Conclusie
(hierna: Werknemer)
advocaat: J.C. Zevenberg
(hierna: ESD)
advocaat: N.T. Dempsey
1.Inleiding en samenvatting
Xella-uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019. [1]
Xella-norm’). Volgens het hof geldt de
Xella-norm pas vanaf het moment dat de Wet compensatie transitievergoeding in het Staatsblad is gepubliceerd (20 juli 2018).
Xella-norm’ geldt. Mijns inziens is dat vanaf 1 juli 2015, het tijdstip waarop transitievergoeding werd ingevoerd als onderdeel van de Wet werk en Zekerheid (Wwz).
Xella-norm voor ‘oude gevallen’. [2] In die zaak gaat het echter niet om de vraag vanaf wanneer de
Xella-norm geldt (de temporele werking van de norm), maar over de vraag of de norm ook geldt in gevallen waarin een deel van de relevante rechtsfeiten – namelijk het verstrijken van de reguliere wachttijd – is gelegen vóór 1 juli 2015 en beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt ná 1 juli 2015. Daarmee gaat het in die zaak om zogenoemde ‘diepslapers’, ‘semi-diepslapers’ en ‘verlate slapers’ (zie daarover nader de conclusie in zaaknr. 21/01230).
Xella-norm van toepassing is op het geval van de werknemer, houdt verband met het feit dat op het moment dat het beëindigingsverzoek werd gedaan, de
Xella-uitspraak nog niet was gewezen, terwijl ten tijde van de
Xella-uitspraak het dienstverband reeds was beëindigd wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer. Dit roept de vraag op of werkgever ESD ‘met terugwerkende kracht’ kan worden gehouden aan de
Xella-norm en gehouden is om alsnog een beëindigingsvergoeding aan de werknemer te betalen (bij wijze van schadevergoeding).
2.Feiten
Xella-uitspraak van de Hoge Raad.
3.Procesverloop
Xella-uitspraak van de Hoge Raad (rov. 7.2).
Xella-uitspraak volgt dat het kunnen verkrijgen van een (gedeeltelijke) compensatie van de transitievergoeding ex art. 7:673e BW betekent dat een werkgever die zonder redelijk belang weigert in te stemmen met een ‘
Xella-voorstel’ van de werknemer, in strijd handelt met art. 7:611 BW Pro (rov. 7.4).
nietdat ongeacht de compensatieregeling iedere weigering van een werkgever na 1 juli 2015 strijdig is met het goed werkgeverschap. Dat is slechts het geval indien de werkgever aanspraak heeft op een (gedeeltelijke) compensatie van een transitievergoeding. Over zo’n aanspraak is pas op 20 juli 2018 zekerheid verkregen door publicatie van de wet (rov. 7.5).
Xella-norm niet zover dat ESD gehouden was om het voorstel van Werknemer tot beëindiging van het dienstverband te aanvaarden en het risico voor haar rekening te nemen dat zij een uitbetaalde transitievergoeding niet gecompenseerd zou krijgen (rov. 7.6).
4.Plan van behandeling
Xella-verplichting’. Met andere woorden, vanaf welk moment geldt de specifieke norm van goed werkgeverschap die de Hoge Raad in de
Xella-uitspraak heeft geformuleerd (de ‘
Xella-norm’)?
Xella-uitspraak van de Hoge Raad
Xella-norm: als uitgangspunt terugwerkende kracht tot 1 juli 2015
Xella-norm?
Xella-norm
5.De problematiek van de slapende dienstverbanden
verplichtom het dienstverband met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen. [19] Ook na de invoering van de compensatieregeling zijn er daarom nog slapende dienstverbanden.
2.1 Deze zaak gaat over het zogenoemde ‘slapende dienstverband’. Dat is een dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt. Doordat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd.
Xella-uitspraak een specifieke norm van goed werkgeverschap (de ‘
Xella-norm): [27] als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, dan geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen’. Voor de berekening van de hoogte van de
Xella-vergoeding wordt in rov. 2.7.2 dus aangesloten bij het moment waarop de werkgever bevoegd is de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dat is hetzelfde moment waarop de
Xella-verplichting ontstaat, namelijk ‘
als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b, BW’ (rov. 2.7.3). Vanaf dat moment is sprake van een slapend dienstverband als bedoeld in rov. 2.1 van de
Xella-uitspraak.
nietmoet worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen (rov. 2.7.2). Hierdoor kan er een verschil bestaan tussen enerzijds de vergoeding die de werkgever op grond van de
Xella-uitspraak aan de werknemer dient te betalen, en anderzijds de compensatie die de werkgever hiervoor van het UWV ontvangt. [28]
mogelijkheidheeft om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat het einde van de periode waarin op de werkgever een loondoorbetalingsverplichting rust en waarin het opzegverbod wegens ziekte geldt (de wachttijd), niet steeds samenvalt met het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging ontstaat. Op grond van art. 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b, BW ontstaat de bevoegdheid tot opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid namelijk pas indien:
Xella-uitspraak overweegt de Hoge Raad dat op het uitgangspunt dat de werkgever moet instemmen met een beëindigingsvoorstel van de langdurig arbeidsongeschikte werkgever, een uitzondering moet worden aanvaard als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer, maar niet in het bijna bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zo is overwogen. Het is aan de werkgever om daartoe omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen.
Xella-verplichting’ niet absoluut is. [33] De verplichting geldt niet als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Van een dergelijk gerechtvaardigd belang zal niet snel sprake zijn: de uitzondering is weliswaar open, maar restrictief geformuleerd, zo schrijft Houweling. [34]
Xella-voorstel’). [35] Zonder zo’n voorstel ontstaat er geen verplichting voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst met de langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen, onder betaling van de transitievergoeding. Daar staat echter tegenover dat als de werkgever het dienstverband laat doorlopen, de hoogte van de transitievergoeding vaak zal oplopen, terwijl de vergoeding van het UWV gefixeerd is op het peilmoment dat geldt op grond van de compensatieregeling, namelijk het einde van de reguliere wachttijd (zie onder 6.4-6.9).
Xella-voorstel van de werknemer (terwijl wel aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan), dan schendt de werkgever de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro). Omstandigheden die zich nadien voordoen, kunnen daaraan niet afdoen. Zo doet het eindigen van het dienstverband als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer er niet aan af dat de werkgever eerder (dus tijdens het dienstverband) in strijd met zijn verplichting uit art. 7:611 BW Pro heeft gehandeld door niet in te gaan op het
Xella-verzoek van de werknemer. In zo’n geval kan de werknemer de werkgever aanspreken tot betaling van een schadevergoeding die gelijk is aan de transitievergoeding. [36]
Secretaresse/Advocatenkantoor [37] geoordeeld dat als een werknemer een voorstel als bedoeld in de
Xella-beslissing, de werkgever niet handelt als een goed werkgever indien hij slechts bereid is het voorstel te aanvaarden op voorwaarde dat de werknemer hem finale kwijting verleent voor mogelijke andere aanspraken (rov. 3.2.3). Hieruit leid ik af dat de werkgever geen nadere voorwaarden mag stellen aan het
Xella-voorstel van de werknemer.
7.De Wet compensatie transitievergoeding
Net als de wijziging van de ketenbepaling zijn ook de voorstellen betreffende de transitievergoeding gericht op het bevorderen van de totstandkoming van bestendige arbeidsrelaties. De cumulatie van financiële verplichtingen voor een werkgever bij langdurige ziekte van een werknemer kunnen hieraan tegengesteld zijn. Daarom worden voorstellen gedaan die betrekking hebben op het verminderen van de kosten die gemoeid zijn met de transitievergoeding bij het einde van het dienstverband na langdurige arbeidsongeschiktheid, zonder dat de rechten van werknemers worden aangetast. (…)
een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. [41]
fatsoenlijk werkgeverschap’. Zie meer uitgebreid onder 12.2 e.v.
Als gevolg van dit voorstel zal er voor werkgevers geen aanleiding meer zijn om een arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer uitsluitend in stand te laten om de transitievergoeding niet te hoeven te betalen (de zogenoemde slapende dienstverband problematiek) zodat er ook geen maatregelen hoeven te worden getroffen om dit tegen te gaan. Mede in dit verband zal worden bezien of het mogelijk is om de voorgestelde wijziging met terugwerkende kracht in te laten gaan.”
2. Artikel 673e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is ook van toepassing, indien de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015.”
De regering meent dat het aangewezen is de maatregel ook van toepassing te laten zijn in situaties waarin de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 (datum van inwerkingtreding van de wijziging van het ontslagrecht) is geëindigd of niet is voortgezet, om verschillen tussen werkgevers die voor en na inwerkintreding van de maatregel tot ontslag overgaan, te voorkomen.”
Voor situaties waarin voor inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel een vergoeding is betaald, wordt – mede gezien het aantal verwachte aanvragen – gedacht aan een termijn van zes maanden.”
Aangezien de compensatie ook aangevraagd kan worden als de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 is geëindigd of niet is voortgezet, zullen de kosten in het aanvangsjaar (2019) 4,5 keer zo hoog zijn als in een normaal jaar.”
Op zichzelf is dat geen probleem nu de compensatie ook kan worden toegekend voor vergoedingen die voor de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging zijn verstrekt. UWV acht op dit moment een inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2019 haalbaar.”
In het tweede lid wordt geregeld dat de compensatieregeling ook geldt, als het een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 bij langdurige arbeidsongeschiktheid betreft, uit hoofde waarvan een transitievergoeding verschuldigd was (en betaald is), of zou zijn geweest indien de arbeidsovereenkomst in plaats van met wederzijds goedvinden, door opzegging of ontbinding zou zijn beëindigd.”
De gevolgen van het invoeren van de transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers worden door het voorstel en de terugwerkende kracht die daaraan wordt verleend in zoverre teruggedraaid dat werkgevers niet individueel de kosten van een dergelijke vergoeding behoeven te dragen.”
Het onderhavige wetsvoorstel maakt het mogelijk om de compensatie ook aan te vragen als de transitievergoeding voor de inwerkingtreding van de compensatieregeling is verstrekt. De compensatieregeling is ook van toepassing als de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015. Aldus wordt de werkgever, die na dat tijdstip maar voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel langdurig arbeidsongeschikte werknemers heeft ontslagen en een transitievergoeding heeft betaald, niet benadeeld. Daarnaast zorgt deze compensatiemogelijkheid voor oude gevallen ervoor dat er geen prikkel ontstaat om langdurig arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden in slapende arbeidsovereenkomsten.”
Deze compensatie geldt voor transitievergoedingen die vanaf 1 juli 2015 (de datum waarop de transitievergoeding is geïntroduceerd) zijn betaald. Ik vind het van belang om zo snel mogelijk een einde te maken aan de onzekerheid over deze maatregel voor werkgevers én werknemers, en daarmee aan de praktijk van slapende dienstverbanden.”
De aanvraag voor compensatie kan zien op vergoedingen die door de werkgever worden verstrekt op of na 1 april 2020 (hierna: structurele situatie), maar ook op vergoedingen die daarvoor (tussen 1 juli 2015 en 1 april 2020) zijn verstrekt (hierna: oude gevallen).
Voor aanvragen die oude gevallen betreffen, is het niet haalbaar om binnen de hiervoor genoemde termijn te beslissen aangezien er naar verwachting gedurende de eerste zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling een groot aantal aanvragen wordt ingediend. Daarom is bepaald dat UWV voor deze oude gevallen binnen zes maanden na ontvangst op de aanvraag moet beslissen.”
Artikel 3
vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 673e, eerste lid, onderdeel a, onder 1 of 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
om verschillen tussen werkgevers die voor en na inwerkintreding van de maatregel tot ontslag overgaan, te voorkomen’ (zie onder 7.13),
nietkan worden afgeleid dat beoogd is ‘
met terugwerkende kracht op werkgevers een beëindigingsverplichting te leggen, als gevolg waarvan zij tegenover werknemers met een slapend gehouden dienstverband schadeplichtig zouden zijn’ (zoals het hof overweegt in rov. 7.8 van de in cassatie voorliggende uitspraak), kan ik dan ook niet volgen.
8.De temporele werking van rechterlijke uitspraken
Xella-uitspraak heeft geformuleerd.
Eveneens passend bij deze openheid zou zijn indien hij [de Hoge Raad, A-G] van iedere verandering van rechtspraak meteen ook de overgangsrechtelijke gevolgen zou bepalen. Dat gebeurt echter niet, althans niet consequent. Ook in andere gevallen van rechterlijke rechtsvorming [dan ‘omgaan’, A-G] wordt het overgangsrecht vaak stiefmoederlijk bedeeld. Ik noem als voorbeeld de tamelijk geruisloze aanscherping van aansprakelijkheden die zich het laatste decennium in de rechtspraak heeft voltrokken. De meeste verzekeringsovereenkomsten zijn hierop niet afgesteld. Moet de verzekeraar dan toch uitkeren of draagt de verzekerde het nadeel? Er is grote behoefte aan duidelijkheid op dit terrein, liefst in de vorm van een algemeen deel van rechterlijk overgangsrecht.”
terugwerkende krachthebben. Dat is het geval wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt aan, rechtsfeiten en rechtshandelingen die ontstaan zijn vóór de datum waarop de rechterlijke uitspraak gezag van gewijsde krijgt (anterieure feiten). [75] De terugwerkende kracht kan onbeperkt zijn, of zijn beperkt tot een specifiek bepaald moment in het verleden.
De Hoge Raad heeft 'goed werkgeverschap' aangegrepen voor een uiterst belangrijke rechtsontwikkeling. Hoewel deze notie op dit vlak ook een functie heeft, zij is immers, net als haar grondnorm (redelijkheid en billijkheid), nadrukkelijk ook bedoeld als bron voor rechtsvorming, doet de jongste rechtspraak ook vragen rijzen over de rechtsvormende taak van de Hoge Raad en zijn verhouding tot de wetgever. Uiteindelijk is natuurlijk spectaculair dat de Hoge Raad een verzekeringsplicht invoert. Hij rept daar voor het eerst over in zijn arresten van 1 februari 2008 en zijn bewoordingen ('in het verlengde' van eerdere arresten) suggereren ook dat hij op dat moment (zij het voortbouwend op eerdere rechtspraak) met iets nieuws komt, maar we weten dat de impact veel groter is. Gelet op de ongevalsdata in de diverse procedures moeten we aannemen dat (enige) verzekeringsplicht al in de jaren '90 van de vorige eeuw realiteit was, zij het voor werkgevers een papieren werkelijkheid. Zij wisten het destijds niet, horen het nu pas van de Hoge Raad. Deze consequenties voor het verleden dienen serieus te worden genomen.”
default-positie van de terugwerkende kracht. [80] Als de Hoge Raad nalaat de terugwerkende kracht van een uitspraak te beperken, betekent dat volgens Haazen echter niet per se dat terugwerkende kracht wordt verordonneerd. Het is ook mogelijk dat de mogelijkheid wordt opengehouden om op basis van de reacties in de literatuur, de inmiddels in het rechtsleven ervaren consequenties en specifieke, op de temporele werking en de stand van de maatschappelijke opvattingen gerichte betogen van advocaten in latere procedures, een onderbouwd oordeel te geven over de temporele werking van de uitspraak. [81]
onmiddellijke werkinghebben. Een rechterlijke uitspraak heeft onmiddellijke werking wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt aan, rechtsfeiten en rechtshandelingen die ontstaan ná de datum waarop de rechterlijke uitspraak gezag van gewijsde krijgt (zogenoemde posterieure feiten). [82]
'since time immemorial' gegolden heeft, is met de erkenning van de rechtsvormende taak van de rechterlijke macht onhoudbaar geworden, zo stelt Vranken.
uitgestelde werkinghebben, namelijk wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt, aan rechtsfeiten en rechtshandelingen die zich voordoen na verloop van een termijn die door de rechter wordt bepaald. [84]
inhoudelijkemotivering moeten geven voor de gemaakte keuze, aan de hand van een afweging van de relevante omstandigheden van het geval. Als gezichtspunten die daarbij mogelijk relevant kunnen zijn noemt Verstraelen: de bescherming van legitieme verwachtingen, de voorzienbaarheid van de beslissing, de goede trouw, de (buitensporige) administratieve, financiële en budgettaire gevolgen, de gevolgen voor derden en de maatschappelijke impact, de doelstelling van de jurisprudentiële norm, de continuïteit van het beleid, het vermijden van lacunes in de rechtsorde, de vraag of wetgevend optreden is vereist, het voorkomen van de noodzaak tot later ingrijpen door de wetgever, de aard van het rechtsgebied, de betrokkenheid van fundamentele rechten en vrijheden.
nietsheeft beslist over de temporele werking van haar beslissing, is terugwerkende kracht in beginsel het uitgangspunt. Dat betekent niet dat er helemaal geen ruimte meer is om toch een andere temporele werking aan te nemen: onder omstandigheden kan de rechter ook in een volgende uitspraak een beslissing nemen over de temporele werking van de nieuwe jurisprudentiële regel, mede aan de hand van de reacties die er op de nieuwe regel zijn gekomen. Daarbij dient alsnog de hiervoor bedoelde afweging te worden gemaakt.
De temporele werking van deXella-norm: als uitgangspunt terugwerkende kracht tot 1 juli 2015
Xella-uitspraak heeft de Hoge Raad een specifieke norm van goed werkgeverschap geformuleerd, die zoals gezegd, inhoudt dat als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW, als uitgangspunt geldt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
Xella-norm terugwerkt tot aan het moment van invoering van het ontslagrecht uit de Wwz, 1 juli 2015. Als de rechter niets heeft beslist over de temporele werking van een nieuwe jurisprudentiële regel, is de hoofdregel immers dat moet worden aangenomen dat deze nieuwe regel terugwerkende kracht heeft (zie onder 8.22).
Xella-norm tot 1 juli 2015 strookt met het feit dat de compensatieregeling terugwerkende kracht heeft gekregen tot die datum. Dat was een bewuste keuze van de wetgever (zie onder 7.7-7.31). De terugwerkende kracht van de compensatieregeling leidt ertoe dat werkgevers in alle gevallen dat zij slapende dienstverbanden hebben beëindigd en de werknemer een beëindigingsvergoeding hebben betaald – conform de
Xella-norm – in beginsel aanspraak hebben kunnen maken op compensatie, óók als het ging om dienstverbanden die al vóór de
Xella-uitspraak slapend waren geworden (terugwerkend tot 1 juli 2015). Een speciale categorie wordt hier gevormd door werknemers die al vóór 1 juli 2015 in een slapend dienstverband zijn geraakt, de zogenoemde diepslapers. Op deze gevallen wordt nader ingegaan in de conclusie van 11 februari 2022 in de parallelle zaak over slapende dienstverbanden. [92]
Xella-beschikking, die gewijd is aan het mogelijk moeten voorfinancieren van de transitievergoeding door de werkgever, leid ik af dat ook de Hoge Raad een koppeling met de terugwerkende kracht van de compensatieregeling maakt. Bij de bespreking van die kwestie legt de Hoge Raad namelijk uitdrukkelijk een verband tussen de in rov. 2.7.3 geformuleerde
Xella-norm, en de datum van 1 juli 2015, als startpunt voor de toepasselijkheid van de compensatieregeling.
Xella-norm geldt sinds 1 juli 2015 – heeft als consequentie dat werkgevers die sindsdien gedurende een slapend dienstverband niet met een
Xella-voorstel hebben ingestemd, hun verplichtingen uit het goed werkgeverschap hebben geschonden. Die tekortkoming kan leiden tot schadeplichtigheid, ook indien het betreffende dienstverband inmiddels reeds is geëindigd zonder betaling van een vergoeding. Daarbij valt, net als in de zaak die nu voorligt, te denken aan werknemers die inmiddels de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt (vgl. art. 7:673 lid 7 sub b BW Pro). Datzelfde geldt indien de werknemer tijdens het dienstverband is overleden. [93]
Xella-norm niet verder terugwerkt dan tot het moment waarop de compensatieregeling in het Staatsblad is gepubliceerd (20 juli 2018) – zoals aangenomen door het hof in de bestreden uitspraak –, lijkt mij niet juist. Op zichzelf kan worden onderschreven dat ‘het bestaan’ van de compensatieregeling van essentieel belang is geweest voor het formuleren van de
Xella-norm. Ook auteurs als Pennings, [94] Houweling [95] en Frikkee [96] gaan daarvan uit. Daarmee is echter niet gezegd dat de
Xella-norm niet zou kunnen terugwerken tot een moment dat gelegen is vóórdat de compensatieregeling in het leven werd geroepen.
Xella-norm niet verder terugwerkt dan 20 juli 2018 is in de eerste plaats dat de Hoge Raad de temporele werking van de norm niet heeft beperkt, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat de norm terugwerkende kracht heeft (zie onder 8.22).
Xella-norm, in tijd zou worden beperkt tot situaties ná 20 juli 2018.
Xella-norm geldt.
Arbeidsrechtelijke Themata(mijn onderstrepingen): [97]
Een hieraan gelieerde vraag is hoever de Xella-uitspraak terugwerkende kracht heeft. Dit lijkt een onzinnig vraag, omdat het uitgangspunt is dat als de Hoge Raad vaststelt dat sprake is van een schending van art. 7:611 BW Pro indien niet wordt meegewerkt aan beëindiging, dit ook voor het verleden geldt (tenzij de Hoge Raad uitdrukkelijk anders oordeelt, hetgeen hij niet heeft gedaan).Toch zijn er argumenten te vinden om aan Xella geen onbeperkte terugwerkende kracht toe te kennen. De Hoge Raad koppelt de 611-plicht immers uitdrukkelijk aan de Wet compensatie
Xella-norm geldt sinds 1 juli 2015. Dop schrijft daarover het volgende: [99]
Vanaf welke datum kan de weigering om de transitievergoeding te betalen een schending zijn van de plicht tot goed werkgeverschap? In r.o. 3.17 geeft het hof aan dat dit in ieder geval zo is sinds 11 juli 2018, toen de compensatieregeling werd gepubliceerd. Dit zou betekenen dat alleen werknemers die na 11 juli 2018 (nogmaals) hebben ‘gepiept’ schadevergoeding kunnen vorderen. Er valt echter ook wel iets te zeggen voor de stelling dat werknemers ook nog schadevergoeding kunnen claimen als zij voor 11 juli 2018 tijdens hun dienstverband een verzoek om beëindiging met transitievergoeding hebben gedaan, zelfs als voor die datum de arbeidsovereenkomst wegens pensionering is beëindigd. Werkgevers die tussen 1 juli 2015 en 11 juli 2018 het dienstverband van hun langdurige zieke werknemers hebben beëindigd en de transitievergoeding hebben betaald kunnen immers een beroep doen op de compensatieregeling. Het lijkt mij te verdedigen dat dit dan ook zou moeten gelden voor werkgevers die alsnog het bedrag van de transitievergoeding betalen.”
Xella-uitspraak volgt dat een werknemer enkel recht heeft op schadevergoeding op de voet van art. 7:611 BW Pro indien hij zijn verzoek om beëindiging heeft gedaan ‘
na de publicatie van de compensatiewet’ en de werkgever dat verzoek vervolgens heeft geweigerd (al dan niet door er in het geheel niet op te reageren). [100]
Xella-norm kunnen hebben geschonden. Zij lijkt zich op het standpunt te stellen dat het erom gaat of het slapende dienstverband na 1 juli 2015 is beëindigd en dat daaraan niet kan afdoen of voor of na 10 juli 2018 beëindiging plaatsvond vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. [101]
Xella-norm reeds geldt vanaf 1 juli 2015. [102] Voor hem is van belang dat de toepasselijkheid van de norm niet afhankelijk is van de vraag of de werkgever aanspraak op compensatie kan maken. Op dit laatste punt zal ik hierna nog ingaan (zie hoofdstuk 10). Dat strookt ook met zijn pleidooi voor het introduceren van een verplichting op de grond van goed werkgeverschap. [103]
vanaf 20 juli 2018(de dag van publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding in het Staatsblad) bekend kon zijn met de
Xella-norm. Vanaf dat moment had de werkgever namelijk kunnen weten dat hij op verzoek van de werknemer in beginsel moest instemmen met een verzoek tot beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding, zo is dan de gedachtegang. [104]
Xella-norm moet immers geschonden zijn
tijdenshet dienstverband. Een weigering vóór 20 juli 2018 wordt daarentegen níet als een normschending aangemerkt, omdat de werkgever toen nog niet bekend kon zijn met de
Xella-norm.
pas vanaf de Xella-uitspraakbekendheid kon bestaan met de
Xella-norm (8 november 2019). [105] Dat betoog is in de hier bedoelde uitspraken dus steeds verworpen.
Xella-uitspraak kan worden afgeleid dat bij het formuleren van de nieuwe rechtsnorm voor de Hoge Raad twee argumenten van wezenlijk belang zijn geacht: (i) de invoering van de compensatieregeling en (ii) de daarvoor in de wetsgeschiedenis gegeven redenen. Dat volgt met name uit rov. 2.7.2 van de
Xella-uitspraak, waarin de Hoge Raad het volgende overweegt:
2.7.2 De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. [106] De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro geldt (…)”
Xella-uitspraak (geciteerd onder 6.1) komen deze twee argumenten al aan bod.
zonderde compensatieregeling de
Xella-norm niet zou zijn geformuleerd door de Hoge Raad. Dat leidt dan vervolgens tot de conclusie dat de
Xella-norm niet bestond voordat de compensatieregeling in het leven werd geroepen. Cruciaal in deze gedachtegang lijkt te zijn dat pas met de publicatie van de compensatieregeling voor werkgevers
voorzienbaarwas dat de
Xella-norm zou gaan gelden. Ik zeg ‘lijkt’, omdat de redenering in de verschillende uitspraken niet steeds precies hetzelfde is, en ook niet altijd even helder.
Xella-norm omdat die nog niet gold ten tijde van het verzoek van de werknemer in februari 2017; deze norm is volgens het hof pas gaan gelden na ‘
de totstandkoming van de compensatieregeling’. Dat moment wordt bepaald op de datum van publicatie van de compensatieregeling in het Staatsblad (20 juli 2018). Eerder was er, in de woorden van het hof, nog geen ‘
zekerheid’ over de gehoudenheid ‘
om het door de Werknemer gestelde risico te nemen’ (rov. 7.6). Met ‘
het risico’ doelt het hof op het risico dat de werkgever een uitbetaalde transitievergoeding niet gecompenseerd krijgt (rov. 7.6, laatste zin).
7.5. Anders dan [verzoeker] betoogt, volgt daarmee uit de Xella-uitspraak niet dat ongeacht de compensatieregeling iedere weigering van een werkgever na 1 juli 2015 van een dergelijk beëindigingsverzoek als strijdig met het goed werkgeverschap heeft te gelden. Dit is slechts het geval indien de werkgever aanspraak heeft op een (gedeeltelijke) compensatie van een transitievergoeding. Over zo’n aanspraak is pas op 20 juli 2018 zekerheid verkregen door publicatie van het daartoe aangenomen wetsvoorstel.”
feitelijkaanspraak kan maken op compensatie. Maar dat is een andere vraag dan wanneer voor de werkgever redelijkerwijs voorzienbaar was (
zekerheidhebben lijkt mij sowieso een brug te ver) dat de
Xella-norm zou gaan gelden. En in de derde volzin lijkt het hof ervan uit te gaan dat het erom gaat op welk moment de werkgever zekerheid heeft verkregen
over het verkrijgen van compensatie. Dat is weer een andere vraag, die evenmin samenvalt met de vraag naar voorzienbaarheid van de norm.
Xella-norm geldt door het hof in de bestreden beschikking – en ook door andere feitenrechters [107] – ook wordt aangeknoopt bij de vraag of de werkgever in het concrete geval aanspraak heeft op compensatie, zal ik hierna ingaan op de vraag of het recht van de werkgever op compensatie van invloed is op de toepasselijkheid van de
Xella-norm.
Xella-norm echter niet afhankelijk van het recht op compensatie van de werkgever. Dit wordt toegelicht in het volgende hoofdstuk.
Xella-uitspraak overweegt de Hoge Raad het volgende:
2.7.2 De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. [109] De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro geldt (…)”
Xella-verplichting is dus gebaseerd op ‘
de compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen’. Ook in rov. 2.5, waarin een aantal inleidende opmerkingen wordt gemaakt over de prejudiciële vragen, gaat de Hoge Raad al in op de compensatieregeling en de daarvoor in de wetsgeschiedenis gegeven redenen.
het bestaanvan de compensatieregeling is essentieel geweest voor de formulering van de
Xella-norm. Dat betekent echter niet dat de
Xella-norm alleen geldt indien de werkgever in een concreet geval daadwerkelijk recht op compensatie heeft. De Hoge Raad heeft dit niet zo beslist en die voorwaarde geldt naar mijn mening niet.
Xella-uitspraak niet een ‘speciaal soort vergoeding’ in het leven heeft geroepen. Weliswaar heeft de Hoge Raad de aanspraak gekoppeld aan het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro), maar dat betekent niet dat het gaat om een eigensoortige vergoeding. Uiteindelijk gaat het gewoon om de verplichting van de werkgever om de transitie-vergoeding te betalen. Dat neemt overigens niet weg dat die vergoeding juridisch wel ‘van kleur verschiet’ indien een werkgever ten onrechte niet met een beëindigingsvoorstel heeft ingestemd en vervolgens tot betaling van schadevergoeding wordt veroordeeld.
Xella-vergoeding betreft in de kern dus de transitievergoeding. Tegen die achtergrond is het mijns inziens in strijd met het wettelijke systeem om aan de verschuldigdheid een extra voorwaarde te stellen, namelijk het recht op compensatie van de werkgever. De regeling van de transitievergoeding bevat die voorwaarde niet.
Xella-uitspraak onderkend dat er een verschil kan bestaan tussen de door de werkgever te betalen vergoeding en de door de werkgever te ontvangen compensatie (rov. 3.7.2). Ook hieruit volgt dat de vraag naar de aanspraak van de werknemer op de (transitie)vergoeding en de vraag naar compensatie twee losstaande kwesties zijn.
de hoogtevan het door de werkgever aan de werknemer te betalen bedrag, en de door de werkgever te ontvangen compensatie, is een gevolg van het feit dat voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding een peildatum geldt die kan afwijken van (want: later kan zijn gelegen dan) het moment waarop de door het UWV te verstrekken compensatie is gemaximeerd (zie onder 6.4-6.9). De Hoge Raad heeft, in de woorden van Houweling, gekozen voor ‘
de fictie van een werkelijke beëindiging’ en niet voor aansluiting bij de formulering van art. 7:673e BW. [110]
aanspraakop de aan de werknemer te betalen vergoeding niet samenvalt met het recht van de werkgever op compensatie. Zo staat niet vast dat art. 7:673e BW ook betrekking heeft op door de werkgever aan de werknemer betaalde schadevergoeding (zie direct hierna). Mogelijk ontbreekt ook een recht op compensatie bij de gevallen waarin de reguliere wachttijd is verstreken vóór 1 juli 2015, maar de arbeidsovereenkomst pas daarna wordt opgezegd. [111]
Xella-norm dat de werkgever recht heeft op compensatie.
11.Aanspraak op compensatie bij een op art. 7:611 BW Pro gebaseerde vergoeding?
Xella-norm, is in feite niet relevant of de werkgever aanspraak op compensatie kan maken in een geval als hier aan de orde is, waarin de werknemer verzoekt om betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (gebaseerd op schending van art. 7:611 BW Pro). Volledigheidshalve zal ik daarover toch enkele opmerkingen maken.
NJB-kroniek het volgende: [112]
De schadevergoeding die op grond van die wanprestatie verschuldigd raakt, staat dan gelijk aan de transitievergoeding die de werknemer zou hebben ontvangen als de werkgever wel met zijn redelijke voorstel zou hebben ingestemd en die schadevergoeding komt op basis van de compensatieregeling dan weer niet voor vergoeding in aanmerking.”
zelfs voor de meest principiële werkgever die zich voorheen met hand en tand verzetten tegen beëindiging van slapende dienstverbanden’, een tamelijk overtuigend argument zal zijn om toch akkoord te gaan met een
Xella-voorstel. In mijn woorden: het vooruitzicht om ‘met de kosten te blijven zitten’ is een prikkel voor werkgevers om de op hen rustende verplichting uit het goed werkgeverschap (alsnog) na te komen.
NJ-noot bij de
Xella-uitspraak. Onder verwijzing naar twee hofuitspraken schrijft hij dat de consequentie dat een werkgever (mijn onderstreping) ‘
mogelijkniet meer in aanmerking komt voor compensatie op grond van art. 7:673e BW’, voor rekening en risico van de werkgever behoort te komen die wegens niet-instemmen een schadevergoeding moet betalen. [115]
Xella-uitspraak het volgende te lezen: [117]
Deze uitspraak roept vragen op in de praktijk. De eerste vraag is of de vergoeding die door de werkgever betaald wordt op grond van deze door de Hoge Raad vastgestelde verplichting gecompenseerd zal worden door het UWV. Ik ga ervan uit dat de wet redelijkerwijs de ruimte biedt om ook in deze gevallen van beëindiging met wederzijds goedvinden compensatie te verstrekken. Dit mede gelet op het feit dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat ook in dergelijke gevallen compensatie zal worden verstrekt, en dat dit in lijn is met de bedoeling van de wetgever bij de compensatieregeling. Ik heb met UWV afgesproken dienovereenkomstig te handelen en dus ook in deze situaties tot compensatie over te gaan.”
Xella-norm.
Xella-norm, daarvoor al dan niet compensatie van het UWV verkrijgt. Het hof lijkt daarvan uit te gaan in de bestreden uitspraak, maar daarover is in ieder geval nog geen uitsluitsel gegeven door de Centrale Raad van Beroep. Ook is onbekend wat de uitvoeringspraktijk van het UWV op dit punt is.
Xella-norm.
12.Voorzienbaarheid van de Xella-norm
Xella-norm dus niet reeds vanaf 1 juli 2015 aanwezig achten, dan is het volgende op te merken over de
voorzienbaarheidvan de
Xella-norm.
fatsoenlijk werkgeverschap’. [123]
Xella-uitspraak als volgt samengevat: [127]
game changer, dat er vanaf december 2018 enkele rechterlijke uitspraken verschenen waarin geoordeeld werd dat een werkgever op grond van de norm van goed werkgeverschap gehouden is om mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband op verzoek van de werknemer en onder toekenning van de transitievergoeding. [128] In de meerderheid van de rechterlijke uitspraken werd, ook (ruim) na 20 juli 2018, echter nog steeds uitgegaan van een tegengestelde opvatting. [129] In feite was er tot aan de
Xella-uitspraak zeker geen bestendige lijn in de rechtspraak dat werkgevers grond van de norm van goed werkgeverschap gehouden zouden zijn om op verzoek van de werknemer mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband en onder toekenning van de transitievergoeding. Verzoeken tot ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever bleven sowieso een doodlopende weg (deze kwestie is uiteindelijk nooit voorgelegd aan de Hoge Raad). [130]
Xella-norm geformuleerd.
1 juli 2015:de wettelijke regeling van de transitievergoeding wordt ingevoerd als onderdeel van het met de Wwz gewijzigde ontslagrecht. [131]
7 september 2015:Minister Asscher beantwoordt de vragen [134] en vindt het niet van fatsoenlijk werkgeverschap getuigen als de enige reden voor het onbetaald in dienst houden van een werknemer het niet willen betalen van een transitievergoeding is.
11 december 2015:Kamervragen over slapende dienstverbanden naar aanleiding van een uitspraak van de kantonrechter Almere, die het slapend houden van een dienstverband mogelijk onfatsoenlijk maar niet ernstig verwijtbaar oordeelt. [135]
13 januari 2016:Minister Asscher beantwoordt de vragen [136] en schrijft dat het uiteindelijk aan de rechter is om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het geval, te beoordelen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten.
21 april 2016:Minister Asscher constateert in het kader van de evaluatie van de Wwz dat sprake is van knelpunten bij werkgevers, onder meer met betrekking tot ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [137] Volgens de minister kan er sprake zijn van een cumulatie van financiële verplichtingen voor een werkgever bij langdurige ziekte van een werknemer, omdat de werkgever ook de tijdens ziekte doorgelopen loonkosten heeft moeten voldoen alsmede kosten voor re-integratie van de zieke werknemer. Om deze reden is in de brief aangekondigd dat het kabinet toch voornemens is om tot een regeling te komen op grond waarvan werkgevers worden gecompenseerd voor de kosten van een bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid verschuldigde transitievergoeding. Als gevolg van dit voorstel, zo staat in de brief, ‘
zal er voor werkgevers geen aanleiding meer zijn om een arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer uitsluitend in stand te laten om de transitievergoeding niet te hoeven betalen (de zogenaamde slapende dienstverband problematiek) zodat er ook geen maatregelen hoeven te worden getroffen om dit tegen te gaan.’
20 maart 2017:indiening Voorstel van wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid. [138] Dit voorstel voorziet onder meer in de mogelijkheid van compensatie voor betaalde transitievergoedingen bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Uit de memorie van toelichting blijkt onder meer het voornemen om de compensatiemaatregel ook van toepassing te laten zijn in situaties waarin de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 is geëindigd, om verschillen te voorkomen tussen werkgevers die voor en na inwerkingtreding van de maatregel tot ontslag overgaan. [139] De Raad van State is kritisch over de keuze voor een compensatieregeling, omdat niet is gekozen voor het wegnemen van de oorzaak van het probleem (nl. de cumulatie van financiële verplichtingen bij ziekte). [140] De regering heeft deze bezwaren terzijde geschoven. [141]
15 maart 2017:het kabinet wordt demissionair in verband met de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
7 april 2017:Minister Asscher schrijft aan de Tweede Kamer wat de gevolgen zouden zijn als het wetsvoorstel controversieel wordt verklaard. [142]
18 april 2017:op voorstel van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid [143] verklaart de Tweede Kamer het wetsvoorstel controversieel. [144]
10 oktober 2017:in het regeerakkoord is vermeld dat het wetsvoorstel zal worden doorgezet, [145] waarna de parlementaire behandeling wordt hervat.
20 februari 2019: het inwerkingtredingsbesluit wordt gepubliceerd in het Staatsblad, met beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2020. [149]
26 februari 2019:de Regeling compensatie transitievergoeding wordt gepubliceerd in de Staatscourant, met beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2020. [150]
13 december 2019:de nadere beperking van de hoogte van de vergoeding uit art. 7:673e lid 2 BW zal vooralsnog niet in werking treden. [154]
4 december 2020:de nimmer ingevoerde nadere beperking van de hoogte van de compensatievergoeding wordt per 1 januari 2021 definitief geschrapt. [156]
Xella-norm geldt, wordt in de feitenrechtspraak, als gezegd, vaak gekozen voor de datum van 20 juli 2018, de dag waarop de Wet compensatie transitievergoeding in het Staatsblad is gepubliceerd. Hier zou tegenin kunnen worden gebracht dat het moment van publicatie van een wet in het Staatsblad niet steeds betekent dat die wet ook inderdaad wordt ingevoerd. [157] De KEI-wetgeving biedt daarvan een treurig voorbeeld. Zolang er geen inwerkingtredingsbesluit is gepubliceerd, is onzeker of en wanneer een wet wordt ingevoerd. Dat zou er voor pleiten om uit te gaan van de datum van het inwerkingtredingsbesluit van de Wet compensatie transitievergoeding, dat is 20 februari 2019.
Xella-uitspraak (rov. 2.7.2), zou het moeten gaan om het moment van de
invoeringvan de compensatieregeling. Dat was op 1 april 2020, dus ruimschoots ná de
Xella-uitspraak. Het is echter vreemd om van díe datum uit te gaan, omdat de Hoge Raad de norm al eerder heeft geformuleerd, dus vóórdat de compensatieregeling was ingevoerd. Dat was in een zaak waarin de relevante rechtsfeiten al op een eerder moment waren gelegen, zo had de betreffende werknemer sinds januari 2018 al een aantal keer voorgesteld de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. [158] Ook strookt het niet met de overwegingen uit rov. 2.7.4 van de
Xella-uitspraak over voorfinanciering door werkgevers, om uit te gaan van 1 april 2020 als ingangsdatum voor de
Xella-norm.
danmeer voor de hand liggen om uit te gaan van het tijdstip waarop de
Xella-uitspraak is gedaan, namelijk 8 november 2019. Toen is er pas echt duidelijkheid gekomen; tot dan toe bleef sterk omstreden dat de werkgever moest meewerken aan beëindiging van een slapend dienstverband op verzoek van de werknemer en onder betaling van de transitievergoeding. Anders gezegd: de publicatie van de compensatieregeling heeft nog niet voor een werkelijke ommezwaai in de feitenrechtspraak gezorgd, dat is pas gebeurd ná de
Xella-uitspraak. In een enkele uitspraak lijkt inderdaad dit tijdstip te zijn aangehouden als ingangsdatum voor de
Xella-verplichting. [159]
Xella-norm een behoorlijke stap dichterbij was gebracht. Toen was immers duidelijk dat er concrete stappen werden genomen om werkgevers te compenseren.
Xella-norm, aangenomen dat beslissend zou moeten zijn op welk moment voor werkgevers redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij slapende dienstverbanden dienden te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding (wat dus volgens mij geen juiste aanname is).
Xella-norm.
13.Verzoekschrift- of dagvaardingsprocedure?
Daar de vordering verband houdt met andere vorderingen van boek 7, titel 10, afdeling 9 van het BW is de vordering ingeleid met een verzoekschrift conform artikel 7:686a lid 3 BW.”
1. (…)
deze afdeling’ wordt verwezen naar afdeling 7.10.9 BW, met als opschrift ‘
Einde van de arbeidsovereenkomst’.
De op de artikelen 672, lid 9, 673, 673a en 677 gebaseerde gedingen of gedingen gebaseerd op het bepaalde bij of krachtens de artikelen 673b en 673c worden ingeleid met een verzoekschrift.”
Artikel 686a lid 2 komt als volgt te luiden: “De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid door een verzoekschrift.”
Het is in lijn met het doel van de bepaling, de vereenvoudiging van het procesrecht en het voorkomen van dubbele procedures, om nog beter te voorkomen dat er dagvaardings- en verzoekschriftprocedures naast elkaar blijven bestaan in het ontslagrecht. Twijfel over dit onderwerp dient vermeden te worden. Het verdient dan ook aanbeveling om lid 2 aldus te verwoorden dat alle geschillen inzake Afdeling 7.10.9 worden ingeleid door een verzoekschrift.”
een redactionele verbetering’. [168] Vervolgens is de bepaling in zijn huidige vorm opgenomen in art. 7:686a lid 2 BW.
lid 3BW als nevenverzoek te combineren met een verzoek op grond van afdeling 7.10.9 BW of deze vorderingen in een dergelijke procedure als tegenverzoek in te dienen. [169]
Xella-verplichting door de werkgever. Op die vorderingen c.q. verzoeken wordt zowel bij vonnis/arrest als bij beschikking beslist, naast de (vele) uitspraken bij kortgedingvonnis. [170] Ook geven sommige rechters toepassing aan de ‘spoorwissel’-bepaling van art. 69 Rv Pro, waarbij de procedure in tegengestelde richtingen wordt geleid. [171] Dit is een duidelijke illustratie van de observatie van Quist dat geen eenduidigheid bestaat over de reikwijdte van art. 7:686a lid 2 BW. [172]
Xella-verplichting onlosmakelijk is verbonden met de bepalingen uit afdeling 7.10.9 BW.
Xella-verplichting hangt zodanig samen met het ontslagrecht – meer in het bijzonder met de wettelijke regeling van de transitievergoeding in art. 7:673 BW Pro e.v. – dat schending van die verplichting als onlosmakelijk verbonden met de bepalingen uit afdeling 7.10.9 BW moet worden beschouwd. Dat geldt temeer nu het enkel van het tijdsverloop afhangt of het gaat om een verzoek tot betaling van de transitievergoeding (omdat er nog een arbeidsovereenkomst is) of als een 611-verzoek (omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van werknemer).
14.Bespreking van het cassatiemiddel
Geen gehoudenheid tot beëindiging van een slapend dienstverband vóór 20 juli 2018’.
Xella-uitspraak, geldt vanaf 1 juli 2015 (zie onder 9.3-9.11 en onder 12.16).
voor zover het verkrijgen van compensatie onder de WCT wel als voorwaarde heeft te gelden voordat sprake is van strijd met goed werkgeverschap en daarmee aansprakelijkheid op basis van schending van art. 7:611 BW Pro’. Geklaagd wordt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof onbesproken heeft gelaten dat het niet valt uit te sluiten dat ESD alsnog aanspraak kan maken op compensatie van de door haar te betalen schadevergoeding indien zij tot betaling daarvan wordt veroordeeld. Daarmee zou, aldus de steller van het middel, zijn voldaan aan de door het hof gestelde voorwaarde uit rov. 7.5.
Xella-norm (zie onder 10.10). Onderdeel II is dus tevergeefs voorgedragen.