Conclusie
AbvaKabogeldt dat aan de hand van een belangenafweging moet worden beoordeeld of een representatieve vakbond moet worden toegelaten tot onderhandelingen over aanpassing van een cao waarbij de vakbond geen partij was. [1] Het hof heeft dit uitgangspunt ook van toepassing geacht in de situatie die zich in deze zaak voordoet, waarin geen sprake is van cao-onderhandelingen met (andere) vakbonden, maar door TUI met de ondernemingsraad wordt onderhandeld over primaire arbeidsvoorwaarden. Na een belangenafweging te hebben gemaakt is het hof tot het oordeel gekomen dat TUI onrechtmatig handelt door FNV buiten te sluiten als gespreks- en onderhandelingspartner voor een cao voor het cabinepersoneel. TUI is veroordeeld om FNV te erkennen en te aanvaarden als gespreks- en onderhandelingspartner.
1.Feiten
2.Procesverloop
AbvaKabo-arrest) geldt dat een vakbond die een groot aantal werknemers in de betreffende branche vertegenwoordigt en representatiever is dan de andere vakbond(en) die bij het overleg is of zijn betrokken, in beginsel het recht heeft om te worden toegelaten tot de onderhandelingen over de nieuwe cao. De toegang kan worden geweigerd als het belang van de zittende onderhandelingspartijen zwaarder weegt dan het belang van de vakbond die toelating wenst (rov. 5.1).
AbvaKabo-arrest is hier niet toepasbaar, omdat in dit geval geen sprake is van cao-onderhandelingen met vakbonden. Wel kan worden beoordeeld in welke mate FNV het cabinepersoneel van TUI vertegenwoordigt, en hoe eventuele toelating van FNV zich verhoudt tot het bij TUI bestaande overleg met de ondernemingsraad (rov. 5.2).
Abvakabo-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat
“een vakbond die een groot aantal werknemers in de branche vertegenwoordigt en representatiever is dan andere vakbonden, in beginsel recht heeft op toelating tot CAO-onderhandelingen” en dat niet-toelating tot overleg over de aanpassing van een bestaande cao waarbij die vakbond geen partij is, “
onder omstandigheden jegens [die] vakbond [...] onrechtmatig kan zijn” (rov. 6.4).
AbvaKabo-zaak is in dit geval van overeenkomstige toepassing. Het is blijkens de parlementaire geschiedenis van de WOR niet de bedoeling geweest om aan de ondernemingsraad een instemmingsrecht te geven met betrekking tot de vaststelling of de wijziging van de primaire arbeidsvoorwaarden. Door de wetgever is beoogd zo min mogelijk in te grijpen in het systeem van arbeidsvoorwaardenvorming en arbeidsverhoudingen. Invoering van art. 32 lid 2 WOR Pro zou volgens de wetgever tot een meer geprononceerde rol van de ondernemingsraad bij de totstandkoming van arbeidsvoorwaarden op ondernemingsniveau moeten zorgen, maar een en ander wel binnen het kader van de cao en onverlet de voorrangspositie van de vakbond. [5] Aan de enkele mogelijkheid om aan de ondernemingsraad extra bevoegdheden toe te kennen op basis van art. 32 lid 2 WOR Pro kan TUI daarom niet het recht ontlenen om in dit geval met uitsluiting van FNV slechts met de ondernemingsraad te onderhandelen over primaire arbeidsvoorwaarden (rov. 6.4-6.5).
3.Toelating van een vakbond tot cao-onderhandelingen
ten eersteverplicht de cao toe te passen op de werknemers die (i) lid zijn van de vakbond(en) waarmee de cao is overeengekomen en (ii) onder de werkingssfeer van de desbetreffende cao vallen. Dit volgt uit art. 9 Wet Pro cao. [14] Elk beding tussen een werkgever en werknemer dat in strijd is met de cao is nietig; in plaats van het nietige beding gelden de bepalingen van de cao (art. 12 lid 1 Wet Pro cao). Daarnaast vult de cao de individuele arbeidsovereenkomst aan; als werkgever en werknemer op individueel niveau niets zijn overeengekomen ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid en de cao regelt de desbetreffende aangelegenheid wel, dan wordt de individuele arbeidsovereenkomst aangevuld door het bepaalde in de cao (art. 13 Wet Pro cao).
Abvakabo/Unieke Kinderopvang. [16]
ten tweedeverplicht de cao toe te passen op de werknemer die geen lid is van een vakbond die partij is bij de cao (art. 14 Wet Pro cao). [17] Het doel van dit artikel is te voorkomen dat de werkgever na het sluiten van een cao werknemers in dienst zou kunnen nemen die geen lid zijn van de vakbond en waarmee hij mindere arbeidsvoorwaarden zou kunnen overeenkomen dan de cao voorschrijft. [18] In de praktijk is de toepasselijke cao meestal geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers. In die situatie accepteert de werknemer met het aanvaarden van de arbeidsovereenkomst dat de cao-bepalingen onderdeel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden. [19] Ook valt een aanzienlijk deel van de werknemers onder de dekking van voor bepaalde bedrijfstakken algemeen verbindend verklaarde cao’s (art. 2 Wet Pro op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, hierna: Wet avv) [20] . Deze systematiek zorgt ervoor dat de overgrote meerderheid van werknemers onder de dekking van een cao vallen (72% in 2022) [21] , terwijl slechts een relatief klein deel van hen lid is van een vakbond (16% in 2022). [22]
FTA/Centrale bank van Aruba: [28]
AbvaKabouitgelaten over het toelatingsvraagstuk
.In deze procedure vorderde vakbond AbvaKabo toelating tot het lopende overleg over de aanpassing van een bestaande cao. [33] Die cao was tot stand gekomen tussen Bvok (de werkgeversvereniging in de kinderopvang) en vakbond de Unie, nadat Bvok zich had teruggetrokken uit de onderhandelingen met AbvaKabo. Volgens AbvaKabo was de weigering om haar (weer) aan de onderhandelingen te laten deelnemen, onrechtmatig. De voorzieningenrechter wees de vordering van AbvaKabo af, waarna zij sprongcassatie instelde.
andere vakbondendan de vakbond die toelating vordert. Dat blijkt ook uit de door de Hoge Raad genoemde voorwaarde van ‘representativiteit in relatieve zin’; die kan immers slechts aan de orde zijn in situaties waarin de werkgever onderhandelt met een vakbond (of meerdere vakbonden), die mogelijk minder representatief is (of zijn) dan de vakbond die toelating tot het cao-overleg vordert (vgl. ook de formulering van onderdeel 1 van het cassatiemiddel, weergegeven onder rov. 3.3 van het arrest).
nieuwecao (dan wel over aanpassing van een bestaande cao waarbij die vakbond partij is). In de tweede en derde volzin van rov. 3.4 staat immers dat dit uitgangspunt
nietin gelijke mate geldt als het gaat om toelating van een representatieve vakbond tot overleg over de aanpassing van een
reeds bestaandecao waarbij die vakbond geen partij is. Voor de laatstbedoelde situatie geldt dat de weigering tot toelating onder omstandigheden toch onrechtmatig kan zijn. Hierbij komt het aan op een
belangenafweging. In het specifieke geval (waarin Bvok eerder uit het cao-overleg met AbvaKabo was gestapt) houdt die afweging in dat AbvaKabo duidelijk zal moeten maken waarom zij in afwijking van haar eerdere houding wenst deel te nemen aan het overleg (dus wat haar belangen daarbij zijn) en waarom dit overleg, anders dan bij de in voorafgaande jaren gevoerde onderhandelingen het geval was, kans van slagen heeft. Hiertegenover staan de belangen van de partijen die de eerdere cao tot stand hebben gebracht, om AbvaKabo buiten de deur te houden als zij de gerechtvaardigde verwachting hebben dat daardoor het cao-overleg wegens fundamenteel gebrek aan overeenstemming niet tot resultaat zal kunnen leiden. Naarmate de belangen bij toelating tot het cao-overleg groter of urgenter zijn, zullen de argumenten die voor niet-toelating worden aangevoerd van meer gewicht moeten zijn, willen zij weigering van de toelating kunnen rechtvaardigen, zo vat de Hoge Raad de belangenafweging samen.
AbvaKabo-arrest zo kunnen worden samengevat, dat (i) een representatieve vakbond in beginsel aanspraak heeft op toelating tot lopende cao-onderhandelingen over een nieuwe cao (dan wel over aanpassing van een bestaande cao waarbij die vakbond partij is), maar dat (ii) in andere situaties een belangenafweging moet worden gemaakt ter beoordeling van de vraag of niet-toelating van een representatieve vakbond in een concreet geval onrechtmatig is. [38]
Toelating tot de onderhandelingen zal in beginsel kunnen worden afgedwongen door een representatieve vakbond, die leden vertegenwoordigt met voldoende belangen bij deelname aan de onderhandelingen en die zonder geldige reden, of zonder voldoende zwaarwegende redenen, wordt uitgesloten.” Ook Jaspers lijkt aan te nemen dat de bewijslast hier bij de buitensluitende partijen ligt. [40]
AbvaKabo-arrest lees ik eerder dat – als de drempel van representativiteit is gepasseerd – het éérst de vakbond is die zal moeten stellen welk belang zij heeft bij toelating tot de onderhandelingen, waarna vervolgens de werkgever c.q. de wél onderhandelende vakbond moet aanvoeren welke belangen er aan hun kant zijn om een bepaalde vakbond buiten spel te houden. [41]
AbvaKabo-arrest.
4.Representativiteit van vakbonden
AbvaKabo-arrest is het vereiste van representativiteit. Overwogen werd dat een vakbond die een groot aantal werknemers in de branche vertegenwoordigt en representatiever is dan andere vakbonden, in beginsel recht heeft op toelating tot CAO-onderhandelingen. Hierin laten zich zowel een vereiste van absolute representativiteit als van relatieve representativiteit onderscheiden (zie ook onder 3.22).
statutair representativiteitsvereiste. [44] De Wet cao kent geen materiële representativiteitsvereisten voor vakbonden. Dit betekent dat ook een niet-representatieve vakbond een cao kan afsluiten. [45]
belangrijke meerderheidvan de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen (art. 2 Wet Pro Bpf 2000). Een ander voorbeeld is te vinden in art. 7:761a lid 2 BW: een cao waarin wordt afgeweken van het afspiegelingsbeginsel – aan de hand waarvan de ontslagvolgorde bij bedrijfseconomisch ontslag wordt bepaald – kan slechts worden aangegaan door vakbonden die in de onderneming of bedrijfstak werkzame personen onder hun leden tellen, die krachtens hun statuten ten doel hebben de belangen van hun leden als werknemers te behartigen, die als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam zijn en ten minste twee jaar in het bezit zijn van volledige rechtsbevoegdheid.
organisatiegraad. In de feitenrechtspraak over de vraag of een vakbond moet worden toegelaten tot het cao-overleg, blijken de absolute en relatieve organisatiegraad de belangrijkste, zo niet de doorslaggevende criteria zijn bij de beoordeling van de representativiteit van een vakbond. [47] De vraag of sprake is van voldoende representativiteit wordt dus, in ieder geval als uitgangspunt, gelijk gesteld aan de vraag hoe hoog de organisatiegraad is. Zo overwoog de kantonrechter Haarlem in de toelatingskwestie die speelde tussen FNV en Transavia dat FNV slechts 11% van de werknemers van Transavia representeerde, ten opzichte van 51% door de bij het overleg betrokken vakbond VNC. Volgens de kantonrechter werd dit ‘gebrek aan getalsmatige representativiteit’ niet gecompenseerd door andere omstandigheden. [48]
bij machteis om een onderhandelingsresultaat te bewerkstelligen. [56] Ook Mantel meent dat het verdedigbaar is dat representativiteit niet uitsluitend een getalsmatig criterium zou moeten zijn. Hij acht dit passend bij de ontwikkeling in de rechtspraak omtrent het toelaten van representatieve vakbonden tot cao-overleg, omdat daaruit blijkt dat meer waarde wordt gehecht aan de vraag of bepaalde belangen in het cao-overleg wel aan bod komen. [57]
allesbepalenderol. Ook van belang is namelijk of de betrokken vakbond
alle betrokken belangen op gelijke wijze representeert. Daarmee speelt ook de onafhankelijkheid en de onderhandelingsmacht van de betrokken vakbond een rol. In het kader van onderhandelingsmacht kunnen factoren als deskundigheid, ervaring en financiële slagkracht van belang zijn. Voor zover de organisatiegraad een rol speelt bij het beoordelen van de representativiteit, is geen sprake van een harde, getalsmatige ondergrens.
5.Arbeidsvoorwaardenvorming met de ondernemingsraad
Het instemmingsrecht van de ondernemingsraad voor niet-primaire arbeidsvoorwaarden
regelingen. Dat betekent, kort samengevat, dat het niet gaat om besluiten met betrekking tot individuele werknemers of een incidentele situatie. Het moet gaan om besluiten van algemene strekking die betrekking hebben op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen. [64]
aantalvakantiedagen waarop een werknemer aanspraak kan maken, omdat een dergelijke regeling consequenties heeft voor de feitelijke arbeidsduur in die zin dat het opnemen van vakantiedagen een vermindering van het aantal op jaarbasis te werken uren meebrengt, zo oordeelde de Hoge Raad in de
Pretverlofbeschikking. [69] Arbeidsvoorwaarden die veelal als secundair worden aangemerkt zijn op geld te waarderen voorwaarden, zoals reiskosten, gebruik en vergoeding van een leaseauto en de vergoeding van studiekosten. Volgens de SER worden tot de secundaire arbeidsvoorwaarden in het algemeen gerekend nadere uitwerkingen, preciseringen en detaillering van de primaire arbeidsvoorwaarden, zoals regelingen inzake overwerk, beloningstoeslagen en de vakantieperiode. [70] Bij tertiaire arbeidsvoorwaarden is te denken aan zaken als de op het werk aanwezige faciliteiten (bedrijfskantine, inpandige sportschool) en aangename bijkomstigheden, zoals een kerstpakket. Soms wordt zelfs gesproken over quartiaire arbeidsvoorwaarden. Daarmee wordt wel gedoeld op zaken als een goede werksfeer en doorgroeimogelijkheden.
dat aan de ondernemingsraad geen bevoegdheden moeten worden toegekend bij de totstandkoming of wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden”. [71]
voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.”
het primaat van de caoblijkt: het instemmingsrecht van de ondernemingsraad vervalt, voor zover de betrokken aangelegenheid inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst. Aan de WOR ligt dus het uitgangspunt ten grondslag dat cao-afspraken voorrang hebben op afspraken die met de ondernemingsraad worden gemaakt. Sprengers spreekt dan ook over het
subsidiaire karaktervan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad. [77]
inhoudelijk geregeld is in een collectieve arbeidsovereenkomst”, zoals art. 27 lid 3 WOR Pro bepaalt, betekent dat de aangelegenheid uitputtend moet zijn geregeld in de cao. Indien een cao-afspraak nog beleidsvrijheid biedt aan de ondernemer om binnen de kaders van de cao bepaalde keuzes te maken, kan het zijn dat vervolgens toch nog instemming aan de ondernemingsraad moet worden gevraagd indien er nadere regels getroffen worden bij die uitwerking die onder het instemmingsrecht vallen. [78]
Barracuda-beschikking werd tot op zekere hoogte door de Hoge Raad duidelijkheid verschaft. In die zaak ging het om de vraag of, wanneer de ondernemer en de ondernemingsraad bij overeenkomst de wettelijke adviesbevoegdheid van de ondernemingsraad hebben uitgebreid, dan ook de beroepsprocedure van art. 26 WOR Pro openstaat voor die bovenwettelijke adviesbevoegdheden. De Hoge Raad oordeelde dat dit inderdaad het geval is. [89] In de memorie van toelichting bij de invoering van het huidige art. 32 lid 2 WOR Pro is verder vermeld dat nu diverse andere vragen omtrent het fenomeen van de overeenkomsten tussen ondernemingsraad en ondernemer onbeantwoord zijn gebleven, terwijl deze overeenkomsten wel van grote betekenis worden beschouwd voor de effectiviteit van de medezeggenschap, de regering het noodzakelijk achtte om het wettelijke kader op dit punt te actualiseren. Beoogd werd om hiermee een flexibele vormgeving van de medezeggenschap te faciliteren. [90]
Stoof/Mammoetworden doorgevoerd
. [94] Dat dit mogelijk is volgt uit het arrest
IFFuit 2022. [95] In dit arrest oordeelde de Hoge Raad immers dat de beoordelingsmaatstaf van
Stoof/Mammoetgeldt voor alle voorstellen tot wijziging van arbeidsvoorwaarden, ongeacht of deze (overwegend) individueel of collectief van aard zijn.
Stoof/Mammoetkleven echter nadelen. Voor een eenzijdig wijzigingsbeding bepaalt art. 7:613 BW Pro dat de werkgever zich daarop alleen kan beroepen als hij daarbij een zodanig zwaarwegend belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor op grond van de redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hierbij komt het aan op een belangenafweging, zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. [96] Niet duidelijk is echter welke betekenis in deze belangenafweging toekomt aan instemming van de ondernemingsraad. [97] In de literatuur bestaan hierover verschillende opvattingen. [98] Ook de criteria van
Stoof/Mammoetleggen een redelijk hoge lat voor wijziging van arbeidsvoorwaarden. [99] Hierbij merk ik voor de volledigheid nog op dat naar aanleiding van het arrest
IFFuit 2022 in de literatuur de vraag is gesteld of er nog wel een verschil bestaat tussen de criteria die gelden op grond van art. 7:613 BW Pro en de criteria van
Stoof/Mammoet. [100]
Ten eerste is de CAO het geëigende instrument voor arbeidsvoorwaardenvorming en moet de CAO de voorrangspositie behouden boven andere instrumenten voor ordening van arbeidsvoorwaarden. Ten tweede kan instemming van de ondernemingsraad of overeenstemming met de ondernemingsraad geen directe doorwerking hebben in de individuele arbeidsovereenkomst. Met de voorgestelde regeling wordt recht gedaan aan de belangen van de werkgever en de werknemer en blijven wij binnen de genoemde marges. Een andere oplossing zou hetzij ten koste gaan van de belangen van de werknemer of die van de werkgever, hetzij buiten de genoemde marges komen.
5.4. Afbakening ondernemingsraad-vakbond
6.Onderhandelen met de vakbond of met de ondernemingsraad?
anno 2023 het cao-instrument in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin nog steeds een grote toegevoegde waarde heeft in zowel het decentrale als centrale arbeidsvoorwaardenproces.”
algemeneprocesbevoegdheid. [122]
outsiders, wat ten koste kan gaan van werkgelegenheid. Ook is arbeidsvoorwaardenoverleg met een ondernemingsraad volgens hem minder geschikt voor de concretisering van beleidsvoornemens, omdat de aandacht zal uitgaan naar onderhandelingen over de in de onderneming geldende arbeidsvoorwaarden. [124]
countervailing powertegen de werkgever biedt. Daardoor bestaat het risico dat de ondernemingsraad minder goede onderhandelingsresultaten behaalt. De meeste auteurs zijn dan ook van mening dat de vakbond, en niet de ondernemingsraad, nog steeds het meest geschikt is om werknemers te vertegenwoordigen bij onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden. [130] Volgens Jacobs geven ook werkgevers, ‘alles overwegend’, de voorkeur aan overleg met vakbonden, omdat zij terugschrikken “
voor de chaos die het gevolg zou kunnen zijn van een grootscheepse overstap op het onderhandelen met ondernemingsraden”. [131]
procedurele rechtvaardigheidals grondslag voor het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg ziet. Omdat de uitkomsten van collectief overleg vaak niet zijn uit te drukken in termen van materiële rechtvaardigheid, moet de rechtvaardigheid worden gevonden in de procedure. Een van de uitgangspunten hierbij is dat moet worden onderhandeld door partijen die voldoende onafhankelijk zijn van elkaar. [132] Andere uitgangspunten voor procedurele rechtvaardigheid zijn het beginsel van verenigingsvrijheid, het beginsel van vrijheid van collectief onderhandelen en contracteren, het beginsel van collectieve actie en het beginsel van representativiteit. [133]
feitelijke draagvlakvoor cao’s. Uit onderzoek blijkt dat dat draagvlak er zeker is; de waardering voor cao’s is in het algemeen tamelijk hoog. [143] Ook de dekkingsgraad van cao’s is onverminderd hoog, zij het dat vooral de grote aantallen zzp’ers en flexwerkers ervoor zorgen dat in relatieve zin sprake is van een dalende trend in het deel van de beroepsbevolking dat valt onder het bereik van een cao. Dit verschilt echter sterk per bedrijfstak. Zo valt in de bouw vanwege het grote aantal zzp’ers feitelijk nog maar 65% van de werkenden onder de bouw-cao (publicatie uit 2016; het bereik zal nu nog lager zijn). [144]
Daar waar beide elkaar raken, namelijk het overleg met de ondernemer/werkgever over arbeidsvoorwaarden, heeft de wetgever het primaat bij de cao gelegd. Het recht op collectieve onderhandelingen door de vakbonden wordt verder ondersteund door internationale verdragen. Het is natuurlijk mogelijk dat cao-onderhandelingen niet leiden tot het daadwerkelijk afsluiten van een overeenkomst tussen werkgever en vakbonden. Wanneer de werkgever vervolgens afspraken maakt met de ondernemingsraad is echter geen sprake van een cao, aangezien de ondernemingsraad niet voldoet aan de vereisten die de WCAO stelt voor het aangaan daarvan. Overigens kan na een periode van afspraken met de ondernemingsraad op enig moment opnieuw een cao worden afgesloten. In feite is dan sprake van een cao-loze periode, die in de praktijk wel vaker voorkomt.”
Dat neemt echter niet weg dat ondernemingsraadleden altijd in een hiërarchische verhouding staan tot de werkgever. Dit in tegenstelling tot de vakorganisaties die zich onafhankelijk van de werkgever kunnen opstellen zonder gevolgen voor hun positie. Dat kan tijdens onderhandelingen van grote invloed zijn. Andere argumenten voor het inschakelen van vakorganisaties kunnen zijn: professionaliteit, specifieke deskundigheid en een brede(re) blik op ontwikkelingen.”
7.Relevante internationale rechtsnormen
verplichtingtot collectief onderhandelen voortvloeit, is daarin wel zichtbaar dat de vakverenigingsvrijheid en de vrijheid van collectief onderhandelen juridisch stevig verankerd zijn, en dat het belang hiervan sterk wordt onderschreven.
an sichcentraal, maar wordt ook stilgestaan bij de positie van de vakbonden in de situatie waarin een ondernemingsraad als (alternatieve) onderhandelingspartner aan tafel komt. Vervolgens volgt een beschouwing, waarin aandacht toekomt aan de vraag op welke wijze de hierna te bespreken internationale rechtsnormen de Nederlandse zorgvuldigheidsnorm inkleuren.
Article 4
to encourage and promote the full development and utilisation of machinery for voluntary negotiationbetween employers or employers' organisations and workers' organisations, with a view to the regulation of terms and conditions of employment by means of collective agreements.”
op welke wijzedit kon geschieden. ILO-verdrag 154 is vastgesteld ten behoeve van de nadere bevordering en implementatie van de beginselen voortvloeiend uit ILO-verdrag 98, [162] en dringt het er bij lidstaten op aan om collectieve onderhandelingen te bevorderen (art. 5 [163] ). Voorts valt in dit verband te wijzen op ILO-aanbeveling 163 betreffende de bevordering van collectief onderhandelen, dat door de ILO is geduid als een document dat in dit verband
“practical guidance”biedt. [164]
afdwingbaarrecht op collectieve onderhandeling neergelegd. [165] Dit volgt in zekere zin reeds uit de tekst van deze verdragen, waar immers wordt gesproken van vrijwillige onderhandelingen (
“voluntary negotiation”,zie hiervoor onder 7.5). Ook het
Committee of Freedom of Association(hierna: CFA), het toezichthoudende comité van de ILO, leest in de verdragsbepalingen geen afdwingbare onderhandelingsplicht. Dit orgaan doet weliswaar niet-bindende, maar wel gezaghebbende uitspraken over de naleving van verdragen 87 en 98 door lidstaten. [166] Deze uitspraken worden gedaan naar aanleiding van klachten, en kunnen leiden tot aanbevelingen van de ILO aan lidstaten om de nationale praktijk en/of wetgeving te wijzigen. [167] In de oordelen van het CFA pleegt het vrije en vrijwillige karakter van collectieve onderhandelingen te worden benadrukt. De mate waarin wordt onderhandeld, moet worden overgelaten aan de onderhandelingspartners zelf. Door de ILO is dit in 2018 in een overzicht van oordelen van de CFA als volgt samengevat: [168]
The principle of free and voluntary negotiation
bevorderenvan collectief onderhandelen. Daarbij verdient het opmerking dat in de specifieke zaak die bij het CFA voorlag weliswaar sprake was van een (geclausuleerde) plicht tot onderhandelen, maar dat er geen verplichting bestond tot het daadwerkelijk tot stand brengen van een collectieve arbeidsovereenkomst. [169]
Article 3
and whose functions do not include activities which are recognised as the exclusive prerogative of trade unions in the country concerned.
Article 3
appropriate measures shall be taken, wherever necessary, to ensure that the existence of these representatives is not used to undermine the position of the workers' organisations concerned.”
ondermijnt. Dit is bepaald in zowel art. 5 van Pro ILO-verdrag 135 als in art. 3 ILO Pro-verdrag 154.
ondermijning.
Committee of Expertsvan de ILO (hierna: CoE) [173] zich een aantal keren uitgelaten over (ondermijning van) de positie van vakbonden. [174] Het betreft de praktijk van collectieve onderhandelingen in Colombia [175] , Sri Lanka, Chili, Rusland en Oezbekistan. Zo is in Colombia, een land waarover de ILO grote zorgen heeft vanwege grof geweld tegen vakbondsleiders [176] , sprake van een praktijk waarin werkgevers afspraken (
“pactos collectivos”) maken met ongeorganiseerde werknemers ter omzeiling van cao’s. Dit gebeurt niet in het kader van overleg met een ondernemingsraad, maar rechtstreeks met de ongeorganiseerde werknemers. Bovendien is er volgens de ILO in de praktijk geen sprake van
overlegmaar worden de afspraken vormgegeven door enkel de werkgevers. Daarom verzocht het Committee Colombia noodzakelijke maatregelen te treffen om collectief overleg te promoten en te voorkomen dat de mogelijkheden van vakbonden om collectief te onderhandelen verzwakt worden. [177]
observationover Oezbekistan is vergelijkbaar. Deze betrof een aanwijzing aan deze lidstaat dat de bepalingen in de nationale wet op grond waarvan niet alleen vakbonden maar ook andere representatieve organen collectief kunnen onderhandelen en cao’s kunnen afsluiten – en er dus geen taakverdeling is – afbreuk doet aan het principe dat collectief overleg gepromoot moet worden (art. 4 van Pro ILO-verdrag 98). Daarom verzocht de Committee ook in dit geval deze betreffende bepalingen aan te passen in die zin dat alleen indien geen vakbond aanwezig is, collectief overleg gevoerd kan worden met werknemersvertegenwoordigers. [179] In de Chileense casus verzocht het CoE (zie onder 7.15) Chili om duidelijkheid te verschaffen over de praktijk waarin groepen werknemers concept collectieve regelingen mogen indienen om te bezien in hoeverre deze groepen werknemers collectief onderhandelen, en of een ander strijdigheid met het primaat van de vakbond als neergelegd in art. 5 van Pro ILO-verdrag 135 oplevert. [180] Tot slot noem ik de praktijk in Sri Lanka van werkgevers om
“employees’ councils”in te zetten ter vervanging van vakbonden in collectief overleg, wat mogelijk is als die
councilrepresentatiever is dan de vakbond. De Committee overwoog dat art. 5 van Pro ILO-verdrag 135 niet alleen van toepassing is op
representatievevakbonden en verzocht Sri Lanka er daarom voor te zorgen dat ook de positie van niet-representatieve vakbonden wordt gewaarborgd. [181]
collective bargaining with representatives of non-unionized workers should only be possible when there are no trade unions at the respective level. Indeed, the Committee considers that direct bargaining between the enterprise and its employees with a view to avoiding sufficiently representative organizations, where they exist, may undermine the principle of the promotion of collective bargaining set out in the Convention. It is in this spirit that Article 5 of the Workers‟ Representatives Convention, 1971 (No. 135), provides that, where there exist in the same undertaking “both trade union representatives and elected representatives, appropriate measures shall be taken, wherever necessary, to ensure that the existence of elected representatives is not used to undermine the position of the trade unions concerned or their representatives”.
that the term “collective agreements” means “all agreements in writing regarding working conditions and terms of employment concluded between an employer, a group of employers or one or more employers’ organisations, on the one hand, and one or more representative workers’ organisations, or, in the absence of such organisations, the representatives of the workers duly elected and authorised by them in accordance with national laws and regulations, on the other.”
that, where there exists a representative trade union and it is active within the enterprise or branch of activity concerned, the authorization for other workers’ representatives to bargain collectively not only weakens the position of the trade union, but also undermines ILO rights and principles on collective bargaining.Despite this principle, several States continue to promote or allow non-unionized workers‟ representatives to conclude collective agreements, even where there exists in the sector or enterprise concerned a trade union that is more able to guarantee the independence of its positions in relation to the employer. Recalling the principle that the use of machinery for voluntary negotiation has to be encouraged, the Committee considers that if, in the course of collective bargaining with the trade union, the enterprise offers better working conditions to non-unionized workers, there would be a serious risk of undermining the negotiating capacity of the trade union and giving rise to discriminatory situations in favour of the non-unionized staff; furthermore, it might encourage unionized workers to withdraw from the union.
Emphasizing that collective bargaining is a fundamental right recognized in many national constitutions, and therefore accorded a high legal ranking, the Committee calls on governments to take measures to prevent direct agreements with non-unionized workers being used for anti-union purposes, as is still the case in certain countries. It has accordingly criticized, for example, the clear disproportion between the high number of direct agreements concluded with non-unionized workers, and the low number of collective agreements with trade unions. Finally, the Committee has noted with satisfaction the amendment to the legislation in Panama under the terms of which the Ministry of Labour will no longer entertain claims submitted by a non-organized group of workers.”
plichtbestaat om tot een cao met de vakbonden te komen. [185] De Laat en Van Slooten concluderen dan ook dat als er binnen een onderneming een vakbond actief is, het de werkgever vrij staat om met de ondernemingsraad te onderhandelen. [186]
een primaat van collectief onderhandelenbij de vakbond ligt. Zie in deze zin ook zeer recentelijk Poelstra: [187]
nietmet de ondernemingsraad mag worden onderhandeld over arbeidsvoorwaarden, zolang overleg wordt gevoerd met de bonden of er bonden zijn die willen onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.
case lawalleen betrekking heeft op de situatie dat aan de ondernemingsraad een recht is toegekend om cao’s te sluiten. In Nederland is dat niet het geval; de ondernemingsraad kan op grond van art. 32 WOR Pro een arbeidsvoorwaardenregeling tot stand brengen maar geen cao.
surveyblijkt dat het begrip ‘collectief onderhandelen’ heel ruim wordt opgevat (zie onder 7.17): “
all agreements in writing regarding working conditions and terms of employment concluded between an employer, a group of employers or one or more employers‟ organisations, on the one hand, and one or more representative workers‟ organisations, or, in the absence of such organisations, the representatives of the workers duly elected and authorised by them in accordance with national laws and regulations, on the other.” Deze omschrijving is zo ruim, dat ook een arbeidsvoorwaardenregeling daaronder valt. Hierbij kan nog wel de kanttekening worden geplaatst of een ondernemingsraad, voor wat betreft een arbeidsvoorwaardenregeling op grond van art. 32 lid 2 WOR Pro, wel gezien kan worden als “
representatives of the workers duly elected and authorised by them in accordance with national laws and regulations”. Betwijfeld kan namelijk worden of de werknemers voor wie een arbeidsvoorwaardenregeling geldt bij het kiezen van de ondernemingsraadleden ook echt gekozen hadden voor vertegenwoordiging door de ondernemingsraad als onderhandelingspartner.
is, maar niet als er nooit een cao is geweest voor de onderneming of als sprake is van een cao-loze periode. Jansen wijst erop dat werkgevers strategisch kunnen aansturen op zo’n situatie. [192] Dan biedt het primaat van de cao weinig bescherming en is feitelijk wel degelijk sprake van ondermijning van de positie van de vakbond. Jansen stelt om die reden voor dat aan art. 32 WOR Pro wordt toegevoegd dat de ondernemingsraad niet alleen geen rol meer heeft ten aanzien van een bepaald onderwerp als dat in een cao is geregeld, maar ook als dat onderwerp geregeld
pleegtte worden in een voor de onderneming normaliter geldende cao. [193] Eerder had ook de SER dat voorgesteld. [194]
caokent, maakt dit niet anders.
caois neergelegd niet goed zijn afgestemd op het
onderhandelingsprimaat van de vakbeweging uit de ILO-Verdragsnormen. Het onderhandelingsprimaat van de vakbeweging uit de ILO-Verdragen is ruimer dan het Nederlandse primaat van de cao. Dat levert enige spanning op.
exclusiefonderhandelingsrecht hebben, maar dat uit de ILO-normen volgt dat zij wel het onderhandelings
primaathebben. Als een werkgever weigert met een vakbond te onderhandelen omdat hij met de ondernemingsraad wil onderhandelen of onderhandelt, is in beginsel sprake van ondermijning in de zin van de ILO-verdragen 135 en 154. Hiermee heeft de werkgever dus geen
vrije keuzeom te bepalen met wie hij onderhandelt, ondernemingsraad of vakbond.
Article 6
the right to bargain collectively, the Contracting Parties undertake:
voluntary negotiationsbetween employers or employers' organisations and workers' organisations, with a view to the regulation of terms and conditions of employment by means of collective agreements;
recht(
“the right”) op collectief onderhandelen bestaat, maar daarin is tevens benoemd dat het in dit verband
vrijwilligeonderhandelingen (
“voluntary negotiations”) betreft. Ook uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat in art. 5 en Pro 6 ESH geen afdwingbare onderhandelplicht besloten ligt. [196]
Europees Comité voor Sociale Rechten, het orgaan van de Raad van Europa dat is belast met toezicht op de naleving van het ESH (hierna: ECSR). Het ESCR doet weliswaar geen bindende, maar wel gezaghebbende uitspraken in de vorm van zogenoemde
conclusions, waarin eventueel ook aanbevelingen aan de betreffende lidstaten worden opgenomen. [197] In de meest recente
Case Law Digestvan het ESCR wordt in het kader van art. 6 ESH Pro eveneens het vrijwillige (
‘free and voluntary’) karakter van collectieve onderhandelingen onderstreept. [198] Uit deze
conclusionsblijkt dus niet van aanbevelingen aan lidstaten om een onderhandel
plichtop te leggen. Wel wordt door het ESCR meermaals het belang van het
bevorderenvan collectieve onderhandelingen benadrukt, middels
“positive steps to encourage consultation between trade unions and employers’ organisations.” [199]
“recht op vrijheid van vreedzame vergadering”en de
“vrijheid van vereniging”, “met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.” [200] Het EHRM heeft verduidelijkt dat de vakverenigingsvrijheid van art. 11 EVRM Pro ook de
negatievevakverenigingsvrijheid omvat: de vrijheid om
nietlid te zijn van een vakbond. [201] De negatieve zijde van de vakverenigingsvrijheid speelt met name een rol in situaties waarin toegang tot of continuering van een arbeidsverhouding door de werkgever afhankelijk wordt gesteld van lidmaatschap van een vakbond (zogenoemde
closed shop-praktijken). [202]
onderhandelenin art. 11 EVRM Pro niet wordt genoemd, volgt uit rechtspraak van het EHRM dat ook het recht op collectief onderhandelen onder de reikwijdte van deze bepaling valt. [203] In de zaak
Demir en Baykaraoverwoog het EHRM – gelet op de ontwikkelingen in het nationale en internationale arbeidsrecht, waaronder de verankering van dit recht in art. 6 ESH Pro (zie onder 7.31) en ILO-verdragen 87 en 98 (zie onder 7.4 e.v.) – in dit verband het volgende: [204]
Demiren
Baykaradus als
essentieelelement van art. 11 EVRM Pro gezien. [205] Deze ruimere interpretatie van art. 11 EVRM Pro brengt overigens niet mee dat een specifieke behandeling van vakverenigingen en hun leden door de lidstaten is voorgeschreven. Het EVRM laat de lidstaten vrij in de keuze van de specifieke middelen die worden aangewend om voornoemde rechten veilig te stellen. [206] Voorts geldt dat art. 11 EVRM Pro – evenals de hiervoor besproken ILO-verdragen en het ESH – geen afdwingbaar recht of een
plichttot onderhandelen omvat.
Viking [210] en
Laval [211] het recht op collectieve actie als grondrecht erkend, waarmee dit grondrecht deel uitmaakt van de beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof van Justitie de eerbiediging verzekert. Daarbij onderstreepte het Hof echter ook dat de uitoefening van dit grondrecht aan bepaalde beperkingen kan worden onderworpen. Art. 28 van Pro het EU Handvest bepaalt immers dat de daarin genoemde rechten bescherming vinden overeenkomstig het gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken. Daarmee dient het grondrecht op collectieve actie te worden afgewogen tegen de economische vrijheden voortvloeiend uit Europese verdragen, zoals de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening. [212] Hierin ligt besloten dat de erkenning van het recht op collectieve actie niet meebrengt dit recht
onbegrensdis. [213]
plichttot onderhandelen bestaat, wordt wel steeds benadrukt dat het collectief onderhandelen moet worden
bevorderd(zie onder 7.9 en 7.31). [214]
Europees Economisch en Sociaal Comité(EESC), een raadgevend orgaan van de Europese Unie, een advies uitgebracht over de versterking van de collectieve onderhandelingspositie in de hele Europese Unie. [215] Het EESC spreekt in dit initiatiefadvies zorgen uit over de dalende organisatiegraad aan werknemerszijde, en de representativiteit aan werkgeverszijde. [216] Het doel van het advies is om na te gaan waarom de organisatiegraad afneemt en wat de implicaties zijn van de verschillende manieren om deze achteruitgang een halt toe te roepen. [217] Daarbij onderstreept het EESC het belang van collectieve onderhandelingen, met name voor het realiseren van eerlijke lonen en arbeidsomstandigheden. [218] Daarnaast wijst het EESC erop dat vakbonden belangrijk zijn bij het bereiken van een machtsevenwicht dat sociale rechtvaardigheid en economische welvaart ondersteunt. [219] Daarbij wordt onder meer het in 2019 gepubliceerde OESO-advies aangehaald –
Negotiating Our Way Up. Collective Bargaining in a Changing World of Work– waarin eveneens is geconstateerd dat het recht op collectieve onderhandelingen binnen de gehele EU onder druk is komen te staan. [220]
niette verenigen, [221] en dat sociale dialoog en collectieve onderhandelingen een vrijwillig karakter hebben en dat dit zo moet blijven, [222] maar wijst er ook op dat goede arbeidsverhoudingen veronderstellen dat werkgevers en vakbonden
bereidzijn om te onderhandelen. [223] Tevens beveelt het EESC sociale partners en lidstaten aan om de voorliggende uitdagingen rondom de organisatiegraad aan te gaan, door te zoeken naar geschikte methoden die een duurzaam lidmaatschap in hun organisaties waarborgen. [224]
Toelating tot arbeidsvoorwaardenoverleg als werkgever onderhandelt met ondernemingsraad
AbvaKabo-arrest volgt dat een representatieve vakbond in beginsel aanspraak heeft op toelating tot lopende cao-onderhandelingen over een nieuwe cao (dan wel over aanpassing van een cao waarbij die vakbond partij is geweest), en dat in andere situaties een belangenafweging moet worden gemaakt ter beoordeling van de vraag of niet-toelating van een representatieve vakbond in een concreet geval onrechtmatig is (zie onder 3.19 e.v.).
AbvaKabo-arrest zich laten doortrekken naar de situatie die zich hier voordoet, waarin géén sprake is van een lopende cao-onderhandelingen (er is geen cao en die is er ook nooit geweest), maar van onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden van de werkgever met de ondernemingsraad. M.i. is dat het geval. Ook hier gaat het immers om een afweging tussen enerzijds het recht op collectief onderhandelen van een (representatieve) vakbond en anderzijds het recht op onderhandelingsvrijheid van de werkgever (vgl. onder 3.22). Meer concreet: op een afweging tussen de belangen die de representatieve vakbond heeft bij toelating tot de onderhandelingen, versus de belangen van de werkgever om niet met de vakbond maar met de ondernemingsraad te onderhandelen.
AbvaKabo-norm doorgetrokken kan worden naar de situatie die hier aan de orde is, is naar aanleiding van de uitspraken van kantonrechter en hof door meerdere auteurs onderschreven. [225] Als dit anders zou zijn, zo schrijft Jansen, zou dat betekenen dat de drempel voor een vakbond om toelating te krijgen tot onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden in de situatie dat de werkgever met andere vakbonden onderhandelt, een andere is dan wanneer de werkgever met de ondernemingsraad onderhandelt. [226] Dat is ongerijmd.
AbvaKabo-arrest, waar sprake was van lopende cao-onderhandelingen en een beginsel-recht op toelating is geformuleerd. In zo’n situatie zou sprake zijn van ‘rechtsgeschil’, waarin een gang naar de rechter mogelijk is. Een staking zou dan niet zijn toegelaten.
9.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Het beoordelingskader
Primairwordt betoogd dat er juist géén juridisch afdwingbare verplichting tot het voeren van collectieve onderhandelingen bestaat. Althans, zo wordt
subsidiairbetoogd, geldt als regel dat in elk geval
in beginsel, behoudens door de vakbond te stellen en zo nodig te bewijzen zwaarwegende belangen, geen juridisch afdwingbare verplichting tot het voeren van collectieve onderhandelingen op die werkgever rust. Althans, zo is het
meer subsidiairestandpunt, heeft als regel te gelden dat in zo een geval als uitgangspunt geen in rechte afdwingbare verplichting tot het voeren van collectieve onderhandelingen op die werkgever rust.
AbvaKabo-arrest op de onderhavige situatie van toepassing heeft geacht. In de subonderdelen wordt
primairbetoogd dat op een werkgever die geen cao-overleg voert, nu juist
geenin rechte afdwingbare plicht tot het voeren van collectieve (cao-)onderhandelingen rust, ook niet als de vakbond representatief is en de werkgever wel onderhandelt met een medezeggenschapsorgaan.
Subsidiairstelt TUI zich op het standpunt dat een dergelijke plicht niet op een werkgever ligt, behoudens door de vakbond te stellen en indien nodig te bewijzen zwaarwegende belangen.
Meer subsidiairmeent TUI dat als beginsel of uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijke plicht niet op de werkgever rust.
primairdat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof daarmee heeft miskend dat door middel van een afspraak in de zin van art. 32 lid 2 WOR Pro wel degelijk aan de ondernemingsraad de bevoegdheid kan worden gegeven om te onderhandelen over primaire arbeidsvoorwaarden, ook in een geval waarin de werkgever niet gebonden wil zijn aan een cao.
Subsidiairklaagt TUI dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat TUI zich ter onderbouwing van haar stelling dat het haar vrijstaat om met de ondernemingsraad te onderhandelen in plaats van met de vakbond niet “enkel” heeft beroepen op art. 32 lid 2 WOR Pro, maar op een samenstel van argumenten, waaronder de contractsvrijheid en het feit dat uit internationale regelgeving geen onderhandelplicht volgt.
AbvaKabo-arrest, zich de volgende vragen stelt: (i) is FNV een representatieve vakbond, waarmee zij in beginsel recht heeft op toegang tot collectieve onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden, en zo ja, (ii) hoe valt in dit concrete geval, waarin TUI met de ondernemingsraad onderhandelt, de belangenafweging uit die moet worden gemaakt ter beoordeling van de vraag of niet-toelating van FNV tot het arbeidsvoorwaardenoverleg onrechtmatig is, mede in het licht van internationale rechtsnormen? Dat het hof de overwegingen van het
AbvaKabo-arrest doortrekt naar de onderhavige situatie, is terecht (zie onder 8.2 e.v.).
onderhandelingsprimaatheeft (zie onder 7.30). Zo ver is het hof echter niet gegaan.
FNVwil onderhandelen en daarom vasthoudt aan het arbeidsvoorwaardenoverleg met de ondernemingsraad. Dit terwijl duidelijk is dat er grote onvrede bestaat onder het cabinepersoneel over deze onderhandelingen, en er bij hen een sterke wens leeft dat met FNV wordt onderhandeld over een cao. Daarmee is sprake van ondermijning van de positie van de vakbond, als bedoeld in de ILO-verdragen 135 en 154 (rov. 6.14). Het is terecht dat het hof dit bij zijn oordeel betrekt (zie hiervoor onder 9.11). De door het hof in het kader van de belangenafweging besproken feiten en omstandigheden – die in cassatie op zichzelf niet ter discussie zijn gesteld – mondt uit in het oordeel van het hof in rov. 6.21, dat TUI in strijd handelt met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door te weigeren om met FNV te onderhandelen over een cao voor het cabinepersoneel, terwijl een rechtvaardigingsgrond in de vorm van een zwaarwegend belang hiervoor ontbreekt.
eerstonderzocht of aan de zijde van FNV sprake is van zwaarwegende argumenten om met TUI in onderhandeling te treden over een cao. Het hof bespreekt en weegt deze argumenten in rov. 6.11-6.12, en beschouwt deze argumenten als zwaarwegend.
Vervolgensis het hof nagegaan welke zwaarwegende argumenten door TUI zijn aangevoerd tégen het voeren van cao-onderhandelingen met FNV. Het hof bespreekt en weegt deze argumenten in rov. 6.13-6.20, waarbij tot de conclusie wordt gekomen dat de door TUI aangevoerde argumenten niet opgaan en derhalve onvoldoende zijn om af te doen aan het zwaarwegende belang van FNV om cao-onderhandelingen te voeren met TUI (rov. 6.21). De manier waarop het hof hier te werk is gegaan, sluit aan bij het
AbvaKabo-arrest (vgl. onder 3.19 e.v.).