Conclusie
Nummer21/03301
Inleiding
De zaak in het kort
De middelen
eerste middelbevat de klachten dat het hof
i)op ontoereikende gronden een verzoek tot het laten doen van een deskundigenonderzoek, waarin de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou moeten worden onderzocht, heeft afgewezen,
ii)ten onrechte, althans onbegrijpelijk, niet ambtshalve beide slachtoffers heeft opgeroepen om te worden gehoord en
iii)ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte niet in zijn recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. Het
tweede middelricht zich op de motivering van de bewezenverklaring. Het bevat de klacht dat bij de veroordeling voor de feiten 1, 2 en 4 niet aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342 lid 2 Sv Pro is voldaan en het hof het tot vrijspraak strekkende verweer wegens het gebrek aan voldoende wettig bewijs op onjuiste en ontoereikende gronden heeft verworpen.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
(het hof begrijpt telkens: de verdachte)
het hof begrijpt: [betrokkene 2]).
het hof begrijpt: 18 juni 2019) heb ik het tegen mijn mentor [betrokkene 1] gezegd. Op dezelfde dag had ik van school oudergesprek. Mijn moeder was bij dat oudergesprek. Ik heb het toen ook verteld.
(het hof begrijpt: op de computer van die man gezien). Die man deed haar toen ook
hof: 2017)?
(onverstaanbaar)uit te proberen of zo. Weetje? Kijk, kijk eh, eh, eh, eh, maar dat,
(het hof begrijpt: in 1994)is geboren.
Het eerste middel
NJ2022, 43 m.nt. J.M. Reijntjes) over eerder bij de politie gehoorde personen heeft overwogen dat het bij de ontwikkeling naar – kort gezegd – een meer op een contradictoire leest geschoeide wijze van procesvoering past dat het “in de fase van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep (…) aan de procespartijen en aan de rechter wordt overgelaten om te beoordelen of in het concrete geval en mede in het licht van het recht op een eerlijk proces een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord.” Voor zover wordt geklaagd dat het hof ten onrechte beide slachtoffers niet ambtshalve heeft opgeroepen, lijkt het lot van de tweede deelklacht mij hiermee bezegeld. Nu het hof in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen redenen heeft gezien om aan de betrouwbaarheid van de getuigen te twijfelen, acht ik het niet ambtshalve horen van de getuigen evenmin onbegrijpelijk.
NJ2021, 173 m.nt. J.M. Reijntjes). In het licht van deze jurisprudentie had het hof, volgens de steller van het middel, moeten beoordelen of in deze zaak wel sprake was van een eerlijk proces. Nu is het zo dat deze jurisprudentie toepassing mist, omdat in de onderhavige zaak geen verzoek is gedaan om beide slachtoffers als getuige ter terechtzitting te horen. De steller van het middel onderkent dit, maar stelt zich op het standpunt dat “[h]et EHRM (…) wel degelijk de opvatting [lijkt] te zijn toegedaan dat de rechter onder omstandigheden een eigen verplichting heeft om toe te zien op de naleving van de notie van een eerlijk proces, die in zoverre niet is verbonden met de procesopstelling van de verdediging, en ertoe kan nopen dat de appèlrechter na een vrijspraak in eerste aanleg zelf en rechtstreeks bewijs onderzoekt, bijvoorbeeld door getuigen (opnieuw) te horen.” [2] In dit verband doet de steller van het middel in het bijzonder een beroep op de arresten Sigurþórsson
t.IJsland (EHRM 16 juli 2019, nr. ECLI:CE:ECHR:2019:0716JUD003879717) en Maestri
t.Italië (EHRM 8 juli 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0708JUD002090315).
à dechargedie in elkaars bijzijn waren gehoord, waardoor de betrouwbaarheid ter discussie was komen te staan. In de Italiaanse zaak had in het hoger beroep in het geheel geen zitting plaatsgevonden. Ten overvloede merk ik nog op dat het gerechtshof in de onderhavige zaak niet tot een andere weging van de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide slachtoffers is gekomen dan de rechtbank. De reden dat de rechtbank de verdachte had vrijgesproken was niet dat ze de verklaringen van de getuigen als onbetrouwbaar beoordeelde, maar dat ze meende dat niet aan het bewijsminimum was voldaan. [3] Ook hierin verschilt de onderhavige zaak van de twee Straatsburgse arresten waar door de steller van het middel een beroep op wordt gedaan.
Het tweede middel
NJ2014, 328, m.nt. N. Rozemond), in welk arrest de Hoge Raad genoegen nam met steunbewijs dat bestond uit een verklaring van een getuige die het slachtoffer – die in haar buik gestompt zou zijn – “verkrampt” bij hem aan de deur had zien staan. Toegegeven moet worden dat in dat arrest het tijdsverloop tussen de bewezenverklaarde gedraging en de door een getuige geconstateerde (fysiek-)emotionele reactie korter was, maar hier staat tegenover dat in de onderhavige zaak de steun biedende verklaringen eveneens direct volgde op een – door het slachtoffer gestelde – benaderingspoging van de verdachte in de richting van het slachtoffer, terwijl het tevens zo is dat de steun biedende verklaring meer, zij het beperkte, eigen waarnemingen behelst wat betreft het verband tussen het gedrag van de verdachte en de reactie van het slachtoffer in vergelijking met het arrest uit 2014: de nicht van het slachtoffer heeft immers waargenomen dat het slachtoffer in paniek raakte nadat zij gebeld werd door een man.