Conclusie
Nummer21/01874
eerstemiddel betreft een klacht over de bewijsvoering. Het hof zou voor de bewezenverklaring van de feiten redengevend hebben geacht dat er door de verdachte belastende berichten zijn verstuurd en ontvangen met een encrypted BlackBerry, terwijl het niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overwegingen heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het deze omstandigheid heeft ontleend.
tweedemiddel bevat twee deelklachten die beide de verwerping van een door de verdediging gevoerd verweer betreffen, inhoudend dat het onder 1 tenlastegelegde (indien bewezen) gedeeltelijk niet als strafbaar feit gekwalificeerd kan worden. De eerste deelklacht houdt in dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft bevestigd aangezien de rechtbank in het vonnis geen beslissing heeft genomen op het op dit punt door de verdediging gevoerde verweer. De tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het op dit punt ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer.
2. Partieel nietige (innerlijk tegenstrijdige) dagvaarding (feit 1)
Tussenconclusie:
3 De voorvragen
dat feit. Met dat feit wordt immers gedoeld op de feiten genoemd in art. 10 lid 4 en Pro 5 van de Opiumwet, en niet de voorbereiding daarop. Terecht is door mijn kantoorgenoot gewezen op het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1956). De telefoon waarmee in die zaak het plan was gemaakt om een gewapende overval te plegen was geen voorwerp bestemd tot het plegen van het grondfeit, in casu die gewapende overval. In aanvulling daarop wijs ik op het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1198). In die zaak had het Gerechtshof bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving door opzettelijk informatie en foto’s te verzamelen over meerdere personen en deze informatie op schrift te stellen. De Hoge Raad overwoog:
Onderzoek van de zaak