ECLI:NL:PHR:2023:1139

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
23/01615
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 98 SvArt. 22 SvArt. 83 ROArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake beslag en verschoningsrecht bij fraudeonderzoek voedselketen

In deze zaak betreft het cassatieberoep van een klager tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank Oost-Brabant van een klaagschrift ex art. 552a Sv, gericht op opheffing van beslag op fysieke dossiers en een back-up van het ICT-systeem van de klager, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige fraude in de voedselketen.

De procedure startte met een doorzoeking van bedrijfspanden in oktober 2020, gevolgd door het indienen van klaagschriften en behandeling in de meervoudige economische raadkamer en rechter-commissaris. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en de klager niet-ontvankelijk in het beklag tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Het cassatieberoep richt zich op de vraag of de behandeling in raadkamer openbaar heeft plaatsgevonden en op het verschoningsrecht.

De Hoge Raad oordeelt dat ondanks een proces-verbaal dat geen openbaarheid vermeldt, uit een brief van de voorzitter blijkt dat de behandeling op 2 april 2021 wel openbaar was, waardoor het middel faalt. Ten aanzien van het verschoningsrecht wordt geoordeeld dat de klager niet verschoningsgerechtigd is en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor klachten hierover. Het cassatieberoep wordt daarom deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt deels niet-ontvankelijk verklaard wegens klachten over het verschoningsrecht en voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01615 Bv
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 [1] het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op het gebruik van de vastgelegde gegevens, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01617, 23/01618, 23/01619, 23/01620, 23/01621, 23/01622, 23/01625, 23/01626, 23/01627, 23/01628, 23/01632, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Th.J. Kelder, advocaat te De Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.De procesgang

2.1
Uit de stukken van het geding kan over de procesgang bij de Hoge Raad tot nu toe het volgende worden opgemaakt:
(i) op 27 oktober 2020 hebben medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het kader van het strafrechtelijk onderzoek “Marjolein” vanwege een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen onder leiding van de officier van justitie twee bedrijfspanden van de [klager] -groep aan de [a-straat 1] in [plaats] en [b-straat 1] in [plaats] doorzocht. Tijdens die doorzoeking zijn onder meer fysieke dossiers en een kopie van een back-up van het ICT-systeem van de [klager] -groep in beslag genomen;
(ii) op 29 januari 2021 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot primair opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op het gebruik van de vastgelegde gegevens en subsidiair verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris voor het volgen van de procedure als bedoeld in art. 98 Sv Pro;
(iii) op 2 april 2021 is bovengenoemd klaagschrift behandeld door de meervoudige economische raadkamer die de zaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris voor het volgen van de procedure als bedoeld in art. 98 Sv Pro;
(iv) op 30 augustus 2022 heeft de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in art. 98 Sv Pro gegeven;
(v) op 12 september 2022 is namens de klager tegen deze beschikking een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro, in verbinding met art. 552a Sv, ingediend;
(vi) op 7 februari 2023 zijn het klaagschrift ex art. 552a Sv van 29 januari 2021 en het klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro van 12 september 2022 door de meervoudige economische raadkamer behandeld. Vervolgens heeft de rechtbank bij separate beschikkingen van 7 maart 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaard en de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag tegen de beschikking van de rechter-commissaris;
(vii) op 21 maart 2023 is namens de klager beroep in cassatie ingesteld tegen die beschikkingen van 7 maart 2023. Het onderhavige cassatieberoep ziet op de ongegrondverklaring van het klaagschrift ex art. 552a Sv van 29 januari 2021.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de behandeling in raadkamer op 2 april 2021 niet conform art. 552a lid 7 Sv in het openbaar heeft plaatsgevonden.
3.2
Art. 552a lid 7 Sv bepaalt dat de behandeling van het klaagschrift door de raadkamer plaatsvindt in het openbaar. Dit voorschrift is van zodanige betekenis dat – behoudens toepassing van art. 22 lid 2 en Pro 3 Sv – de niet naleving daarvan leidt tot nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking. [2]
3.3
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de behandeling van het klaagschrift voor de eerste maal plaatsgevonden in de meervoudige economische raadkamer van 2 april 2021 en is de zaak behandeld door A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter, A.C. Palmboom en C.M. Zandbergen, leden, in tegenwoordigheid van L.S. Wobbes, griffier. Dit proces-verbaal houdt niet in dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, terwijl ook niet blijkt dat toepassing is gegeven aan art. 22 lid 2 en Pro 3 Sv.
3.4
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de nadere behandeling van het klaagschrift plaatsgevonden op 7 februari 2023. Dit proces-verbaal vermeldt wel dat die behandeling in het openbaar heeft plaatsgehad.
3.5
De bestreden beschikking houdt eveneens niet in dat de behandeling van het klaagschrift in de meervoudige economische raadkamer van 2 april 2021 in het openbaar heeft plaatsgevonden, maar wel dat “[d]e meervoudige economische raadkamer […] op 07 februari 2023 de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a Sv [heeft] voortgezet in openbare economische raadkamer”. Voorts houdt de bestreden beschikking in dat deze “in het openbaar [is] uitgesproken op 07 maart 2023”.
3.6
De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO Pro inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank Oost-Brabant. A.H.J.J. van de Wetering, senior rechter bij de rechtbank, die als voorzitter bij de behandeling in de raadkamer van 2 april 2021 tegenwoordig is geweest, heeft bij brief van 10 november 2023 aan de Hoge Raad het volgende medegedeeld:
“Hierbij verklaar ik, ondergetekende, dat de behandeling van de klaagschriften in het onderzoek Marjolein op 2 april 2021 heeft plaatsgevonden in openbare raadkamer.”
3.7
Op grond van de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 2 april 2021 op te nemen dat de behandeling van het klaagschrift in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad kan het proces-verbaal met verbetering van deze misslag lezen. Daardoor mist het eerste middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden. [3]
3.8
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bestaat uit drie deelklachten die opkomen tegen het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat het verschoningsrecht waarop de klager zich beroept zich er niet tegen verzet dat de na de onder leiding van de rechter-commissaris gemaakte schifting overgebleven inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens ter beschikking worden gesteld voor strafrechtelijk onderzoek.
4.2
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 13 oktober 2015 [4] beslist dat in de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt moet worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan. In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft. [5]
4.3
Dit brengt het volgende mee. In de eerste plaats teken ik aan dat in de bestreden beschikking als oordeel van de rechtbank besloten ligt dat de klager met betrekking tot het digitale beslag moet worden aangemerkt als (mede)beslagene. De klager is niet een van de verschoningsgerechtigden. De verschoningsgerechtigden hebben in dezelfde zaak, naast klaagschriften ex art. 552a Sv, ook klaagschriften ex art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend. De rechtbank heeft die laatstgenoemde klaagschriften ongegrond verklaard. Met het oog daarop had de rechtbank de klager niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag voor zover het de klachten met betrekking tot schending van het verschoningsrecht betreft. Voorts concludeer ik in de zaken van de medeklaagsters [klaagster 1] , onder nummer 23/01628, en [klaagster 2] N.V., onder nummer 23/01634, zijnde de bovengenoemde verschoningsgerechtigden, tot verwerping van het cassatieberoep. Dat beroep ziet op de ongegrondverklaring door de rechtbank van de bovengenoemde klaagschriften ex art. 98 lid 4 Sv Pro. Indien de Hoge Raad mij daarin volgt, betekent dit dat de beslissing tot ongegrondverklaring van het door de klaagsters [klaagster 1] en [klaagster 2] N.V. ex art. 98 lid 4 Sv Pro gedane beklag onherroepelijk wordt. Nu het tweede middel enkel ziet op het verschoningsrecht, moet de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep voor zover het daarop betrekking heeft.

5.Conclusie

5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel dient onbesproken te blijven.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bovenaan de bestreden beschikking wordt de datum van 7 februari 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 7 maart 2023 in het openbaar is uitgesproken. Verder houdt de beschikking onder meer in dat de behandeling van het klaagschrift op 2 april 2021 door de meervoudige economische raadkamer is aangehouden en op 7 februari 2023 is voortgezet. In het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 7 februari 2023 is voorts gerelateerd dat het klaagschrift op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting is behandeld en dat de beschikking op 28 februari 2023 ter openbare terechtzitting zal worden uitgesproken. De “Akte instellen cassatie” houdt – kort gezegd – in dat op 21 maart 2023 namens de klager cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2023. Het bovenstaande maakt dat ik ervan uitga dat de vermelding van de datum van 7 februari 2023 bovenaan de beschikking en datum van 28 februari 2023 in bovengenoemd proces-verbaal berust op een kennelijke verschrijving en ik de beschikking aldus versta dat deze dateert van 7 maart 2023 en bovengenoemd proces-verbaal van 7 februari 2023.
2.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, r.o. 2.4,
3.Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207. Zie ook de randnummers 4.1-4.6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken vóór HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:15. De Hoge Raad deed het middel waarin werd geklaagd dat de behandeling van het klaagschrift in raadkamer niet conform art. 552a lid 7 Sv in het openbaar had plaatsgevonden (en de overige middelen), af met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, r.o. 2.5.3,
5.Vgl. bijv. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1343,