerste inventarisatie in maart 2022 hebben 4 dagen lang elke dag zeven tot acht personen gewerkt om de goederen te inventariseren en op te bergen op pallets en in palletboxen. Het betreft bijna 300 pallets en palletboxen. Om de goederen te identificeren, te tellen en te verwerken op KVI’s is tijdrovender dan de inventarisatie van de goederen. Daarnaast is het onderzoeksteam afhankelijk van de medewerkers van Domeinen om op de locatie terecht te kunnen en de medewerking van de medewerkers om met heftrucks de palletboxen en pallets uit stellingen te halen. Ook betreft het heel veel losse (kleine) goederen waardoor het identificeren, tellen en verwerken op KVI’s zeer tijdrovend zal zijn. Tenslotte staan de vakantiemaanden voor de deur waardoor de bezetting niet maximaal zal zijn. Gezien de schaarse politiecapaciteit zal de complete inventarisatie de nodige tijd vergen.
Bijlage: inventarisatielijst van de inbeslaggenomen goederen [b-straat 1] en [b-straat 3] en [c-staat 1] [plaats]
Waarvan door mij is opgemaakt dit proces-verbaal, dat ik sloot en ondertekende te Driebergen op
dinsdag 7 juni 2022.
[verbalisant 1] op ambtsbelofte”
3.7
De schriftelijke reactie van de raadsman van de klager van 14 juni 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Geachte heer, mevrouw,
Edelachtbare vrouwe / heer,
Op 31 mei jl. heeft in de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant de behandeling plaatsgevonden van het klaagschrift tegen de inbeslagneming van de goederen van [klager] , handelend onder de naam [A] . Voorafgaand aan deze zitting ontving ik geen stukken, anders dan de rechtbank die over een zeer summier proces-verbaal beschikte.
Ter zitting heb ik aangegeven dat het klaagschrift ziet op meer goederen dan de telefoons die zich bevonden in de winkel aan het [a-straat ] , en waarvan het openbaar ministerie het beslag heeft opgeheven / overgedragen aan de belastingdienst. Ook de handelsvoorraad van de eenmanszaak van cliënt, voor zover aanwezig op de andere adressen van de doorzoeking, vallen on de reikwijdte van het klaagschrift.
De rechtbank heeft hierop een beslissing genomen, inhoudende dat ook deze goederen vallen onder de reikwijdte van het klaagschrift.
Ik nam kennis van het schrijven van de officier van justitie d.d. 7 juni 2022 waarin deze discussie opnieuw aan de orde wordt gesteld. Ik stel vast dat de rechtbank hierop reeds heeft beslist. Bovendien volgt uit de beslissing tot teruggave (vgl. de kvi-nummers van de goederen die aan de belastingdienst zijn overgedragen) dat ook andere goederen dan mobiele telefoons tot de handelsvoorraad van [A] worden gerekend.
In zijn brief citeert de officier van justitie ondergetekende raadsman over de eigendom van de goederen in de betreffende loodsen. Ik zou gesteld hebben dat deze goederen ook van anderen kunnen zijn. Dit is geen juiste weergave.
Ondergetekende heeft aangegeven dat, wederom bij gebreke aan stukken, de rechtbank en de verdediging geen enkel inzicht wordt verschaft over welke goederen in beslag zijn genomen.
Over de wetmatigheid van de inbeslagneming tast de rechtbank en verdediging nog altijd volledig in het duister. Omtrent het voortduren van het beslag wordt slechts in een bijlage van de brief van de openbaar ministerie gesteld dat ten aanzien van een aantal van de goederen de verdenking bestaat dat deze van diefstal afkomstig zouden zijn. Waarop deze stelling is gebaseerd, wat de aanleiding is voor dit onderzoek, of cliënt daarbij als verdachte is aangemerkt blijft eveneens onvermeld.
Vast staat dat cliënt, als huurder van de betreffende loods, in ieder geval de beslagene is, waarbij als hoofdregel heeft te gelden dat teruggave van de beslagene dient plaats te vinden.
Samengevat heeft het openbaar ministerie volstrekt onvoldoende gesteld om tot handhaving van het beslag te kunnen concluderen.
Redenen waarom:
[klager] persisteert bij het klaagschrift.”
3.8
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Feiten
Uit de in het dossier zijnde kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv Pro, blijkt dat op 1 maart 2022 onder klager de handelsvoorraad (bestaande uit onder andere mobiele telefoons) van zijn telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] in beslag is genomen. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2022 blijkt verder dat in het kader van hetzelfde strafrechtelijk onderzoek (26Osselt) op 1 en 2 maart 2022 - naast voornoemd adres - ook doorzoekingen ter inbeslagname plaatsvonden aan de [b-straat 1] , [b-straat 2] , [b-straat 3] en [c-staat 1] te [plaats] waarbij in totaal acht vrachtwagens aan goederen in beslag zijn genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 24 maart 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 31 mei 2022 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, de advocaat, mr. A.G. van den Biezenbos en de officier van justitie op zitting gehoord.
Het klaagschrift is ter zitting van 31 mei 2022 aangehouden teneinde het Openbaar Ministerie is de gelegenheid te stellen de ontbrekende kennisgevingen van inbeslagname te overleggen. Het Openbaar Ministerie heeft op 7 juni 2022 een schriftelijk standpunt ingediend met bijlagen. De raadsman van klager heeft daarop schriftelijk gereageerd op 14 juni 2022.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: de mobiele telefoons in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] , de administratie in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] en de handelsvoorraad aanwezig op de adressen [b-straat ] en de [c-staat ] te [plaats] .
Door en namens klager is aangevoerd dat klager zijn eigendommen terug wil. Zijn bedrijf ligt nu noodgedwongen stil. Over de wetmatigheid van de inbeslagneming tast klager volledig in het duister. Er wordt door het Openbaar Ministerie slechts gesteld dat ten aanzien van een aantal van de goederen de verdenking bestaat dat deze van diefstal afkomstig zouden zijn. Waarop deze stelling is gebaseerd, wat de aanleiding is voor dit onderzoek en of klager daarbij als verdachte is aangemerkt, blijkt niet. Door het Openbaar Ministerie zijn geen stukken overgelegd, behalve een kennisgeving die betrekking heeft op het pand aan het [a-straat 1] . Klager is als huurder van de loods de beslagene en als hoofdregel heeft te gelden dat teruggave van het beslag dient plaats te vinden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager. De officier van justitie stelt dat alle na het klaagschrift per email of mondelinge gedane aanvullingen, buiten de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift dienen te blijven zodat de omvang van het geschil enkel de mobiele telefoons in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] betreft. Met betrekking tot de handelsvoorraad telefoons van de voornoemde telefoonwinkel is klager niet-ontvankelijk omdat het strafvorderlijk beslag daarop is opgeheven. Subsidiair vordert het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op de administratie in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] . Meer subsidiair vordert het belang van strafvordering, de waarheidsvinding, ook het voortduren van het beslag op de handelsvoorraad aanwezig op de adressen [b-straat ] en de [c-staat ] te [plaats] . Nog meer subsidiair dient de verdediging het standpunt van de andere rechthebbenden nader in te kleuren.
Beoordeling
Inleiding
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank merkt eerst op dat de stellingen van het Openbaar Ministerie in het schriftelijk standpunt van 7 juni 2022 met betrekking van de omvang van het klaagschrift, onbesproken zullen blijven. Tijdens de zitting is daar reeds op beslist door de rechtbank. De zaak is bovendien slechts aangehouden om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om de ontbrekende stukken alsnog te overleggen.
Met betrekking tot de omvang van het geschil, herhaalt de rechtbank hetgeen op zitting is meegedeeld, namelijk dat gelet op de bewoording van het klaagschrift en daarop gegeven toelichting ter zitting, het klaagschrift geacht wordt gericht te zijn tegen alle doorzoekingen zoals vermeld onder het kopje ‘feiten’. Daarbij is de rechtbank, met de raadsman, van oordeel dat van hem geen nadere specificaties van de inbeslagneming kon worden gevergd, nu hij ondanks herhaaldelijke verzoeken, ten tijde van het opstellen van het klaagschrift alleen beschikte over een kennisgeving met betrekking tot het [a-straat 1] .
Inhoudelijke beoordeling
Beslag handelsvoorraad [a-straat 1] te [plaats]
Ten aanzien van de handelsvoorraad van de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] constateert de rechtbank dat, gelet op hetgeen door de officier van justitie is aangegeven, het strafvorderlijk beslag is beëindigd op 11 mei 2022 naar aanleiding van beslag door de Belastingdienst.
Nu er geen strafvorderlijk beslag meer ligt, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit deel van het klaagschrift. De rechtbank zal klager derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het beklag ten aanzien van de handelsvoorraad in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] .
Beslag [b-straat ] en [c-staat ] te [plaats] en overige beslag [a-straat 1]
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Het Openbaar Ministerie stelt dat het belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het overige beslag omdat de inbeslaggenomen voorwerpen mogelijk van diefstal afkomstig zijn. De rechtbank stelt echter vast dat het gestelde strafvorderlijk belang niet onderbouwd met is stukken. De rechtbank is daarom van oordeel dat wegens het ontbreken van nadere gegevens om de stelling van het Openbaar Ministerie te kunnen toetsen, er niet anders dan geconcludeerd kan worden dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven. Dit betreft de in beslag genomen voorwerpen afkomstig naar aanleiding van de doorzoekingen aan de [b-straat ] en [c-staat ] . Dit betreft eveneens het beslag aan het [a-straat ] voor zover er thans nog strafvorderlijk beslag ligt op overige voorwerpen, niet zijnde de hiervoor besproken handelsvoorraad.
Ter zitting heeft klager betoogd dat alle inbeslaggenomen voorwerpen naar aanleiding van de doorzoekingen op 1 en 2 maart 2022 aan de [a-straat 1] , de [b-straat ] en [c-staat ] van hem zijn. Dit is onbestreden door het Openbaar Ministerie. De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Nu klager en niet iemand anders redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, zal de rechtbank teruggave aan klager gelasten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag ten aanzien van de handelsvoorraad telefoons van de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] ;
- verklaart het beklag voor het overige gegrond en gelast de teruggave aan klager van de overige inbeslaggenomen voorwerpen - niet zijnde de hiervoor genoemde handelsvoorraad - van het [a-straat 1] te [plaats] en alle inbeslaggenomen voorwerpen afkomstig van de adressen [b-straat 1] , [b-straat 2] , [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] .”

4.Het eerste middel

4.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de klager ook in zijn beklag kan worden ontvangen voor zover dit betrekking heeft op de in de telefoonwinkel van de klager inbeslaggenomen administratie en de goederen uit de loodsen gelegen aan de [b-straat 1] , [b-straat 2] en [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] , ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
In de toelichting op het middel wordt allereerst opgemerkt dat het Openbaar Ministerie zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift mede ziet op de overige handelsvoorraad die in de telefoonwinkel van de klager is aangetroffen en de klager derhalve ook ten aanzien van die goederen ontvankelijk is in zijn beklag. Het Openbaar Ministerie kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift zich tevens uitstrekt tot de in de telefoonwinkel inbeslaggenomen administratie en tot alle goederen die in beslag zijn genomen in de loodsen gelegen aan de [b-straat 1] , [b-straat 2] en [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] . In cassatie worden beide pijlers waarop het oordeel van de rechtbank berust betwist, te weten de bewoordingen van het klaagschrift respectievelijk de op zitting gegeven toelichting op het klaagschrift.
4.3
Wat betreft de bewoordingen van het klaagschrift wordt het volgende aangevoerd. Volgens de steller van het middel is de door de rechtbank (kennelijk) gegeven uitleg aan de bewoordingen van het klaagschrift om een drietal redenen niet begrijpelijk, omdat het klaagschrift inhoudt (i) dat door de politie een doorzoeking is uitgevoerd in - ondermeer - de telefoonwinkel van de klager aan het [a-straat 1] , (ii) bij de doorzoeking in dit bedrijfspand de gehele handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen, in beslag is genomen en (iii) de klager zich met (het voortduren van) deze inbeslagneming niet kan verenigen. Volgens de steller van het middel houdt het klaagschrift dus niets in over de in de telefoonwinkel inbeslaggenomen administratie en de goederen die lagen opgeslagen in voornoemde loodsen. Het begrip “handelsvoorraad” zou ook redelijkerwijs niet zo kunnen worden uitgelegd dat daaronder ook de administratie van een onderneming kan worden begrepen. Verder wordt met betrekking tot de in de loodsen inbeslaggenomen goederen nog opgemerkt dat uit de inventarisatielijst (bijlage 2 bij het schrijven van de officier van justitie d.d. 7 juni 2022) blijkt dat deze goederen vrijwel uitsluitend bestaan uit andersoortige goederen dan mobiele telefoons (of daaraan gerelateerde artikelen). Het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift zich mede uitstrekt tot deze goederen zou daarom niet begrijpelijk zijn, nu het klaagschrift uitdrukkelijk is beperkt tot de “handelsvoorraad, bestaande uit honderden mobiele telefoontoestellen”. Ten aanzien van hetgeen ter zitting is toegelicht door en namens de klager wordt opgemerkt dat een dergelijke mondelinge toelichting er niet toe kan leiden dat de inhoud van een eerder ingediend klaagschrift aldus wordt gewijzigd dat er alsnog wordt geklaagd met betrekking tot een of meer voorwerpen waarop dat klaagschrift geen betrekking had.
4.4
Verder wordt nog opgemerkt dat de door de rechtbank genoemde omstandigheid dat van de raadsman van de klager geen nadere specificaties van de inbeslagneming konden worden gevergd daar niet aan afdoet, omdat de raadsman van de klager ten tijde van het opstellen van het klaagschrift - anders dan de rechtbank overweegt - over nog geen enkele kennisgeving van inbeslagneming beschikte, nu de kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot het [a-straat 1] eerst is verstrekt bij e-mailbericht van 23 mei 2022, terwijl het klaagschrift op 25 maart 2022 is ingediend. Volgens de steller van het middel moet de raadsman van de klager niettemin in staat zijn geweest om - al dan niet na overleg met de klager - tot een adequate formulering van het klaagschrift te komen en daarbij tenminste te benoemen dat het beklag zich mede richtte tegen het beslag op de administratie en het beslag op de goederen afkomstig uit de loodsen. Dat de administratie en de goederen uit de loodsen in beslag waren genomen moet voor de klager immers duidelijk zijn geweest, zodat een passende - zij het globale - omschrijving van het beslag had kunnen worden gegeven. Ook indien dit anders zou zijn, dan is volgens de steller van het middel van belang dat klager hoe dan ook de mogelijkheid had om op elk gewenst moment bij de rechtbank een nieuw of aanvullend klaagschrift in te dienen waarin hij zich alsnog zou kunnen beklagen over de inbeslagneming van de administratie en de goederen uit de loodsen. Van het aan de klager onthouden van toegang tot de rechter met betrekking tot de niet in het klaagschrift genoemde voorwerpen is zo bezien geen sprake.
4.5
Ik merk allereerst op dat uit het in de bestreden beschikking geschetste procesverloop - zoals hiervoor onder 3.1 tot en met 3.8 is weergegeven - volgt dat de behandeling van het beklag door de rechtbank op de raadkamerzitting van 31 mei 2022 is aangehouden en de officier van justitie en de raadsman van de klager na die zitting aanvullende (inhoudelijke) schriftelijke standpunten hebben ingediend. De rechtbank heeft vervolgens zonder nieuwe behandeling in raadkamer beschikking gewezen mede op basis van deze schriftelijke standpunten van partijen. De Hoge Raad kan bij de beoordeling van het middel kennisnemen van deze stukken. [2]
4.6
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de uitleg van een klaagschrift aan de feitenrechter is en dat zijn oordeel dienaangaande - als steunend op een aan hem voorbehouden uitleg der gedingstukken - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [3] Verder geldt dat de inhoud van een eerder ingediend klaagschrift bij de behandeling in raadkamer niet aldus kan worden gewijzigd dat alsnog wordt geklaagd met betrekking tot een of meer voorwerpen waarop dat klaagschrift geen betrekking had. Uitbreiding van het beklag als bedoeld in art. 552a Sv tot voorwerpen waarop het ingediende klaagschrift geen betrekking heeft kan door indiening van een nieuw klaagschrift. [4]
4.7
De bestreden beschikking houdt onder het hoofdje “beklag” in dat het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: de mobiele telefoons in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] , de administratie in de telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] en de handelsvoorraad aanwezig op de adressen [b-straat ] en de [c-staat ] te [plaats] . Onder de hoofdjes “Beoordeling” en “Inleiding” wordt die uitleg van het klaagschrift nader geduid, te weten dat gelet op de bewoordingen van het klaagschrift en de daarop gegeven toelichting ter zitting, het klaagschrift geacht wordt gericht te zijn tegen alle doorzoekingen zoals vermeld onder het kopje “feiten”. Onder het kopje “feiten” wordt gerefereerd aan de op 1 maart 2022 onder de klager in beslag genomen handelsvoorraad (bestaande uit onder andere mobiele telefoons) van zijn telefoonwinkel gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] en de op 1 en 2 maart 2022 in beslag genomen goederen op de adressen [b-straat 1] , [b-straat 2] en [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] . De bestreden beschikking houdt verder nog in dat de rechtbank, met de raadsman, van oordeel is dat van hem geen nadere specificaties van de inbeslagneming konden worden gevergd, nu hij ondanks herhaaldelijke verzoeken, ten tijde van het opstellen van het klaagschrift alleen beschikte over een kennisgeving met betrekking tot het [a-straat 1] .
4.8
De door de rechtbank op grond van de inhoud van het klaagschrift en de daarop door de klager en diens raadsman gegeven toelichting ter zitting gegeven uitleg van het klaagschrift is, mede in het licht van de gebrekkige informatiepositie waarin de klager op dat moment verkeerde, niet onbegrijpelijk. Hoewel de bewoordingen van het klaagschrift steun geven aan de door de officier van justitie voorgestelde omvang van het geschil, blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer dat - nadat het aanvullende proces-verbaal van 24 mei 2022 was voorgehouden - door en namens de klager duidelijk is aangegeven dat het beklag (naast de telefoons) ook ziet op de (andere) goederen die in beslag zijn genomen bij de doorzoekingen aan het [a-straat 1] te [plaats] [5] , de [b-straat 1] , [b-straat 2] en [b-straat 3] en de [c-staat 1] te [plaats] . Van een ongeoorloofde inhoudelijke wijziging van het klaagschrift, zoals onder 4.6 bedoeld, is hier mijns inziens geen sprake.
4.9
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen - niet zijnde de handelsvoorraad mobiele telefoons uit de telefoonwinkel van de klager aan het [a-straat 1] te [plaats] - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
5.2
De rechtbank heeft blijkens de bestreden beschikking geoordeeld dat het door het Openbaar Ministerie gestelde belang van strafvordering - het mogelijk van diefstal afkomstig zijn van de inbeslaggenomen voorwerpen - niet is onderbouwd met stukken en dat er wegens het ontbreken van nadere gegevens om de stelling van het Openbaar Ministerie te kunnen toetsen niet anders geconcludeerd kan worden dan dat het strafvorderlijk belang zich niet tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet, zodat het beslag dient te worden opgeheven. Daarbij gaat het om de in beslag genomen voorwerpen afkomstig van de doorzoekingen aan de [b-straat ] en [c-staat ] en het beslag dat ziet op het [a-straat ] , voor zover er thans nog strafvorderlijk beslag ligt op overige voorwerpen, niet zijnde de handelsvoorraad.
5.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat dit oordeel niet begrijpelijk is in het licht van de door de officier van justitie overgelegde processen-verbaal. In het schrijven van de officier van justitie van 7 juni 2022 is (subsidiair) het standpunt ingenomen dat het belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen teruggave, omdat er nog onderzoek plaatsvindt naar het overige beslag dat is gelegd in de telefoonwinkel van de klager en de goederen afkomstig uit de loodsen. Bij dit schrijven is een tweetal processen-verbaal gevoegd, gedateerd 7 juni 2022, waarin onder meer wordt gerelateerd (i) dat het vermoeden bestaat dat de inbeslaggenomen goederen (niet zijnde de handelsvoorraad mobiele telefoons uit de telefoonwinkel van klager) van diefstal afkomstig zijn en dat er daarom onderzoek wordt verricht naar de herkomst van die goederen, (ii) dat ten aanzien van enkele goederen uit de telefoonwinkel van klager (niet zijnde de mobiele telefoons) reeds daadwerkelijk is vastgesteld dat die van diefstal afkomstig zijn, en (iii) dat het onderzoek naar de inbeslaggenomen administratie nog loopt. Voorafgaand aan de raadkamerzitting van 31 mei 2022 was reeds een proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2022 aan het dossier toegevoegd. Voor zover de rechtbank genoemde processen-verbaal niet toereikend heeft geacht ter onderbouwing van het belang van strafvordering, is volgens de steller van het middel miskend dat het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak. Daarbij komt dat het klaagschrift in de onderhavige zaak binnen een maand na de inbeslagneming is ingediend en betrekking heeft op een zeer grote hoeveelheid voorwerpen (alleen het beslag in de loodsen zou al 8 vrachtwagens aan goederen betreffen).
5.4
Verder wordt nog opgemerkt dat genoemd oordeel niet begrijpelijk is in het licht van de onderzoekstaak van de beklagrechter. De behandeling van het klaagschrift is blijkens de bestreden beschikking uitsluitend aangehouden teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen de ontbrekende kennisgevingen van inbeslagneming te overleggen. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie dus niet bevolen om het belang van strafvordering, meer in het bijzonder het belang van de waarheidsvinding, nader te onderbouwen met stukken. Tegen genoemde achtergrond en in aanmerking genomen de onderzoekstaak van de beklagrechter is het volgens de steller van het middel niet begrijpelijk dat de rechtbank - indien zij zich onvoldoende voorgelicht achtte - de behandeling van het klaagschrift niet (nogmaals) heeft aangehouden teneinde zich op dit punt aanvullend te laten informeren door het Openbaar Ministerie. Daarbij wordt nog opgemerkt dat navraag bij de officier van justitie leerde dat het opsporingsonderzoek inmiddels heeft uitgewezen dat een aanzienlijk deel van de inbeslaggenomen goederen kan worden gerelateerd aan 16 aangiftes van ladingdiefstal en dat de verdachte op 28 juni 2022 is aangehouden op verdenking van opzetheling en gewoonteheling.
5.5
Vooropgesteld moet worden dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan op de voet van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In geval van een beklag tegen zo een beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de beslagene - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Bij dit alles dient in aanmerking te worden genomen dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Verder geldt dat het Openbaar Ministerie bij het aannemelijk maken van het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag niet per inbeslaggenomen goed duidelijk hoeft te maken in hoeverre het dienstig zou kunnen zijn aan het - voor zover hier van belang - aan het licht brengen van de waarheid. [6]
5.6
Het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie, zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven, houdt als subsidiaire conclusie in dat het strafvorderlijk belang wat betreft de inbeslagneming van de goederen - niet zijnde de mobiele telefoons - in de telefoonwinkel aan het [a-straat 1] evident zou blijken uit het eerder aan het dossier gevoegde proces-verbaal (ik begrijp: het aanvullende proces-verbaal van 24 mei 2022). Meer subsidiair wordt betoogd dat - ik begrijp: ook gelet op dit aanvullende proces-verbaal - aan de inbeslaggenomen goederen uit de loodsen aan de [b-straat ] en de [c-staat ] in het belang van de waarheidsvinding onderzoek plaatsvindt. Het aanvullende proces-verbaal waaraan wordt gerefereerd houdt - naast de vermelding van de naam van het opsporingsonderzoek (26Osselt) en een parketnummer (01/041017-22) - in dat naar de herkomst van voornoemde inbeslaggenomen goederen nog steeds onderzoek wordt gedaan en dat deze goederen mogelijk van diefstal afkomstig zijn en dat ook het onderzoek naar de inbeslaggenomen administratie nog loopt. Uit het proces-verbaal van bevindingen, zoals weergegeven onder 3.5, volgt verder nog dat van een aantal andere bij de doorzoeking in de telefoonwinkel aan het [a-straat 1] inbeslaggenomen goederen (niet zijnde de telefoons) werd vastgesteld dat deze goederen afkomstig zijn van diefstal [7] , terwijl het onder 3.6 weergegeven proces-verbaal nog inhoudt dat met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen in de loodsen aan de [b-straat ] en de [c-staat ] het vermoeden bestond en bestaat dat de inbeslaggenomen goederen van diefstal afkomstig zijn en de inventarisatie van alle in beslag genomen goederen mede tot doel heeft om in de politiesystemen te achterhalen of bij de inbeslaggenomen goederen aangiften van diefstal waren te vinden.
5.7
Het oordeel van de rechtbank dat het door het Openbaar Ministerie gestelde strafvorderlijke belang - het mogelijk van diefstal afkomstig zijn van de inbeslaggenomen voorwerpen - niet onderbouwd is met stukken, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk. Uit het schriftelijke standpunt, noch de hiervoor genoemde processen-verbaal, waarin hooguit van een ‘vermoeden’ van diefstal wordt gesproken, blijkt immers waarop een verdenking van diefstal is gestoeld. Daarvoor is, zoals uit art. 27 Sv Pro voortvloeit, een op feiten en omstandigheden berustend redelijk vermoeden van een strafbaar feit vereist. Dat in genoemde stukken een naam van een opsporingsonderzoek wordt vermeld en dat er een parketnummer bekend is, maken het voorgaande mijns inziens niet anders. [8] Temeer nu er ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking bij de rechtbank verder geen informatie over dit opsporingsonderzoek bekend was [9] en de rechtbank op dat moment evenmin bekend was met de onder 5.4 gestelde gegevens. De hiervoor onder 4.5 weergegeven procedurele gang van zaken bood het Openbaar Ministerie wel de ruimte om de rechtbank voorafgaand aan het wijzen van de bestreden beschikking aanvullend te informeren over de laatste ontwikkelingen. Opmerking verdient nog, zoals ook de steller van het middel wel bekend zal zijn, dat in cassatie geen rekening kan worden gehouden met nieuwe ontwikkelingen van feitelijke aard die zich hebben voorgedaan na de behandeling van het klaagschrift door de feitenrechter. [10]
5.8
Het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering - gelet op de omstandigheden ten tijde van de toetsing - zich niet tegen teruggave verzet is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.9
De middelen falen en lenen zich voor afdoening met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO Pro.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De bestreden beschikking houdt in dat het klaagschrift ter zitting van 31 mei 2022 is aangehouden teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen de ontbrekende kennisgevingen van inbeslagname te overleggen. Uit genoemd proces-verbaal blijkt echter niet van een dergelijke beslissing.
2.Vgl. voor een soortgelijk procesverloop bijv. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1418.
3.Zie HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:655.
4.HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:497, NJ 2022/180.
5.Uit bijlage 2 bij het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie, zoals onder 3.4 is weergegeven, blijkt dat op de [c-staat 1] ook telefoons in beslag zijn genomen (volgnr 49), hetgeen steun biedt aan het - voorafgaand aan het voorgehouden aanvullende proces-verbaal van 24 mei 2022 - in raadkamer ingenomen standpunt dat er telefoons gemist worden en er handelsvoorraad op meerdere locaties ligt.
6.Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:232.
7.Het bijgevoegde goederenoverzicht houdt niet in welke goederen dit zouden zijn.
8.De kennisgeving van inbeslagneming van het beslag dat is gelegd op de goederen in het pand aan het [a-straat 1] hield (nog) géén parketnummer in.
9.Bij de gedingstukken bevindt zich een relaas proces-verbaal in het onderzoek 26Osselt, gedateerd 5 september 2022. Dit proces-verbaal dateert van na de bestreden beschikking (12 juli 2022).
10.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/198.