ECLI:NL:PHR:2023:207

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
22/00048
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 SvArt. 83 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens ontbreken aanvulling bewijsmiddelen in verkort vonnis

In deze cassatieprocedure staat centraal dat het hof Amsterdam bij zijn arrest van 5 januari 2022 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2021 gedeeltelijk heeft bevestigd zonder dat de noodzakelijke aanvulling met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen was opgemaakt en overgelegd. Deze aanvulling ontbrak in het dossier, waardoor de bewezenverklaring van het hof niet voldoet aan de eis van een met redenen omkleed oordeel.

De verdediging heeft bij de Hoge Raad verzocht om het dossier te completeren met deze aanvulling. De Hoge Raad heeft vervolgens bij het hof navraag gedaan, waarop het hof heeft bevestigd dat deze aanvulling niet door de rechtbank was opgemaakt. Volgens vaste jurisprudentie kan de Hoge Raad niet verlangen dat het hof stukken alsnog opmaakt die niet zijn opgemaakt.

De advocaat-generaal adviseert daarom het arrest van het hof te vernietigen en de zaak terug te wijzen voor een nieuwe behandeling waarbij de bewijsmiddelen correct worden aangevuld. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest, waarbij de zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam.

De zaak betreft een verdachte die is veroordeeld voor diefstal gevolgd door geweld met het oogmerk om vlucht mogelijk te maken. Het hof heeft tevens een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. De procedure richt zich op de formele tekortkoming in het dossier en de bewijsvoering, niet op de inhoudelijke schuldvraag.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens ontbreken van de noodzakelijke aanvulling met bewijsmiddelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00048
Zitting21 februari 2023

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
Bij arrest van 5 januari 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam zich verenigd met het beroepen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2021, met uitzondering van de kwalificatie ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde en met dien verstande dat het hof het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel heeft besproken en een beslissing heeft genomen over het in zaak B inbeslaggenomen windscherm. Dat brengt mee dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd voor de duur van twee jaren naar aanleiding van in zaak B “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken” en zaak C feit 1 en zaak D “telkens: diefstal”. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, is de teruggave van een aantal goederen gelast en is de bewaring van de genoemde windscherm gelast ten behoeve van de rechthebbende.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst met betrekking tot zaak B onder meer de klacht dat de bewezenverklaring door het hof onvoldoende met redenen is omkleed.
Ten laste van de verdachte is ten aanzien van zaak B bewezenverklaard dat hij:
“op 30 juni 2018 te Amsterdam, omstreeks 00:19 een windscherm, dat aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken, door zich los te trekken en met zijn arm tegen het gezicht van [benadeelde] te zwaaien”
5. Het door het hof gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank betreft een zogenoemd verkort vonnis. Kennelijk ontbrak daarbij de aanvulling inhoudende de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Om die reden, zo valt in het middel te lezen, heeft de verdediging de Hoge Raad verzocht het dossier met die aanvulling te completeren. Ik meen dat het niet nodig is om het vervolg in het middel en de toelichting daarop hier weer te geven – het middel slaagt mijns inziens – en dat ik mij al direct kan concentreren op de stukken van het geding voor zover deze in cassatie voorhanden zijn. Uit deze gedingstukken blijkt namelijk het volgende.
6. Overeenkomstig het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden hebben de stellers van het middel tijdig de rolraadsheer verzocht om toezending van de (aanvulling inhoudende) de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Naar aanleiding van dit verzoek is namens de griffier van de Hoge Raad op 17 mei 2022 door een medewerker dossierbehandeling een schrijven aan het hof verzonden met de volgende inhoud:
“In de cassatieprocedure heeft de advocaat van de verdachte de volgende stukken opgevraagd:
-
de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.
Hetgeen door de advocaat is opgevraagd maakt echter geen deel uit van het dossier dat op grond van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is toegezonden.
Gelet op de in cassatieprocedure lopende termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie, verzoek ik u om het opgevraagde
uiterlijk binnen twee wekenna dagtekening van deze brief te doen toekomen aan de strafadministratie van de Hoge Raad, ter attentie van ondergetekende.
Wanneer een opgevraagd stuk
niet kan worden aangeleverdomdat:
1. het stuk niet is opgemaakt of in het ongerede is geraakt;
2. het stuk nooit deel heeft uitgemaakt van het dossier;
3. anders, namelijk …,
dan verzoek ik u mij dit zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen in een brief die ondertekend is door de voorzitter en/of de behandelend griffier van de betrokken strafkamer. Deze brief zal worden toegevoegd aan het dossier en kan in de cassatieprocedure aan de betrokken advocaten of andere procespartijen worden verstrekt.
Graag maak ik u erop attent dat niet wordt verzocht om een stuk alsnog (of opnieuw) op te maken.
In het geval het gaat om een
ontbrekende pleitnotais het niet de bedoeling dat deze bij de advocaat wordt opgevraagd. Het moet immers gaan om het stuk dat ter terechtzitting is overlegd.”
7. In reactie op dit schrijven heeft de griffier van het hof in een brief van 3 juni 2022 het volgende meegedeeld:
“Het hof heeft de brief van […], medewerker dossierbehandeling bij de Hoge Raad, van 17 mei 2022 ontvangen. Daarin is - op verzoek van de verdediging in bovenvermelde zaak - de aanvulling van het verkorte vonnis van de rechtbank opgevraagd. Dit stuk is echter niet opgemaakt door de rechtbank.
De verdachte heeft de hem tenlastegelegde feiten waarvoor hij door de rechtbank is veroordeeld bekend, met uitzondering van het geweld in de zaak met parketnummer 13-702060-18. Ter terechtzitting in hoger beroep is die grief van de verdachte aan de hand van de inhoud van het dossier met hem besproken. Dat een aanvulling op het verkorte vonnis ontbrak, is bij de bevestiging van het vonnis als gevolg van een vergissing over het hoofd gezien. Ter herstel van die vergissing strekt de bij deze brief gevoegde aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen waarop het hof zijn oordeel heeft gegrond.”
8. Het komt mij voor dat op deze alsnog door het hof opgemaakte aanvulling met bewijsmiddelen thans in cassatie geen acht kan worden geslagen. Ik verwijs daarvoor naar HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235,
NJ2021/83. [1] Zo heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen:
“2.5 Naar aanleiding van de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal verdient opmerking dat de in artikel 83 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie opgenomen bevoegdheid van de Hoge Raad om inlichtingen die voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht, in te winnen bij onder meer de gerechtshoven kan worden benut om na te gaan of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het gerechtshof bevinden. Die bevoegdheid strekt er echter niet toe het gerechtshof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen.”
9. Nu het er in cassatie voor moet worden gehouden dat de aanvulling inhoudende de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen ontbreekt, is ’s hofs bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
10. Dit brengt mee dat het middel reeds in zoverre slaagt en voor het overige geen bespreking behoeft.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie ook HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:915,