Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2]
adv.: mr. A.H.M. van den Steenhoven
[verweerder 1]
[verweerster 2]
adv.: mr. M.J. van Basten Batenburg
[eiser](in mannelijk enkelvoud) respectievelijk
[verweerder](in mannelijk enkelvoud).
1.Feiten en procesverloop
het pad).
de notariële akte) is ten gunste van het perceel van (de rechtsvoorganger van) [verweerder] en ten laste van het perceel van (de rechtsvoorganger(s)) van [eiser] (perceel [002] ) – destijds nog steeds eigendom van de gemeente – een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. De notariële akte vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
(…) Ten behoeve van het bij deze akte verkochte perceelgedeelte[A-G: bedoeld is [a-straat 1] ]
als heersend erf en ten laste van het aan de gemeente in eigendom verblijvende gedeelte van gemeld kadastrale perceel met het daarop staande woonhuis met verder aanbehoren [a-straat 2] als lijdend erf, de erfdienstbaarheid van weg om te komen van- en te gaan naar de openbare straat, over het ter plaatse gelegen pad en op de thans bestaande wijze (…)”
Bij oplevering in 1965 waren vanaf de [b-straat] slechts twee rijen tegels 30x30 cm aangebracht, om achterom bij de woningen en bergingen te kunnen komen. Op kosten van ondergetekende, is vanaf de [b-straat] een nieuwe inrit en nieuw tegelpad over de totale breedte en lengte aangebracht, inclusief een straatkolk t.b.v. het hemelwater. Dit alles om op een juiste wijze met de auto in de garage te kunnen komen. (...) [a-straat 1] is verkocht op 1 juli 2004.
Nadat de vordering van [verweerder] bij vonnis van 25 november 2020 was toegewezen, heeft [eiser] de goederen die op het pad lagen verwijderd. De poorten heeft hij niet direct weggehaald. Wel heeft hij aanvankelijk het schuifje en de spanband die op de eerste poort (bezien vanaf de [b-straat] ) zaten verwijderd. Omdat [eiser] volgens [verweerder] door zo te handelen niet tijdig en niet volledig aan het vonnis had voldaan, heeft [verweerder] aanspraak gemaakt op de volgens hem verbeurde dwangsommen. Hierna heeft [eiser] aan de straatkant van de eerste poort een deurklink geplaatst, zodat die poort vanaf die kant te openen was door [verweerder] Op 2 april 2021 heeft [eiser] beide poorten verwijderd, althans geheel opengezet.
brandgang) en (ii) dat hij het recht heeft om de twee poorten die voorheen op het pad stonden, terug te plaatsen, als deze van twee kanten te openen zijn. [10] In cassatie is alleen het onder (ii) genoemde standpunt nog van belang.
[eiser] mag de twee schuttingdelen/poorten niet terugplaatsen
2.Belang bij het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
belemmeringin de uitoefening van de erfdienstbaarheid als bedoeld in het arrest van uw Raad van 23 juni 2006. Daarin is overwogen: [15]
misbruik van bevoegdheidmaakt door zijn erf met twee poorten af te sluiten. Mede in het licht van zijn weergave van het betreffende standpunt van [verweerder] in rov. 6.6 [16] – dat het hof in rov. 6.8 verklaart te hebben gevolgd – komt deze tweede lezing mij het meest aannemelijk voor.
subonderdeel 2.1heeft het hof miskend dat het niet aan [eiser] was om te onderbouwen dat en waarom hij zijn erf mag afsluiten met een tweetal poorten. Dit recht vloeit volgens het middel nu eenmaal voort uit het bepaalde in art. 5:48 BW Pro. Het was volgens het subonderdeel aan [verweerder] om te stellen en te onderbouwen dat hij door de plaatsing van een tweetal poorten op onaanvaardbare wijze wordt belemmerd in de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid.
enigbelang, te weten het door de wettelijke norm gerespecteerde belang, gegeven is. [18] Dit betoog gaat op voor alle – niet slechts burenrechtelijke – in de wet geregelde bevoegdheden. Toch wordt in de rechtspraak dikwijls getoetst of degene die misbruik van bevoegdheid zou hebben gemaakt bij de uitoefening van deze bevoegdheid een te respecteren eigen belang heeft. [19]
enkele overweging dat sprake zou zijn van een onvoldoende onderbouwd belang bij afsluitingniet afdoende is om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van recht. Het hof heeft miskend dat hoge eisen moeten worden gesteld aan het aannemen van misbruik van deze bevoegdheid. [20] Voor zover het hof dit niet heeft miskend, blijkt uit zijn beslissing niet hoe het tot het oordeel heeft kunnen komen dat in de gegeven omstandigheden sprake is van misbruik van bevoegdheid door [eiser] van zijn recht om zijn perceel af te sluiten, aldus het subonderdeel.
onderdeel 2faalt.
subonderdeel 1.3.b. Uit de behandeling van dit subonderdeel zal blijken dat de klachten te zeer uitgaan van een (mijn inziens) onjuiste lezing van het arrest om tot cassatie te kunnen leiden.
eerste klachtaan dat [verweerder] niet heeft gesteld dat de poorten op zodanig korte afstand van elkaar zouden staan, dat reeds daarmee de uitoefening van de erfdienstbaarheid zou worden belemmerd. Weliswaar heeft hij aangevoerd dat het pad waarover hij met de auto moet rijden om zijn garage te bereiken over “een klein stukje grond” loopt [24] , maar klaarblijkelijk heeft [verweerder] daarmee bedoeld te stellen dat het gaat om een smalle strook aan de achterzijde van het perceel van [eiser] dat – in verband met het recht van weg – niet als tuin in gebruik is. Voor zover het hof bedoeld heeft te oordelen dat [verweerder] wordt belemmerd in de uitoefening van de erfdienstbaarheid doordat de poorten zodanig vlak achter elkaar zijn geplaatst dat [verweerder] reeds daardoor “op verregaande wijze” in het gebruik van de erfdienstbaarheid zou worden bemoeilijkt, heeft het hof ongeoorloofd de feitelijke grondslag aangevuld en is de door het hof aan die aangevulde grondslag ontleende beslissing onbegrijpelijk.
tweede klachtin
subonderdeel 1.3.bhoudt in dat de betreffende overweging, voor zover van ongeoorloofde aanvulling van de feiten geen sprake zou zijn, de beslissing van het hof niet kan dragen. Aan een erfdienstbaarheid van weg over een perceel in een woonwijk is volgens de klacht inherent dat de weg in de regel slechts kort zal zijn, hetgeen meebrengt dat de toegangspoorten, in het licht van het feit dat een eigenaar op grond van artikel 5:48 BW Pro het recht heeft om zijn erf af te sluiten, aan weerszijden van het erf in de regel op relatief korte afstand van elkaar zullen liggen. Dat de weg in een dergelijk geval over een relatief korte afstand loopt, maakt op zichzelf genomen derhalve evenmin dat sprake is van een ontoelaatbare belemmering van het gebruik van de erfdienstbaarheid, aldus de klacht.
Indien de gedachtegang van het hof zou worden gevolgd, vervolgt
subonderdeel 1.3.bin een
derde klacht, zou dit betekenen dat afsluiting van een erf in de regel niet is toegestaan indien de weg op het dienend erf relatief kort is. Indien en voor zover het hof van oordeel zou zijn dat een relatief korte lengte van een weg over een erf in de regel in de weg zou staan aan het recht van de eigenaar om zijn erf af te sluiten, zou dat volgens de klacht getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
vierde klacht(procesinleiding, p. 8), gericht tegen het (kennelijke) oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de poorten ook zonder medewerking van [eiser] door [verweerder] van beide zijden te openen zijn niet betekent dat [verweerder] in (voldoende) mate in staat is om vrijelijk gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk, waarbij (volgens de klacht) van belang is dat [eiser] ter zake heeft gesteld dat de poorten niet op slot zullen gaan, zodat [verweerder] zich op ieder moment zonder afhankelijk te zijn van [eiser] toegang tot het pad kan verschaffen om zo gebruik te maken van de erfdienstbaarheid. [25] In dat licht is de beslissing van het hof dat het gebruik van het pad door [verweerder] op verregaande wijze wordt bemoeilijkt (in die zin dat [verweerder] de erfdienstbaarheid niet meer onbelemmerd kan uitoefenen) volgens de klacht onbegrijpelijk. De beslissing van het hof staat in zoverre ook op gespannen voet met de beslissing in het arrest van uw Raad van 23 juni 2006, waaruit voortvloeit dat het de eigenaar van het dienend erf in beginsel toegestaan is om zijn erf af te sluiten en die afsluitingen te voorzien van een slot (zij het dat de eigenaar van het heersend erf dan permanent over een sleutel moet beschikken). Nu van afsluiting met sloten geen sprake is, valt niet in te zien hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat enkel afsluiting met poorten leidt tot een rechtens relevante belemmering van de uitoefening van de erfdienstbaarheid door [verweerder]
metpoorten meer handelingen moet verrichten dan in het scenario
zonderpoorten de uitoefening van de erfdienstbaarheid bemoeilijkt, is niet onbegrijpelijk. De kwalificatie ‘op verregaande wijze’ heeft op dit punt geen zelfstandige juridische betekenis, zodat de klacht voor zover deze hiertegen in het bijzonder is gericht, belang mist. Hoe dan ook is het oordeel dat de uitoefening van de bevoegdheid het erf af te sluiten het belang van [verweerder] schaadt niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.3.bgeen doel treft.
eerste klachthet in cassatie als zodanig niet bestreden feitelijke oordeel voorop dat de rechtsvoorganger van [verweerder] en [verweerder] zelf in de periode 1969-2007 van de erfdienstbaarheid gebruik hebben gemaakt zonder dat eerst enige schutting of poort moest worden geopend. De klacht berust op de lezing dat het hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de plaatselijke gewoonte als bedoeld in art. 5:73 BW Pro meebrengt dat van de erfdienstbaarheid van weg gebruik moet kunnen worden gemaakt zonder dat daarvoor een of twee poorten moeten worden geopend. Geklaagd wordt dat in dat geval het hof heeft miskend dat de (enkele) omstandigheid dat de weg voorheen begaanbaar was zonder dat enige poort geopend behoefde te worden niet eraan in de weg staat dat [eiser] – op grond van het hem ter zake toekomende recht op grond van art. 5:48 BW Pro – zijn erf mag afsluiten (zelfs indien de poorten waarmee het erf wordt afgesloten zouden zijn voorzien van een slot). Dit volgt niet uit art. 5:48 BW Pro en evenmin uit het arrest van uw Raad van 23 juni 2006. [26]
eerste klachtuit dit subonderdeel faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet vastgesteld dat er een plaatselijke gewoonte in de zin van art. 5:73 BW Pro bestaat waardoor de inhoud en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid worden bepaald voor zover regels daarover ontbreken in de akte van vestiging. De klacht faalt.
subonderdeel 1.1, tweede klacht– herhaald in
subonderdeel 1.3.b, vierde klacht– heeft het hof miskend dat de omstandigheid dat [verweerder] de poorten eenvoudig en zonder tussenkomst van [eiser] kan openen, in beginsel voldoende is om het onbelemmerde gebruik door [verweerder] van de erfdienstbaarheid van weg te waarborgen.
subonderdeel 1.2, eerste klachtheeft het hof miskend dat de verplichting van [verweerder] volgend uit artikel 5:74 BW Pro [28] om op de minst bezwarende wijze van de erfdienstbaarheid gebruik te maken en de verplichting van beide partijen om zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar te gedragen [29] , meebrachten dat [verweerder] moest dulden dat [eiser] zijn perceel aan beide zijden afsloot met een hek, ook indien dat voorheen niet het geval was, en heeft het hof miskend dat [verweerder] de poorten eenvoudig kon openen [30] , hetgeen ook van hem verwacht mocht worden.
tweedeen
derdeklacht van subonderdeel 1.2 gaan ervan uit dat het hof had te beoordelen wat toepassing van art. 5:74 BW Pro en van de redelijkheid en billijkheid zou meebrengen op het punt van de door [verweerder] te dulden (wijze van) afsluiting van het erf van [eiser] Zij falen om dezelfde reden als de eerste klacht.
subonderdeel 1.3.ais de enkele vastgestelde omstandigheid dat het pad in het verleden steeds werd gebruikt zónder dat eerst enige schutting of poort moest worden geopend onvoldoende om de beslissing te kunnen dragen dat het [eiser] als eigenaar van het dienend erf niet is toegestaan om zijn erf af te sluiten. Daartoe wordt een beroep gedaan op de in het arrest van 23 juni 2006 neergelegde regel.
tweede, derde en vierde klachtvan dit subonderdeel zouden slagen.
subonderdeel 1.3.ckan de overweging van het hof dat [eiser] niet heeft weersproken dat hij zijn erf ook kan afsluiten door aan de achterzijde van zijn tuin evenwijdig aan het pad een schutting te plaatsen (waarmee de belangen van [eiser] ook voldoende gewaarborgd zouden zijn), de beslissing van het hof niet dragen.
subonderdelen 1.1 en 1.3gedeeltelijk zouden slagen, zodat, als inderdaad van die lezing moet worden uitgegaan, cassatie zou moeten volgen. Aangezien ik van mening ben dat het oordeel van het hof in een andere sleutel staat (‘misbruik van bevoegdheid’) en dit aldus gelezen oordeel tevergeefs is bestreden, zal de conclusie strekken tot verwerping van het cassatieberoep.