Conclusie
Inleiding
Achtergrond van de zaak
elkvan deze twee sporen hebben twee verschillende deskundigen – dus in totaal vier – geconstateerd dat een zeer grote mate van overeenkomst bestaat met de vingerafdruk van de verdachte en dat geen onverklaarbare dactyloscopische verschillen aanwezig zijn. [1] De rechtbank heeft de sporen aangemerkt als dadersporen en daarnaast overwogen dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van voor hem zeer belastend bewijsmateriaal op de plaats delict. Het verweer dat de verdachte de rol tape eerder zou hebben aangeraakt, waarna de tape later – kennelijk door anderen – bij de overval zou zijn gebruikt, is door de rechtbank verworpen. [2]
Verzoeken van de verdediging in hoger beroep
Inleiding
De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:
Voorwaardelijke verzoeken
Het eerste middel
Het tweede middel
Het derde middel
Beoordeling door de rechtbank
zeer veel waarschijnlijkerzijn wanneer de tapedelen (AAHW3254NL en AAHW3255NL) oorspronkelijk één geheel hebben gevormd (hypothese 1) dan wanneer de tapedelen niet één geheel hebben gevormd (hypothese 2).
veel waarschijnlijkerzijn wanneer de vingerafdruksporen van de verdachte op de tape terecht zijn gekomen tijdens het vasttapen van het slachtoffer (hypothese 3) dan wanneer de vingerafdruksporen van de verdachte in een eerder stadium, voorafgaande aan het vasttapen van het slachtoffer op de tape terecht zijn gekomen (hypothese 4). In deze conclusies heeft het NFI onder meer betrokken dat de aangetroffen vingerafdruksporen zich bevonden op minimaal de vierde wikkeling van de bovenste wikkel, oftewel op minimaal 159centimeter van het door het NFI als uiteinde van de taperol aangemerkte stuk tape.
Aanvullend onderzoek
Slotsom