Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “
medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en drie weken onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
De bewijsconstructie van het hof
“De bewijsmiddelen1. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 238 (zaaksdossier C01, map 4, BEV-09 001 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
“Ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van feit 2
Het beoordelingskader
en devoortgezette handeling
gegeven. De overwegingen uit voornoemde arresten laten zich op hoofdlijnen als volgt samenvatten.Deeendaadse samenloop
en devoortgezette handeling
vervullen een wezenlijke functie bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten.Voor deeendaadse samenloop
komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor devoortgezette handeling
komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.Het toepassingsbereik van deze regelingen is ruimer dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden. Die ruimte vooreendaadse samenloop
envoortgezette handeling
vindt mede steun in het vooral met art. 55, eerste lid, Sr verwante art. 68 Sr Pro dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval vaneendaadse samenloop
is het in beginsel aan de feitenrechter om de vraag te beantwoorden of hij in geval vaneendaadse samenloop
het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij eenvoortgezette handeling
ligt dat echter niet in de rede.
ofvoortgezette handeling
zou worden uitgegaan. Vanwege het belang dat het thema heeft met name in feitelijke aanleg, heeft de Hoge Raad de onder 3.3.1 samengevat weergegeven opmerkingen gemaakt over de uitleg en de toepassing van voornoemde wetsbepalingen, met de kanttekening dat de zeer beperkte toetsing in cassatie niet zal veranderen.
in plaats vaneendaadse samenloop
dan welvoortgezette handeling
, nog niet met zich dat in die concrete zaak van onevenredige bestraffing sprake is. Een en ander laat onverlet dat de Hoge Raad in cassatie aangevoerde klachten kan bespreken – ook zonder dat zulks leidt tot vernietiging en terugwijzing – met het oog op het aanduiden van de voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van art. 55, eerste lid, en 56 Sr.” [1]
hij even moet wachten en dat hij even gaat kijken”. [betrokkene 1] verlaat dan de woonwagen en komt dertien minuten later terug. Onderwijl arriveert [betrokkene 2] bij de woonwagen en vraagt aan de verdachte waar ‘die grote’ heen is, waarop de verdachte zegt: “
[…] pakken”. Het gesprek gaat vervolgens over koken, ammoniak, Poker en J10. [betrokkene 1] vraagt “
Wil je er een meenemen?”, waarna de verdachte reageert: “
Ik neem die mee [...] deze betaal ik gewoon 27”. Daarop bevestigt [betrokkene 1] het meegeven en ook is daarover een notitie gemaakt in de administratie op de telefoon van [betrokkene 2]. Vastgesteld is dat de verdachte de woning vervolgens verlaat.
kunnenafleiden dat de verdachte de woning van [betrokkene 1] heeft verlaten terwijl hij in het bezit was van één kilo cocaïne. [3] Zodoende acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer één kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, niet onbegrijpelijk. Dit oordeel is toereikend gemotiveerd.
volgendedrugsdeal wordt besproken. Voor feit 1 wordt een prijs en tijdstip van betaling overeengekomen, maar voor een nieuwe deal wil de verdachte wel over prijzen praten (“
Oke, deze betaal ik gewoon 27 van. We gaan wel over prijzen praten.”). Daarop volgt een conversatie tussen [betrokkene 1] en de verdachte over voorwaarden daartoe
(“Ik ga met mijn jongens praten. Met mijn neef.”, “Heey als het een goeie grote aantal is…”, “Dan ken ik wel iets doen. Dan wil ik iets doen. Dan maakt het mijn niet uit want dan ben ik een pluk kwijt, snap je?”).
Slotsom