Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
bindend voor een iederindien de rechtspersoon partij in het geding is geweest, behoudens herroeping of derdenverzet. Slechts voor besluiten met externe werking bevat het tweede lid van art. 2:16 BW Pro een uitzondering op dit uitgangspunt ten behoeve van wederpartijen van de rechtspersoon te goeder trouw. De werking
erga omnesvan een rechterlijke uitspraak die de nietigheid van een besluit vaststelt of dit besluit vernietigt, veronderstelt spiegelbeeldig dat geldige besluiten eveneens
erga omneswerken jegens allen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken. Anders gezegd, besluiten van een orgaan van een rechtspersoon maken deel uit van de interne rechtsorde van die rechtspersoon. [11] Uiteraard is dat een krachtig argument voor uitleg volgens objectieve maatstaven.
theorie. In gewone gevallen zullen bij een zodanig besluit de belangen van anderen niet of nauwelijks betrokken zijn. Aan de andere zijde van het spectrum bevinden zich besluiten die een groot aantal personen aangaan en die alleen kunnen worden vastgesteld met instemming van meerdere organen van de rechtspersoon en waarvoor eventueel ook bijzondere publicatie-eisen gelden. Vergelijk een conclusie van mijn voormalige collega A-G Timmerman, die de uitlegmaatstaf voor de uitleg van statuten (volgens hem de cao-norm [12] ) als volgt vergelijkt met die van
bepaaldebesluiten: [13]
in beginselnaar objectieve maatstaven dient plaats te vinden, wordt de invulling van dat uitgangspunt mijns inziens nader door de aard van het besluit bepaald. Dat geldt ook voor de ruimte die er is om toch ook niet-objectieve uitlegargumenten in de afweging te betrekken. Betreft een besluit in praktische zin slechts een of meer individuele betrokkenen, dan dunkt mij niet op voorhand onjuist een uitleg die mede (of zelfs vooral) let op de betekenis die een zodanige individuele betrokkene aan het besluit redelijkerwijs heeft mogen toekennen en in dat verband redelijkerwijs heeft mogen verwachten. [14]
voor een onbepaald aantal gevallen.Uitleg van een bepaling in de statuten raakt daarmee naar zijn aard ook toekomstige gevallen (tot het moment van een formele statutenwijziging). Dat is een goede reden voor de rechter om voorzichtig te zijn om de uitleg van statuten toe te snijden op de belangen van de betrokkenen in een bepaald geschil. Om die reden bepleitte ik eerder [17] dat statuten (strikt) objectief moeten worden uitgelegd en dat een uitkomst die in verband met individuele omstandigheden wenselijk is, op andere wijze dan door uitleg behoort te worden bereikt, namelijk aan de hand van de inhoud van een (stilzwijgende) aandeelhoudersovereenkomst of de werking van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro (volgens het procedé van differentiëren en combineren [18] ).
erga omnes), maar die binding ziet enkel op het besluit zelf en niet ook op toekomstige gevallen. Als de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap op 5 december 2023 besluit tot het uitkeren van een dividend van 7%, raakt de uitleg van dat besluit allen die in de rechtspersoon op een of andere wijze zijn betrokken, maar die uitleg bepaalt niet de inhoud van toekomstige besluiten over het al dan niet toekennen van een volgende dividenduitkering. Binnen de grenzen van wet, statuten en redelijkheid en billijkheid kan een besluit zelfs met een nieuw besluit geheel of gedeeltelijk terzijde worden gesteld.
erga omnesen werking
erga omnia. [19] Voor objectieve uitleg van besluiten geldt alleen het eerste argument en niet het tweede. Niettemin zal bijvoorbeeld bij de uitleg van een dividendbesluit of een besluit tot inkoop van aandelen van een NV alle nadruk moeten liggen op objectieve uitlegargumenten, zodat alle aandeelhouders uniform worden behandeld en ook geen ongelijk speelveld ontstaat tussen hen die kennis hebben van wat in achterkamertjes aan het besluit voorafging ten opzichte van hen die zulke kennis missen. [20] Wat een
individueleaandeelhouder meer of anders heeft begrepen, gedacht of verwacht dan uit openbare stukken kan worden afgeleid, komt bij een zodanig besluit redelijkerwijs dus niet in aanmerking. Daarentegen geldt bij de uitleg van een besluit van het bestuur van de plaatselijke postduivenvereniging tot toelating of royement van een individueel lid, dat mee mag wegen wat dit individuele lid redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen en mogen verwachten. Sterker, mij dunkt dat dit laatste perspectief in gewone gevallen doorslaggevend behoort te zijn.
van de zijde van Pluvezowas aangevoerd. Pluvezo had zich namelijk beroepen op de inhoud van een brief van de fiscalist of accountant van partijen, namelijk [betrokkene 2] van [betrokkene 5] , (langdurige) gesprekken tussen haar en [betrokkene 5] , en de beweerde veronderstelling bij de bestuurders die de notulen hebben getekend dat die notulen een ‘standaard stuk’ waren dat ‘nu eenmaal getekend’ moest worden. Het hof acht een en ander volgens rechtsoverweging 3.11 niet overtuigend en voegt daar in rechtsoverweging 3.12 aan toe dat (daar komt het op neer) uit het gedrag van Pluvezo lijkt te volgen dat zij ook zelf lange tijd het dechargebesluit aldus heeft uitgelegd dat ten opzichte van [verweersters] afstand was gedaan ter zake van het in de jaarrekening 2003 verantwoorde beleid, waaronder het verstrekken van leningen aan [verweerster 2] Oirlo B.V tegen 5,25%
zonder zekerheden.Onder 3.13 komt het hof dan tot de slotsom dat het betoog van Pluvezo niet tot iets anders leidt dan de uitleg die het hof naar aanleiding van de eerder bedoelde objectieve gegevens aanvaardt, namelijk dat het dechargebesluit mede ziet op het handelen van [verweersters] met betrekking tot de ongesecureerde leningen.
[verweersters]decharge is verleend. Mede in het licht van de omstandigheden dat [verweersters] het gehele kalenderjaar 2003 (indirect) de directie van Pluvezo vormden, is dat mijns inziens een alleszins begrijpelijke uitleg. Het alternatief is een uitleg volgens welke de verklaring dat decharge werd verleend, op de per 1 mei 2004 aangetreden directie zag (namelijk [B] ). Die decharge zou dan echter uit de aard der zaak niet kunnen zien op het in de jaarrekening verantwoorde beleid, maar enkel op het opstellen van de jaarrekening als zodanig. Bij mijn weten is zoiets ongebruikelijk; een decharge zoals die bij gelegenheid van het vaststellen van een jaarrekening plaatsvindt, ziet op het in die jaarrekening verantwoorde beleid. [26] Los daarvan is het de vraag wat een decharge die alleen ziet op
het opstellen vande jaarrekening, aan vaststelling en dus goedkeuring van die jaarrekening zou kunnen toevoegen. Dat het hof een uitleg volgens welke de uitdrukkelijk verleende decharge in feite niets voorstelde, niet aannemelijk heeft geacht, dunkt mij alleszins begrijpelijk.
in de loop van2003 als bestuurders waren gedefungeerd en door [B] vervangen. Dan zou een uitleg volgens welke alleen jegens het zittende en niet mede jegens het voormalige bestuur (‘directie’) afstand werd gedaan, belangrijk aan overtuigingskracht hebben kunnen winnen. [27]
[betrokkene 1](niet Pluvezo) geen belang had. [30] De klacht mist dus feitelijke grondslag.
Haviltex-maatstaf het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk is.